Hoofdstuk 1
Hoe het begon
De grondlegger van de Oxfordgroep (OG) en later Morele Herbewapening (MH) is Frank Buchman. Uit zijn vele toespraken en brieven, en uit de boeken die over hem geschreven zijn, wordt duidelijk dat allerlei ervaringen hem ertoe gebracht hebben op een goed moment ‘voor zichzelf’ te beginnen. Niet dat hij een organisatie wilde stichten. De Oxfordgroep en later Morele Herbewapening kwamen welhaast ‘organisch’ tot stand. Frank Nathan Daniël Buchman werd in 1878 in Pennsburg, Pennsylvania (VS), geboren. Zijn vader had daar een levensmiddelenzaak [1]. Het ging goed met de zaken en na enige tijd kocht Buchman senior een hotel vlakbij het station. De jonge Frank groeide op in het goed lopende hotel. De ligging aan het spoor betekende dat hij kennismaakte met de wereld die in het hotel langs kwam. Hij leerde van zijn ouders hoe belangrijk het was gasten te ontvangen met goed verzorgde maaltijden en in smetteloze kamers. De neiging tot perfectie op dit gebied behield Buchman zijn hele leven. De achternaam Buchman verwijst naar zijn voorouders die uit Zwitserland kwamen. Buchman was er trots op een opmerkelijke voorouder te hebben gehad, namelijk één die in de zestiende eeuw zijn naam vergriekst had tot Bibliander. Thomas Bibliander is bekend omdat hij in 1531 de Zwitserse reformator Zwingli opvolgde als hoogleraar oude testament in Zürich en als eerste de Koran in het Latijn vertaald heeft. Of Buchman inderdaad een verre nazaat was van deze Bibliander staat niet vast. Wel stamden beiden uit het Zwitserse Bischofszell [2]. De familie Buchman kwam omstreeks 1750 naar de Verenigde Staten en vestigde zich in Pennsylvania, in het gebied van de zogenaamde ‘Pennsylvania Dutch’. Dutch is een verbastering van Deutsch. De godsdienst was er luthers. Buchman heeft altijd een speciale band met Zwitserland en Duitsland gehad. Omdat er in Pennsburg geen middelbare school was, verhuisde de familie toen Frank 16 jaar was naar het naburige Allentown. Vader Buchman opende daar een restaurant met een slijterij erbij, en later ook nog een groothandel in sterke drank. Volgens de biograaf van Frank Buchman, de Engelse journalist Garth Lean, was dit nu niet direct het beroep van een ‘model-vader’ in de lutherse traditie. In huize Buchman hield men van lekker eten en een goed glas wijn. Later besloot Buchman, om een gewezen alcoholiste te helpen van de drank af te blijven, geen sterke drank meer te drinken en dat heeft hij zijn leven lang volgehouden. Buchman studeerde theologie. Na zijn studie werd hij predikant in Overbrook, het armste gedeelte van Philadelphia. Eigenlijk moest hij zijn gemeente daar nog opbouwen. Het eerste jaar ontving hij zelfs geen salaris en bleef hij financieel afhankelijk van zijn ouders. Zijn taak hier had meer weg van sociaal werk. De industriële revolutie had slachtoffers gemaakt, die tussen wal en schip vielen. Daarom stichtte Buchman een tehuis voor verwaarloosde jongens. De sfeer was er warm en het eten goed [3]. Buchmans idee was dat je het christendom niet zozeer moest onderwijzen, als wel leven. Dit tehuis werd zo’n succes dat mensen uit andere steden kwamen kijken. Het benodigde geld werd bijeengebracht door een bestuur bestaande uit zes heren. Dit bestuur wilde dat het tehuis uiteindelijk zichzelf zou bedruipen. Dit was onmogelijk, de jongens konden niet of nauwelijks kost en inwoning betalen, en daarom werd Buchman gevraagd te bezuinigen en wel op de uitgaven voor het eten. Buchman vond dit volkomen onaanvaardbaar. Een conflict was het gevolg. Het liep zo hoog op dat Buchman ontslag nam. Zijn verbittering uitte zich in allerlei psychosomatische kwalen. Hij legde het predikantschap neer. Zijn vader gaf hem geld voor een reis naar Europa.
Ommekeer in Keswick
Na allerlei omzwervingen kwam Buchman in de zomer van 1908 in Engeland, waar hij naar een christelijke conferentie in het plaatsje Keswick ging. Hij hoopte er de bekende predikant F.B. Meyer te ontmoeten [4]. Die was er niet, maar wel hoorde hij een collega van hem, Jessie Penn-Lewis. In een klein kerkje met maar zeventien mensen in het gehoor, sprak zij op zo’n ontroerende manier over het kruis van Christus, dat dit geloofsstuk van zijn kerk op dat moment een levende en leven gevende ervaring voor Buchman werd. Plotseling zag hij zichzelf zoals hij was, een man vol hoogmoed, eigenliefde en wrok. ‘Dit hebt U voor mij gedaan, wat heb ik voor U gedaan?’ schreef hij op. Hij besefte dat hijzelf in het centrum van zijn leven stond en dat zijn werk zijn afgod was geworden. Hij vroeg God hem te veranderen. En ook al geloofde hij nog steeds dat hij in het conflict met het bestuur het gelijk aan zijn kant had, hij zag in dat de wrok die hij koesterde verkeerd was. Hij schreef een briefje naar de zes bestuursleden waarin hij vergeving vroeg voor zijn wrok en voelde zich een bevrijd mens. Bij elke brief schreef hij deze versregels:
Als ik het wond’re kruis aanschouw, waar Christus stierf, die ’t al volbracht, dan voel ik, hoe ‘k mijn trots berouw en ’t rijkst gewin slechts schade acht [5].
Hij ontving geen antwoorden. Volgens Garth Lean zou dat kunnen liggen aan het feit dat hij geen afzender op zijn brieven vermeld had. Nog dezelfde dag wist hij een student die hij op de conferentie ontmoette, met zijn ervaring te helpen. Deze twee ervaringen leerden Buchman, dat iedereen altijd een nieuw begin kan maken, en dat zo’n nieuw begin zijn uitwerking op anderen niet mist.
Stille tijd
In de veertien jaar die hierop volgden was Buchman respectievelijk secretaris van de Young Men’s Christian Association, YMCA, van de Universiteit van Penn State (VS), zendeling in China en docent aan de Theologische Hogeschool van Hartford (VS). De ervaringen die hij in die periode opdeed, gekoppeld aan wat hij leerde van christelijke denkers in zijn tijd, brachten hem tot bepaalde inzichten. Die waren niet nieuw, maar hij maakte ze toegankelijk voor iedereen. Eén zo’n inzicht was de ‘stille tijd’. Dit leerde hij als pastor op de Universiteit van Penn State. Hij was daar meteen keihard aan het werk gegaan, organiseerde bijbelstudies en bijeenkomsten. Het ledental van de christelijke studentenvereniging verdubbelde. Hij slaagde erin de mensen die hem eerst uitlachten tot vrienden te maken. Toch was hij ontevreden. Zoals Buchman later zei: ‘Ik werkte achttien uur per dag. Had twee telefoons op mijn kamer. De mensen kwamen naar me toe, maar er vond geen ommekeer plaats. Er bleef niets van over.’ F.B. Meyer, de kanselredenaar die hij gehoopt had te ontmoeten in Keswick, kwam op bezoek. Hij sloeg Buchman bij zijn werk gade en gaf hem twee adviezen: je moet meer naar God luisteren dan naar de telefoon en je moet niet bijeenkomsten, maar het gesprek van mens tot mens tot het centrale punt van je werk maken. Buchman nam dit advies zeer serieus. Hij besloot ‘elke ochtend van vijf tot zes uur, voordat de telefoon kon gaan, in een tijd van stilte te luisteren naar de zachte stem van de levende God.’ Dit radicale besluit leidde tot een kettingreactie van veranderingen in mensen die beeldbepalend voor de universiteit waren. De verbeterde sfeer bleef niet onopgemerkt en secretarissen van de YMCA van andere universiteiten kwamen kijken. Dit leidde weer tot campagnes en studentenconferenties die in dezelfde geest plaatsvonden. In Penn State leerde hij dus dat mensen kunnen veranderen. En dat hierdoor situaties kunnen veranderen, zoals de hele sfeer in de universiteit van Penn State. Dit is des te meer het geval als de mensen die het betreft sleutelfiguren zijn.
China
Als zendeling in China, waar hij in 1916 voor het eerst heen ging, probeerde hij hetzelfde principe toe te passen. Hij was gevraagd daar heen te gaan door John Mott, algemeen- secretaris van de YMCA. Het ging hem er niet zozeer om toespraken te houden en conferenties te organiseren, maar om in persoonlijke contacten mensen te helpen een nieuw leven te beginnen. ‘Persoonlijk werk’ noemde Buchman dit. Hieronder verstond hij ook dat hij als het nodig was man en paard noemde en allerlei misstanden frank en vrij aan de kaak stelde. Bovendien wilde hij met de Chinezen samenwerken. De duizenden christelijke, meestal westerse, werkers in China reageerden verdeeld op deze aanpak. Of ze juichten deze frisse wind toe: mensen veranderden, het was christendom in de praktijk. Of men voelde zich er ongemakkelijk bij, ja zelfs bedreigd door deze persoonlijke benadering. Enkele leidende Chinezen zagen in de aanpak van Frank Buchman de oplossing voor de deplorabele staat waarin China zich op dat moment bevond. Eén van hen, Hsu Ch’ien, plaatsvervangend premier voor Sun Yat-sen, noemde op een conferentie georganiseerd door Buchman de ‘morele ziekteplekken van het nationale leven die aangepakt moesten worden om het land te redden’. Het land was rijp voor een revolutionaire ommekeer. Hsu hoopte dat het christendom deze verandering kon brengen. Hij geloofde aan de andere kant dat de buitenlandse leiders van de kerk niet begrepen hoe China functioneerde. Ze wilden de Chinese cultuur veranderen zonder de moeite te hebben genomen haar werkelijk te begrijpen. Buchman was door zijn radicale opstelling in botsing gekomen met een groot deel van de christelijke gevestigde orde. Hij had aan de kaak gesteld wat zijns inziens verkeerd was, wat de revolutionaire werking van Gods Geest hinderde en wat hij dus ‘zonde’ noemde. Hierdoor moest hij China verlaten. Een Russische revolutionair geheten Borodin, slaagde er in die tijd wèl in genoeg sleutelfiguren in China te winnen voor zìjn revolutie, het communisme. Na 1916 bezette Buchman een leerstoel aan Theologische Hogeschool van Hartford. De deeltijdaanstelling stelde hem in staat veel te reizen. Maar na een aantal jaren vond hij zelfs deze losse band te knellend en begin 1922 besloot hij zijn ontslag te nemen. Buchman had ervaren dat hij zijn ideeën goed wist te brengen, dat hij mensen wist te inspireren en hij zag voor zichzelf een profetische taak weggelegd. Sinds dat moment leefde hij, zoals hij dat zelf noemde ‘op geloof en gebed’ wat in de praktijk betekende dat hij afhankelijk was van de giften van mensen die geloofden in zijn werk. Waar God leidt, voorziet hij ook, was de ervaring geweest die hij ook al eerder had opgedaan. Dit werd ook de ervaring van de velen die met hem mee gingen werken. Zij ontvingen geen salaris van Buchman. Hij verwachtte van hen dat ook zij door ‘geloof en gebed’ in hun onderhoud zouden voorzien.
Ideeën
Het is goed hier nog eens kort weer te geven wat Buchmans ideeën, niet nieuw maar wel vernieuwend, zoal waren. Zijn theologische achtergrond was luthers. In de theologische taal van die tijd kun je zeggen dat hij geloofde in de soevereiniteit en macht van God, de realiteit van de zonde, de noodzaak zich over te geven aan de wil van God, het zoenoffer en de veranderende kracht van Christus, de voedende waarde van het gebed en de plicht hiervan te getuigen. Dit geloof was om te beginnen theoretisch, maar tijdens de jaren in Overbrook en in Penn State leerde hij de praktische waarde ervan. Hij zag dat geloof mensen ten goede kon veranderen, en dat als dit gebeurde de sfeer van een tehuis, van een instituut, ja van een universiteit ook ten goede kon veranderen. Na zijn eigen ervaring in Keswick, waar hij zijn wrok achter zich liet, geloofde hij dat iedereen kon veranderen. Over Buchmans besluit het eerste uur van de dag te reserveren voor stilte, schreef ik al. Dit betekende voor hem dat hij besloot zijn wil ondergeschikt te maken aan die van God. Tijdgenoten hielpen hem invulling te geven aan dit stille uur. Van professor Henry Wright van de Yale Universiteit leerde hij de gedachten die hij in stilte kreeg op te schrijven. Wright’s boek The will of God and a Man’s Lifework inspireerde hem. Daarin schrijft Wright dat hij het eerste half uur van de dag reserveerde voor een ‘gebed in twee richtingen’, d.w.z. praten én luisteren. Volgens Wright kon God hem dan, maar ook op andere tijden, verhelderende gedachten geven, op voorwaarde dat de menselijke ontvanger schoon genoeg was om die gedachten op te vangen. Buchman ondernam, toen hij in Hartford doceerde, wekelijks een vier uur durende reis naar Yale om Wright te horen spreken. De stille tijd heeft een aantal controlemomenten nodig. Een mens is er namelijk goed in zichzelf voor de gek te houden. En het kan heel ergerlijk of zelfs gevaarlijk zijn als mensen denken te weten wat Gods wil is. Hoe weet je of je een bepaalde gedachte die je in een stille tijd hebt gekregen moet uitvoeren of niet? Buchman gebruikte voor zichzelf een aantal testen. Het is bijvoorbeeld van belang of een gedachte uitvoerbaar is. Misschien bedacht je dat je iemand moest opzoeken, maar die persoon bleek in een ander land te zijn. Of er was iemand die je hulp dringender nodig had. Een goede test was de gedachten te vergelijken met de hoogste morele maatstaven die je kent. Hiervoor gebruikte Buchman uit het boek van Robert Speer The principles of Jesus vier ‘absolute maatstaven’: eerlijkheid, zuiverheid, onzelfzuchtigheid en liefde. Volgens Speer waren deze maatstaven een samenvatting van de leer van Jezus en kon iedereen ze gebruiken om zijn of haar leven mee te vergelijken. Ook voor de gedachten in de stille tijd waren ze een goede test. Niet dat deze absolute maatstaven ooit bereikt konden worden, maar ze waren goede richtingwijzers. Een andere test was of een gedachte in overeenstemming was met de strekking van de bijbel. Het advies van vrienden, die ook volgens de leiding van God wilden leven, was ook een belangrijke graadmeter. Je moest daar vooral vrienden voor uitkiezen die niet altijd met je meepraten. En tenslotte wilde Buchman niet iets doen wat inging tegen de ervaring en leer van de, in zijn geval lutherse, kerk. Na toetsing was de bereidheid te gehoorzamen een vereiste. In de loop der jaren leerde hij dat het christendom om effectief te zijn een morele ruggengraat moest hebben. Hij bedoelde daar niet mee dat mensen volgens regels moesten leven. Hij bedoelde wel dat je vrijwillig uit je leven wegdoet wat niet in overeenstemming is met morele maatstaven, dat je je eigen wil ondergeschikt maakt aan Gods wil en dat je dagelijks een reinigende, vergevende en helende kracht ervaart. Buchman wilde mensen voor God winnen. In het boek Soul Surgery (1919) van Howard Walter, waaraan Frank Buchman heeft meegewerkt, is de boodschap: als mensen echt veranderen, dan raakt die verandering de diepste lagen van hun wezen, hun motieven en verlangens [6]. De enige die mensen kan veranderen is God, maar een ander kan daarbij wel helpen. Dit noemde Buchman ‘persoonlijk werk’. Dit kon niet in grote bijeenkomsten, maar moest onder vier ogen gebeuren. Om een ander te kunnen helpen dien je zelf een vrij mens te zijn. Bewust van verleidingen en zwakheden, maar daar niet aan toegeven; bereid om zaken uit het verleden onder ogen te zien en waar nodig goed te maken. Buchman richtte zich op individuen, niet op structuren. Hij was er vast van overtuigd dat verandering in sociale en politieke structuren alleen plaats zou vinden als mensen veranderden. Iets dat Buchman tijdens zijn China-periode leerde, dient hier vermeld te worden en dat ging over de kwaliteit van samenwerking (teamwork). Buchman reisde door China met Howard Walter en Sherwood Day. Deze laatste was afgestudeerd aan de Universiteit van Yale en was daar secretaris van de YMCA geweest. Van 1916 tot 1938 werkte hij met Frank Buchman samen. Tijdens hun verblijf in China merkten ze dat er onder hen veel onuitgesproken kritiek en verdeeldheid was. Ze beseften dat ze onmogelijk iets aan de verdeeldheid in China konden doen als ze onder elkaar verdeeld waren. In een hotelkamer in Tietsin gingen ze rond een tafel zitten om alles te eerlijk te zeggen wat er tussen hen onuitgesproken was. Uit deze gesprekken ontwikkelde zich het principe, zo schreef Sherwood Day later, dat geen lid van het team iets over een ander mag zeggen dat hij niet aan de persoon zelf gezegd heeft. Sinds het gesprek in Tietsin beschouwde Buchman volstrekte openheid een eerste vereiste voor effectief ‘teamwork’, omdat hierdoor onderling vertrouwen wordt geschapen. Na zijn ontslag in 1922 uit Hartford werkte hij op dezelfde manier door. Aan verschillende universiteiten ontstonden teams van medestanders. Onder meer in Princeton, de Verenigde Staten en in Oxford, Engeland. Het werk in Oxford kreeg zoveel weerklank dat de beweging die hij ontketend had vanaf 1928 Oxfordgroep genoemd werd.
Oxfordgroep in Nederland
Buchman wilde Nederland bezoeken. Een Engelse kennis introduceerde hem bij een Nederlandse adellijke familie die op het landgoed Rhederoord in De Steeg woonde, de familie Van Heeckeren van Kell. In het voorjaar van 1923 ging Buchman daar langs op doorreis naar Duitsland. Zijn bezoek maakte grote indruk en hij werd gevraagd terug te komen. De Van Heeckerens stelden Buchman aan hun vrienden voor. In 1924 vond er in Rhederoord gedurende een weekend een ‘house-party’ met Buchman plaats [7]. De house-party was een karakteristiek element van het werk van Buchman in die tijd. Het bracht een gevarieerd gezelschap mensen voor enkele dagen bij elkaar om in een vriendschappelijke sfeer over belangrijke levensvragen te praten. Dit gebeurde niet theoretisch, maar heel persoonlijk en praktisch. Mensen vertelden elkaar hoe ze hun moeilijkheden hadden overwonnen en zich aan Christus hadden overgegeven. De verhalen over levensverandering werkten aanstekelijk. Veel mensen verlieten zo’n house-party met nieuwe hoop en een vernieuwd geloof. Op de genoemde house-party op Rhederoord kwamen zo’n dertig tot veertig mensen. Dr H.D. (Bert) de Loor heeft talloze van deze house-party’s beschreven in zijn boek Nieuw Nederland loopt van stapel - De Oxfordgroep in Nederland, een sociale beweging van het interbellum [8]. In het begin werden vooral mensen uit de Nederlandse elite aangetrokken, maar geleidelijk aan voegden zich ook ‘gewone’ mensen bij de Oxfordgroep (OG). De Loor beschrijft uitvoerig hoe in de dertiger jaren de OG groeide met house-party’s in verschillende delen van het land. Voor die tijd bijzonder is dat op deze house-party’s mensen uit verschillende sociale klassen zich mengden. Zo kon bijvoorbeeld een fabrieksdirecteur er samen zijn met één van zijn werknemers. De Leeuwarder Courant schreef over een house-party te Beetsterzwaag in 1936: ‘Eenvoudige vrouwtjes van het platteland getuigen met evenveel animo en in hun eenvoudige Fries met minstens even grote welsprekendheid als predikanten, zakenmensen en onderwijzers.’ De interkerkelijkheid viel op en de gewone taal die mensen gebruikten [9]. Het zwaartepunt van de Oxfordgroep in Nederland verplaatste zich al gauw van Rhederoord in De Steeg naar Nassauplein 30 in Den Haag, het huis van baron en baronesse Godfrey (Frits) en Sylvia van Wassenaer van Catwijck. Het huis van de Van Wassenaers was van 1928 tot 1938 het centrale bureau van de Oxfordgroep in Nederland [10]. Na 1938 werd Jan van Nassaustraat 40 het administratieve centrum. Dit huis was het bezit van Albert de Brauw, advocaat bij de Hoge Raad die nauw met Van Wassenaer had samengewerkt [11]. Sylvia van Wassenaer vertelde in 1980 aan Bert de Loor dat zij en haar man na aankomst in Den Haag alle hervormde predikanten opzochten om hen te vertellen welke religieuze vernieuwing zij hadden doorgemaakt. Eén van hen respondeerde en wel ds. Creutzberg van de Duinoordgemeente, de voorloper van de Kloosterkerkgemeente in Den Haag. Creutzberg deed vanaf 1929 mee met de Oxfordgroep. De Oxfordgroep raakte steeds meer bekend. Iemand die daaraan bijdroeg was de Utrechtse hoogleraar vanwege de Nederlands Hervormde Kerk aan de theologische faculteit Maarten van Rhijn. Hij werkte actief mee en schreef in het door hem geredigeerde Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur in april 1932 een serie artikelen over ‘de groep’ [12].
Het sneeuwbaleffect
De Oxfordgroep groeide evenwel vooral door het sneeuwbaleffect. Er ging iets aanstekelijks uit van de sfeer op de house-party’s en de publiciteit daarvoor ging van mond tot mond. Het feit dat mensen op house-party’s zichtbaar in hun voordeel veranderden, maakte nieuwsgierig. In het spraakgebruik van de Oxfordgroep betekende ‘verandering’ onder andere: stille tijd houden, eerlijk naar jezelf kijken, dingen goed maken in de relaties met anderen. Het betekende dat men voortaan ‘meedeed’ in het team en zich verantwoordelijk voelde voor het werk. Ook wilde degene die ‘veranderd’ was zijn nieuwe inzichten doorgeven, of te wel: anderen helpen ook te veranderen. Achteraf kun je hier kanttekeningen bij plaatsen. Er werd nogal eens onderscheid gemaakt tussen veranderde en niet veranderde mensen. Wie veranderd was, hoorde erbij. Maar je gaat natuurlijk je leven lang door met veranderen en leren. En is het in de ontmoeting niet altijd een tweerichtingverkeer, waarin niet de een de ander probeert te veranderen, maar waarin je van elkaar kunt leren? Met andere woorden: het onderscheid tussen veranderd en niet veranderd is nooit scherp te trekken. Zoals ook wel degelijk beseft werd. Aan de andere kant kun je jaloers zijn op het enthousiasme en de authenticiteit van de ervaringen van mensen, waardoor er in en rond de Oxfordgroep een levendige sfeer heerste. De manier waarop het centrum van het werk zich van De Steeg naar Den Haag verplaatste was een voorbeeld van de organische wijze waarop de Oxfordgroep groeide. Op een house-party in september 1927 op Rhederoord, georganiseerd door Lily, een van de dochters van de Van Heeckerens, was jonkheer Eric van Lennep aanwezig. Zijn nieuwe levenshouding maakte indruk op zijn in Cambridge wonende nicht Sylvia van Wassenaer van Catwijck-van Lennep. Ze raakten zo gegrepen door de Oxfordgroep dat zij en haar man in 1928 besloten terug naar Den Haag te keren om daar de leiding van dit werk op zich te nemen. De lijnen zijn ook door te trekken bijvoorbeeld naar een house-party in Baarn op een weekend in mei 1933. Een nicht van zowel Sylvia van Wassenaer als Eric van Lennep, Annie Sillem-Beels, was daar aanwezig. Haar ‘verandering’ maakte veel indruk op haar echtgenoot Albert Sillem. Hij was een succesvol zakenman in Amsterdam. En daarnaast ook kerkvoogd van de Hervormde gemeente te Baarn, penningmeester van de AMVJ en van de Ernst Sillemhoeve. De Loor schrijft over hem: ‘Zijn verandering en daarmee zijn bewuste identificatie met de Oxfordgroep had een wervende invloed op anderen in het Nederlandse establishment onder andere ir. Frits Philips en diens vrouw, de Rotterdamse bankier mr. Hintzen en anderen, met name in zijn eigen Amsterdamse zakenmilieu.’ [13] En zo breidde de Oxfordgroep zich uit. In het hele land maakten veel predikanten uit de Hervormde en in mindere mate uit de Gereformeerde Kerk kennis met de Oxfordgroep. Ze waren vaak de initiatiefnemers van house-party’s, zoals bijvoorbeeld dominee Van Schothorst die in Friesland zeer actief was. Een van de predikanten die door Van Schothorst warm gemaakt werd voor de Oxfordgroep was dr. Kromsigt, hervormd confessioneel predikant te Rinsumageest in Friesland. Op 16 oktober 1934 hield deze een referaat over de Oxfordgroep voor de Friese rechtzinnige predikantenvereniging in de Nederlands Hervormde Kerk. Achtentwintig heren en twintig dames kwamen naar Kromsigt luisteren. Kromsigt legde eenvoudig uit wat hij in de Oxfordgroep gevonden had: de troostende en vernieuwende kracht van het evangelie. In feite was het niets nieuws, maar het raakte hem als nieuw. Hij legde uit dat de ‘eigenaardigheden’ van de Oxfordgroep - stille tijd houden, Gods leiding zoeken en dit met anderen delen - volkomen bijbels waren. Uit de vragen die gesteld werden bleek dat men vooral bang was dat het ‘warme evangelie’ van de groep het gezag van de gevestigde kerk zou aantasten [14]. Hoe kwam het dat de Oxfordgroep in die jaren veel weerklank vond in de kerken? Het was heel duidelijk dat de Oxfordgroep zelf geen kerk of sectie wilde worden. Men wilde een reveil op gang brengen, ook in de bestaande kerken. De bijeenkomsten mochten dan ook niet lijken op een godsdienstoefening. Het enige wat daar gebeurde was dat mensen hun eigen verhaal vertelden, hun verhaal van verandering wel te verstaan. Dit was kennelijk heel aanstekelijk. Voor veel mensen in de kerken was het geloof een dode letter geworden. Door de Oxfordgroep vonden ze nieuwe inspiratie. De kerken kregen te maken met enthousiaste bekeerlingen. Maar er was ook verzet, omdat men, vooral in de orthodoxe hoek, dit enthousiasme wantrouwde [15].
Bachzaal in Amsterdam
Begin 1934, van 2 tot 9 januari, had een house-party in hotel de Bilderberg in Oosterbeek plaats gevonden. Dit werd speciaal in de winter gedaan omdat dan een goedkoop tarief bedongen kon worden. Van de honderdveertig aanwezigen waren er tachtig predikant. Eén van hen was dominee Sasse, hervormd predikant uit Amsterdam. In een interview dat Bert de Loor met hem had in 1981, vertelde Sasse over deze house-party: ‘Dit heeft mij na korte aarzeling direct gepakt. Dit was een aanpak van recht op de man af gerichte zielszorg. Daar had ik behoefte aan voor mezelf.’ Sasse werkte voor de Hervormde Amsterdamse Stadszending. De volgende house-party een maand later in Baarn bezocht hij met een aantal bestuursleden van de Stadszending. Deze Stadszending gebruikte van 1934 tot 1937 de Bachzaal, de concertzaal van het Amsterdamse Conservatorium, voor bijeenkomsten voor buitenkerkelijken. Oxfordgroepleden spraken daar geregeld. De Bachzaal raakte bekend als ‘de kerk van de Oxfordgroep’. Ofschoon voor veel predikanten, zoals voor Sasse, de ontmoeting met de Oxfordgroep een nieuwe impuls voor hun geloof en hun werk betekende, werd de verhouding met de kerken geleidelijk aan moeilijker. Dat lag voor een groot deel aan de Oxfordgroepleden zelf. Ze vonden het in de kerk maar een dooie bedoening. Zij vonden zichzelf beter omdat zij mensen hielpen een levend geloof te vinden. Een ander probleem was dat de Oxfordgroep niet wist hoe ze moest omgaan met oprechte vragen en opbouwende kritiek van de kant van de kerken. Men kon in het geheel niet met kritiek overweg, zelfs niet als die van binnen de Oxfordgroep zelf kwam. Met iemand die kritiek had, was zelf iets mis, was het idee [16]. In 1935 kwam Buchman naar de Bachzaal om een lezing te houden. De Oxfordgroep was intussen al zo bekend dat de zaal stampvol mensen zat. Maar velen, vooral de aanwezige theologen, waren diep teleurgesteld in het verhaal van Buchman. Volgens Sasse: ‘Hij heeft daar een praatje staan houden dat de mensen niks zei.’ Waarschijnlijk had Buchman zich niet genoeg ingeleefd in de Nederlandse situatie, vooral die in de kerken, en botste zijn Amerikaans optimisme en pragmatisme met de Nederlandse behoefte aan meer inhoud en diepgang [17]. Dit weerhield Stasse er evenwel niet van zijn werk in Amsterdam voort te zetten. Veel jongeren werden er aangetrokken door de Oxfordgroep. In Amsterdam, maar ook in andere plaatsen, waren teams van de Oxfordgroep, die elkaar hielpen, plannen maakten, de bijbel bestudeerden, baden en stille tijd hielden. De pers besteedde er veel aandacht aan en er waren verschillende boeken over verschenen. Kortom, de Oxfordgroep leefde in Nederland. Twee jonge mensen die aangetrokken werden door de Oxfordgroep waren Cor de Pous en Sijtje Olij uit Aalsmeer. In 1936 nodigde een vriend hen uit voor een house-party in Zandvoort. Ze waren beiden actief in de kerk, hij als voorzitter van de jongemannenvereniging en zij als presidente van de meisjesvereniging. Toch vonden ze dat er iets ontbrak. Hun verloving duurde al vijf jaar omdat ze door gebrek aan financiën geen kans zagen te trouwen in die moeilijke dertiger jaren. Ze hoorden over de bijeenkomsten in de Bachzaal. Het was heel anders dan een kerkdienst, vertelde Cor de Pous jaren later aan Bert de Loor [18]. ‘De sfeer was los en onofficieel; er waren een paar honderd mensen. Een dominee uit Schiedam vertelde dat je naar God kon luisteren, dat je kon beginnen met je leven op orde te brengen en zo richting in je leven kon vinden.’ Cor de Pous wist meteen wat dat opruimen voor hem betekende. Hij besloot zijn verloofde alles over zijn leven te vertellen wat ze nog niet wist en de relatie met zijn vader, in wiens bedrijf hij werkte, recht te zetten. Hij stopte met roken en heeft sindsdien niet naar sigaretten omgekeken. Cor de Pous en Sijtje Olij werden trouwe bezoekers van de Bachzaal. Ze begonnen stille tijd te houden en lazen in de bijbel. Hun verdere leven hebben ze gebaseerd op de tekst ‘Wees niet bezorgd. Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en al het andere zal u bovendien geschonken worden’ (Mattheus 6: vers 25-33). Ze besloten nog hetzelfde jaar te trouwen, ondanks het feit dat hun financiële ongewijzigd was. Vlak voor hun huwelijk bood een vriend hem een baan aan in zijn grote bedrijf.
Zeilkampen in Friesland
Friesland is al een paar keer genoemd. De Oxfordgroep had daar een grote aanhang. De stuwende, dragende kracht achter het Friese team waren vanaf 1935 de gereformeerde tandarts Johan van der Veen en zijn vrouw Hillie [19]. Een tot de verbeelding sprekende activiteit waren de zeilkampen in Heeg aan het Heegermeer, die van 1936 tot en met 1940 in augustus plaatsvonden. De doelgroep waren jongeren tussen de 14 en 18 jaar, maar ook volwassenen namen eraan deel. Een verslaggever van hetNieuwsblad van Friesland bezocht zo’n kamp en trachtte in de krant ‘een inzicht te geven in de beginselen, die deze nieuwe wereldbeweging belijdt en in het geheele leven in praktijk wil brengen.’ Hem was opgevallen dat alle kringen van de maatschappij vertegenwoordigd waren, van verschillende kerkelijke en niet-kerkelijke achtergrond. Er was een goede mix van geestelijke inhoud en ontspanning. ‘De opzet van de kampen is revolutionair. God wordt als leider aanvaard van het kamp, waarin van een van boven opgelegde leiding geen sprake is. Allen zijn namelijk verantwoordelijk en ieder weet en voelt zijn taak. De deelnemers maken zelf gezamenlijk de in het kamp geldende regels, maken in onderling overleg de corveelijsten op, en ieder die daaraan behoefte voelt mag met plannen komen. Alles is sober, maar uiterst hygiënisch en comfortabel ingericht, zoodat het voor jonge menschen, die hier bovendien nog naar hartelust kunnen zeilen, zwemmen, zonnebaden enz. een waar paradijs is.’ Het contact met het dorp Heeg was goed. Er werd bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd gehouden tussen een Heegs elftal en één van het kamp. De plaatselijke hervormde predikant ds. van de Linde kwam met de kerkenraad en vijfentwintig gemeenteleden een avond op bezoek om te spreken over de betekenis van de bijbel. Op zondag gingen de meesten naar de Nederlands Hervormde Kerk of naar de Gereformeerde Kerk. De verslaggever maakte een voorstelling mee, waar jonge mensen op creatieve manier vertelden tot welke inzichten ze gekomen waren. ‘Hier heerscht een sfeer van ongedwongen, natuurlijke vroolijkheid, en de verhouding tusschen de jongens en de meisjes is er zuiver en natuurlijk,’ schreef hij [20]. Uit het hele land kwamen de deelnemers voor deze kampen, maar vooral uit Amsterdam. Ds. Sasse was betrokken bij de organisatie. Zijn naam stond onder de aanbevelingsbrief. Het team in Den Haag keek intussen fronsend naar deze zeilkampen, omdat het voor jongens en meisjes samen was (er werd wel gescheiden geslapen). De andere kampen, zoals ook in het volgende hoofdstuk blijkt, waren strikt gescheiden in een jongens- en een meisjeskamp. Er was overigens ook op andere terreinen een verschil van aanpak tussen het wat conservatievere ‘Den Haag’ en het liberale ‘Amsterdam’. De succesvolle bijeenkomsten in de Bachzaal werden door ‘Den Haag’ met enige argwaan bekeken [21].
Massabijeenkomsten
In 1936 raakte het werk van de Oxfordgroep in een stroomversnelling, omdat Frank Buchman het idee had grote massamanifestaties in de landen rond Duitsland te organiseren. Deze zouden, hoopte hij, een dam tegen het opkomend nazisme kunnen opwerpen. Van 9 tot 14 april 1936 gingen tweehonderdtachtig Nederlanders per gecharterde boot naar Ollerup in Denemarken, waarbij men de tocht heen en terug als een house-party op zee beschouwde. Twaalfduizend mensen woonden de manifestatie in Ollerup bij. En vijfhonderd Nederlanders gingen in juli van datzelfde jaar naar Engeland, waar in het jaarbeursgebouw in Birmingham honderdduizend mensen bijeenkwamen. Het was een grote overgang van de intieme, gemoedelijke house-party’s waar persoonlijke verandering en het delen met elkaar centraal stonden, naar dit soort massabijeenkomsten, die een demonstratie van hoop moesten zijn. Men kwam marcherend met vlaggen binnen, men zong zijn eigen nationale volksliederen en de nieuw gecomponeerde Oxfordgroep-liederen. Delen van de bijeenkomst in Birmingham, waar ook een aantal Nederlanders sprak, werden door het Philips radiostation uitgezonden. Maar ook op de massale bijeenkomsten ontbrak de persoonlijke noot niet, zo blijkt uit het verslag van één van de Nederlandse deelnemers in Birmingham, Bert Wolvekamp. In zijn privé memoires beschrijft hij beeldend hoe het er aan toe ging. In 1936, hij was toen adjunct-accountant bij de accountantsdienst van het ministerie van Economische Zaken in Den Haag, had hij het boek Wat is de Oxfordgroep? gelezen. Hierdoor aangemoedigd nam hij deel aan een onderdeel van de manifestatie in Birmingham: een kamp voor jonge mannen in het naburige Castle Bromwich. De eerste avond al werd hij gegrepen door de boodschap. Hij schrijft: ‘Het ging over levensverandering. Een aantal aanwezigen vertelde hoe zij veranderd waren, nadat zij met een ander hadden besproken wat er fout was in hun leven en besloten hadden daar met Gods hulp mee te stoppen. Ik keek naar die mensen, hoorde hun overtuigende stem en zag hun gelaatsuitdrukking. Ik geloofde hen en werd vervuld van een mateloze jaloezie. Aan het einde van de avond zei de man die de leiding had: “Als hier mensen zijn die dingen in hun leven hebben die ze nog nooit aan iemand verteld hebben, omdat ze zich dood zouden schamen als iemand het wist, de nacht is nog lang, ga naar buiten, vind iemand, vertel hem alles, ga op je knieën, geef je leven aan God en kom morgenochtend hier terug. Dan gaan we plannen maken voor een nieuwe wereld.” Ik ging naar buiten. Iemand kwam naar me toe. Ik heb hem alles verteld. We gingen op onze knieën en ik gaf mijn leven aan God. Zonder precies te weten wat dat betekende. Maar de volgende ochtend kreeg ik een eerste idee toen ik met mijn tentgenoten een stille tijd hield. Een paar dingen die ik opschreef waren: mijn ouders schijven dat ik regelmatig geld van hen gestolen had, te schatten hoeveel in totaal en dat zo spoedig mogelijk terug te geven. Ook aan de fiscus van mijn vroegere studentenvereniging te schrijven dat ik, toen ik fiscus was, nooit mijn eigen contributie betaald had, en dat alsnog te doen. Dat was mijn eerste verandering. Later gevolgd door vele andere. Nog steeds doorgaand, vermoedelijk tot het eind van mijn leven. Maar altijd ben ik dankbaar gebleven voor die woorden: “En dan gaan we plannen maken voor een nieuwe wereld”. Geen verandering om zelf een goed mens te worden en later in de hemel te komen, maar om deel te hebben aan een groot avontuur dat mij helemaal zou opeisen [22].’
‘Nieuw Nederland loopt van stapel’
In 1937 was Nederland aan de beurt. Frank Buchman stimuleerde het Nederlandse team een bijeenkomst in Utrecht te organiseren, die de schaal van de house-party verre zou overtreffen. De nationale manifestatie ‘Nieuw Nederland loopt van stapel’ in de Utrechtse groenteveilinghallen (geen enkele andere zaal was groot genoeg) begon op Hemelvaartsdag 6 mei 1937 en liep door tot en met tweede Pinksterdag. Er kwamen in totaal honderdduizend mensen. Deelnemers, vooral de gasten uit het buitenland, vonden onderdak bij particulieren. Het jongere Nederlandse team sliep in schoollokalen. Bij de organisatie waren ook de NS betrokken die speciale treinen lieten rijden en deelnemers gereduceerde kaartjes bezorgden. Heel Utrecht wist wat er gaande was. Het Utrechts Nieuwsblad bracht een speciaal Oxfordgroep-supplement. Uit alle windstreken van Nederland stroomden de mensen toe. In de uitzending ‘Het leger des heils der rijken’ van het VPRO-radioprogramma Onvoltooid Verleden Tijd in 1996 vertelt Rinske Windig-de Boer dat ze met een bus uit Friesland kwamen. De Friese delegatie kwam in klederdracht met vlaggen binnenmarcheren [23]. De hele menigte zette het Friese volkslied in, spontaan gevolgd door het Wilhelmus. In hetzelfde programma herinnert Nona de Brauw-Van Tuyll van Serooskerken zich de stampvolle groentehallen waar die Pinksterochtend mensen uit de hele wereld spraken: ‘Buiten liepen de doedelzakkers uit Schotland door de stad. Het klokkenspel van de Dom speelde het 'Bruggenbouwerslied' [24]. De journalist Herman Salomonson maakte speciaal voor deze gelegenheid een lied op de wijs van ‘In naam van Oranje doe open de poort’: ‘Wij luiden nu juichend Nieuw Nederland in. We stellen de wereld een daad. Omver met de wallen, dit is het begin. Het einde van tweedracht en haat.’ Bert Wolvekamp, één van de organisatoren, vertelt in zijn memoires dat er ondanks de massaliteit tijdens deze Pinksterdagen ook aandacht was voor het individu. Hij beschrijft hoeveel persoonlijke gesprekken hij gedurende die dagen gevoerd heeft. Hij schrijft: ‘Mensen wilden veranderen, bevrijd worden van onreinheid, oneerlijkheid, haat en velen hadden nog nooit iemand gevonden bij wie zij zich konden uiten en die geleerd had mensen te helpen veranderen. Zoveel mensen wilden een persoonlijk gesprek met één van ons uit het Nederlandse team of met één van de paar duizend buitenlanders die voor enkele dagen waren gekomen. Dat betekende met alles wat er verder te doen was dag en nacht werken en een paar uur slaap in een van de schoollokalen waar wij ondergebracht waren. Maar het was de moeite waard.’ Maar niet alles verliep vlekkeloos. De speciale bijeenkomst voor predikanten op de maandagochtend na Hemelvaart werd een misser. Een aantal Nederlandse predikanten, onder wie de eerder genoemde Sasse en Van Schothorst, had de dag zorgvuldig voorbereid. Maar op het laatste moment namen buitenlandse ‘Oxfordgroepers’ het programma geheel over. Zowel Sasse als Van Schothorst vertelden De Loor, toen hij hen interviewde voor zijn boek, hoe pijnlijk dat was. Professor Maarten van Rhijn mocht niet spreken, want hij zou misschien de mensen naar de mond spreken. De buitenlanders vertrouwden de Nederlandse predikanten niet. Men dacht beter te weten wat er gezegd moest worden. Helaas werd de plank volledig misgeslagen [25]. Deze bijeenkomst heeft zeker de kloof van wantrouwen en kritiek tussen de kerken en de Oxfordgroep, en later Morele Herbewapening, vergroot. Er is heel wat voor nodig geweest, en misschien nog, om die kloof te dichten. MH heeft door schade en schande haar plaats moeten vinden en moeten inzien wat haar rol is. Het is geen religie, maar moedigt mensen wel aan ook werkelijk te leven vanuit hun eigen religieuze of levensbeschouwelijke wortels. Niet alleen voor de predikanten was er een aparte bijeenkomst. Er was een verpleegstersdag, een juristendag, een artsenbijeenkomst, een vrouwendag, een burgemeestersdag, een bijeenkomst voor zakenlieden, een onderwijsdag, een professorenlunch en zelfs een nachtbijeenkomst voor bedieningspersoneel. ‘Liep er inderdaad een “Nieuw Nederland” van stapel?’, vraagt Peter Hintzen in 1987 in Een idee waarvoor de tijd gekomen is. ‘Op deze voor velen onvergetelijke gebeurtenissen volgden aanstonds de oorlog en bezetting. Toch is het nieuw gewekte leven bevruchtend blijven werken. En wie zijn oor in gesprekken te luisteren legt, kan vaststellen dat de uitwerking van “Utrecht 1937” tot op heden is te bespeuren.’[26]
In Nederlands-Indië
Ook in Nederlands-Indië waren mensen in aanraking gekomen met de Oxfordgroep. In de bestseller De eeuw van mijn vader beschrijft Geert Mak hoe zijn ouders in Nederlands-Indië korte tijd beïnvloed waren door het gedachtegoed van de Oxfordgroep. Hij beschrijft het als een ‘reveil voor beter gesitueerden’. ‘De aanhangers gingen ervan uit dat al het kwade in de wereld in de eerste plaats een gevolg was van het verkeerde in de individuele mens. Daarom moesten hart en geloof weer met elkaar herenigd worden en iedereen kon daaraan werken door te luisteren naar een innerlijke stem.’ In Medan, waar Maks ouders woonden en zijn vader predikant was, werd de kerk door het vernieuwende vuur geraakt. ‘Ik denk’, schrijft Geert Mak, ‘dat ondanks alle zweverigheid, de beweging (de Oxfordgroep) voor mijn ouders een belangrijke fase is geweest: geloven werd voor hen niet enkel een collectieve emotie, zoals toen nog in veel kerken het geval was, maar meer een individueel gevoel dat zowel binnen als buiten de kerk beleefd kon worden. Het woord, de preek, het werd allemaal wat minder belangrijk; het moest vooral uit jezelf komen. In de latere oorlogsdagboeken van mijn vader kom ik nog regelmatig de “stille tijd” tegen, een soort meditatie waaruit hij veel kracht zou putten. De groepen waren een vroege, min of meer vanzelfsprekende vorm van wat men later ‘oecumene’ zou noemen, het weer samengaan van de verschillende kerken' [27]. In 1938 was de Oxfordgroep besproken in de vergadering van de classis Batavia van de gereformeerde kerken, zo schrijft A. Algra in De gereformeerde kerken in Nederlands-Indië. Er waren voor- en tegenstanders en ook mensen die dachten dat het allemaal niet zo’n vaart liep. De voor- en nadelen werden op een rijtje gezet. Hieruit blijkt dat men aan de ene kant bang was voor de ondogmatische werkwijze van de Oxfordgroep en aan de andere kant wel oog had voor het nieuwe elan dat deze voor de gelovigen betekende. Mede dankzij het pleidooi van ds. Mak, was het ‘vonnis’ mild. Door de oorlog die kort daarop uitbrak raakte de Oxfordgroep uit de belangstelling. Toch, zegt Algra tot slot, ‘heeft de “Buchmanbeweging” in verschillende opzichten zegenend gewerkt.’
Noten
[1] Geraadpleegde literatuur voor dit hoofdstuk: Garth Lean, Frank Buchman - a life, Constable London,1985; Dr H.D. de Loor, Nieuw Nederland loopt van stapel - De Oxfordgroep in Nederland, een sociale beweging van het interbellum, Uitgeverij Kok - Kampen, 1986; Peter Hintzen, Het verleden spreekt mee. Rondgang door de vaderlandse galerij, Uitgeverij Kok – Kampen, 1986 en Een idee waarvoor de tijd gekomen is, Uitgave Nieuwsdienst Morele Herbewapening, Den Haag, 4e druk 1987; prof. dr. Theophil Spoerri, Dynamiek vanuit de stilte - de actualiteit van Frank Buchman, Uitgeverij Andries Blitz NV, Laren in samenwerking met Stichting Nieuwe Wereld, Den Haag, 1972.
[2] In het stadsarchief van St Gallen staat: ‘Ondanks het feit dat de naam van beiden Buchman is en dat beiden inwoners van Bischofszell waren, weten we niet of de beide families werkelijk verwant waren. De afstammelingen van Bibliander, die deze familienaam behielden, zijn verdwenen aan het eind van de 16de eeuw.’ Dit was nagevraagd door Garth Lean, auteur van Frank Buchman: a life, noot aldaar op p. 535
[3] De kokkin was Mary Hemphill, de gewezen alcoholiste, voor wie Frank Buchman de drank liet staan. Garth Lean beschrijft in zijn biografie hoe zij en haar twee zoons een nieuw leven begonnen in dit tehuis.
[4] In het boekje Streams portretteert Mark Guldseth (Frits Creek Studios, Alaska, USA, 1982) de geestelijke voorouders van Frank Buchman, te beginnen met Dwight Moody die eind 19de eeuw een christelijke vernieuwing in gang zet. Andere namen zijn: John Mott, Henri Drummond, Robert Speer, F. B. Meyer, Jessie Penn-Lewis, Mary McLeod-Bethune. Veel van het gedachtegoed van MH is terug te vinden in hun uitspraken en geschriften.
[5] De Engelse hymne When I survey the wondrous cross. Hier in de vertaling die staat in de oude bundel psalmen en gezangen voor de eredienst der Nederlandsche Hervormde Kerk.
[6] Een bewerking van dit boek in het Nederlands kwam in 1940 uit bij W. ten Have, Amsterdam onder de naam Levensverandering, eenige gedachten over persoonlijke zielszorg.
[7] Een dochter van de Van Heeckerens, Lily, ging in 1929 met Frank Buchman op een fulltimebasis meewerken. In het begin reisde ze met Buchman en zijn internationale team mee, onder andere naar Zuid-Afrika.
[8] Dr. H.D. de Loor, Nieuw Nederland loopt van stapel - De Oxfordgroep in Nederland, een sociale beweging van het interbellum, Uitgeverij Kok - Kampen, 1986. In dit en het volgende hoofdstuk heb ik dankbaar gebruikt gemaakt van het grondige onderzoek dat De Loor verricht heeft.
[9] Naar deze door ds. Van Schothorst en zijn team georganiseerde house-party in Beetsterzwaag kwamen 265 mensen. Een van de deelnemers probeerde in drie afleveringen in de Leeuwarder Courant van 18, 21 en 23 april 1936 te beschrijven hoe het er toe ging. Maar eigenlijk is dat niet mogelijk, eindigde hij, ‘men moet het zelf meemaken om er over te kunnen oordelen’.
[10] Van Wassenaer verkocht dit huis in de winter van 1939-1940 toen hij zijn banden met de Oxfordgroep verbrak. De Van Wassenaers hadden al enige tijd twijfels over de gang van zaken in de Oxfordgroep en de ommezwaai naar Morele Herbewapening. Omdat dissidenten niet gewaardeerd werden, was er een verwijdering ontstaan tussen hen en Buchman en zijn team. Maar de Van Wassenaers bleven wel geloven in de fundamentele waarheden van de Oxfordgroep, aldus De Loor p. 3, 59, 242. De centrale rol van dit echtpaar in de Oxfordgroep in het interbellum blijkt wel uit de meer dan vijftig verwijzingen bij De Loor.
[11] Jonkheer mr. A.K.C. (Albert) de Brauw was tevens vooraanstaand AR politicus en speelde een belangrijke rol bij de verspreiding van het idee van een morele herbewapening in Nederland. (zie hoofdstuk 2) Evenals een andere jonkheer, ir. A.C. (Aat) Stoop van Strijen, directeur van de Nederlandse Siemensmaatschappij in Den Haag. Beiden bleven de Oxfordgroep en daarna Morele Herbewapening trouw tot aan hun dood in respectievelijk 1959 en 1965. De Loor, p. 63.
[12] De Loor, o.a. p. 61 en 66.
[13] Gebaseerd op een interview van De Loor met mevrouw Sillem-Beels in 1981, p. 71. Ook De Loor p. 58 en 59.
[14] Dit is de conclusie van Sipke Fokkema uit Veenwouden, die de handgeschreven notulen van deze bijeenkomst vond in het Frysk Ryksargyf in Leeuwarden.
[15] De Loor, p. 65.
[16] Ds. Van Schothorst had in 1935 een boekje geschreven waarmee je aan de hand van voorbeelden en kritische vragen het ‘groepswerk’ kon evalueren. Bijna de hele oplage moest, na druk van de Oxfordgroep uit het buitenland, vernietigd worden. De kritische toon zou mensen kunnen afschrikken (De Loor, p. 90-92).
[17] De verhouding van de Oxfordgroep met de verschillenden kerkgenootschappen lag aanzienlijk gecompliceerder dan hier is weergegeven. De geïnteresseerde lezer verwijzen we naar het boek van De Loor, die daar uitvoerig en goed gedocumenteerd op in gaat. Zie daar met name hoofdstuk 5.
[18] Interview van Bert de Loor met Cor en Sijtje de Pous, bandopname begin jaren tachtig. Het interview is door De Loor niet gebruikt voor zijn boek.
[19] De Loor, p. 78 en 85.
[20] Nieuwsblad van Friesland, 4 september 1936 (De Loor, p. 98 en 99).
[21] Bert Wolvekamp typeert dat in zijn, overigens niet uitgegeven, memoires als het verschil tussen de adel (Den Haag) en de patriciërs en zakenlieden (Amsterdam).
[22] Levensverhaal van Bert Wolvekamp, zijn privé-memoires.
[23] In dit programma uit 1996 vertelt Rinske Windig-de Boer ook: ‘De kerk was er, maar dit maakte het heel praktisch en levendig. Dat was een beetje uit de kerken weggezakt. Het kwam veel directer, het leefde ineens, had betrekking op jezelf, de mensen thuis, je vrienden.’ Haar man Jaap Windig, eerst Wika (werker in kerkelijke arbeid) en later predikant in de Nederlands Hervormde Kerk in Den Helder: ‘Ik dacht, hé, het is waar. God was ineens iemand.’ (uit een bandopname van dit programma) De VPRO wijdde in het programma OVT op de zondagochtenden van 3, 10 en 17 maart drie afleveringen aan Morele Herbewapening: De Oxfordgroep 1923-1944, Jubeljaren 1944-1955 en Teloorgang 1955-1995.
[24] ‘Staand op vaste gronden, strand aan strand verbonden, spant de brug, sterk zijn rug, waar Gods plan wordt gevonden. Als land bindt zich aan land, volk aan volk, houden wij stand. Nauw saam verbonden, op vaste gronden bouwende aan Gods plan. Een brug van man tot man’ (De Loor, p. 116).
[25] De Loor, p. 117 en 118.
[26] Peter Hintzen, Een idee waarvoor de tijd gekomen is, p. 23.
[27] Geert Mak, De eeuw van mijn vader, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1999, p. 201 en 202. 28 Algra, A, De gereformeerde kerken in Nederlands-Indië/Indonesië, 1877-1961, Franeker, Wever, z.j. Volgens de classis Batavia waren de nadelen van de Oxfordgroep: 1. gevaar voor de eenheid van de kerkelijke gemeenschap; 2. neiging om het werk van de Heilige Geest los te koppelen van het Woord; 3. het niet tot hun recht laten komen van de centrale geloofsstukken; 4. propaganda voor stille tijd en vasten in een vorm die licht onschriftuurlijk kan worden. En de voordelen: 1. grote ernst met de boodschap van de bekering; 2. veler geweten wakker geschud en daardoor tot Jezus gebracht; 3. stimulering tot gebed, bijbellezing en gemeenschapsoefening. Een kerkelijke veroordeling werd ongewenst geacht, temeer omdat de drie ‘voordelen’ nog te weinig in de kerken gevonden werden, aldus Algra.









