Hoofdstuk 2
Oxfordgroep wordt Morele Herbewapening
1938 - de oorlogsdreiging was voelbaar. De grote massabijeenkomsten van de Oxfordgroep in 1936 en 1937 hadden die dreiging niet weggenomen, zoals Buchman wellicht gehoopt had. De zorg die Frank Buchman voelde kwam tot uiting in een groot aantal redevoeringen [1]. Omdat hij inmiddels een bekende persoonlijkheid geworden was, kregen zijn redes ruime aandacht in de wereldpers, ook hier in Nederland. In plaats van house-party’s te organiseren had het Nederlandse team het druk met het vertalen en verspreiden van zijn toespraken. Dit gebeurde allemaal vanuit het landelijk bureau in Den Haag, dat ook een nieuwsbrief produceerde om de teamleden te informeren over alle activiteiten. In het voorjaar van 1938 werd een geïllustreerd tijdschrift uitgegeven De vloed komt op (uit het Engels vertaald), met het doel een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Op de voorplaat verbeeldden met vlaggen marcherende jonge mannen de vloed die opkwam: mensen die met geestdrift, moed, volharding en vernuft én met Gods hulp zelfzucht, vooroordeel, angst, hoogmoed, hebzucht en haat gingen aanpakken. Dit blad dat behalve in het Nederlands ook in het Frans, Duits, Engels, Spaans, Noors, Zweeds, Deens en Fins uitgegeven werd, was een oproep aan de volkeren zichzelf onder Gods leiding te vernieuwen. Het deed verslag van de massabijeenkomsten, maar ook van enkelingen die veranderden. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken mr. J.A.N. Patijn riep hierin het Nederlandse volk op tot bezinning: ‘Wie zijn land liefheeft en geen God-loochenaar is, werke hieraan mee’ [2]. Het tijdschrift laat zien hoe groots Buchman en de zijnen de wereldproblemen wilden aanpakken. Het doel was niet minder dan een nieuwe wereldorde. Buchman zocht een zin, een slogan die kort en krachtig weer zou geven wat de wereld nu nodig had. Net zoals met de stille tijd en de vier morele maatstaven - ideeën die zijn handelsmerk werden - werd ook deze slogan hem door een ander aangereikt, en wel door Harry Blomberg, Zweeds socialist en schrijver. Hem werd gevraagd een thema te bedenken voor de bladzijde over Zweden voor De vloed komt op. Blomberg dacht aan het Zweedse staal dat naar alle Europese landen ging voor hun bewapening en hij schreef: ‘Zweden, verzoener der landen. We moeten ons moreel herbewapenen.’ Buchman hoorde deze zin terwijl hij tijdens een verblijf in Freudenstadt, Zuid-Duitsland, een toespraak aan het voorbereiden was, die hij zou houden in Londen. En de gedachte die zich met ongelooflijke kracht aan hem opdrong was deze: ‘Morele en geestelijke herbewapening. De volgende grote beweging in de wereld zal er één zijn van morele en geestelijke herbewapening voor alle volken.’ Tijdens de toespraak in Londen lanceerde hij deze gedachte voor een drieduizend koppen tellend publiek. Kennelijk had hij een gevoelige snaar geraakt. Zijn rede kreeg over de hele wereld ruime publiciteit [3].
Spanning in Europa
De naamsverandering ging gepaard met een verandering van stijl. Wat al enigszins bleek bij de grote Pinkstermanifestatie in 1937, werd nu steeds duidelijker. Er kwam een strakkere centrale leiding, de boodschap werd door Buchman en teams in de verschillende landen geformuleerd en zijn volgelingen werden geacht daarin mee te gaan. In de toespraak gehouden op zijn 60ste verjaardag, 4 juni 1938, zei hij: ‘Vijanden zijn in opmars. De vijanden van vandaag zijn zelfzuchtig materialisme en morele apathie. Dit zijn de bronnen van onze nationale kwalen’ [4]. De ernst van de wereldsituatie zal Buchman ertoe gebracht hebben zijn boodschap zo scherp mogelijk te formuleren. De toespraak die hij op 16 augustus 1938 hield in het Zweedse plaatsje Visby is daar een voorbeeld van. Hij daagde zijn gehoor uit het niet te laten bij wat hij noemde ‘leunstoelchristendom’. Een opwekkingsbeweging vond hij te gezapig. Hij wilde een revolutie en een renaissance. En hij wilde daarmee de leiders van landen bereiken. Als antwoord op deze oproep organiseerde het Nederlandse team een groots opgezet zomerkamp te Holten. Er waren verschillende kampen die tegelijkertijd plaatsvonden: een familiekamp voor gezinnen, een jongens- en een meisjeskamp. Er werden ook mensen in scholen ondergebracht. De uitnodiging luidde o.a.: ‘Of we willen of niet, wij zijn verantwoordelijk voor de toekomst. De tegenwoordige problemen zijn zo groot dat de enkeling het besef verliest van het verband tussen zijn eigen leven en het wereldgebeuren. Wij moeten ons geestelijk herbewapenen. Ieder die voelt dat dit alleen de wereld kan helpen, komt met ons naar het Nationale Kamp van de Oxfordgroep te Holten waar wij samen zullen uitwerken hoe jeugd en ouders ons land kunnen opbouwen naar Gods plan’ [5]. Een grote wereldassemblee voor Morele Herbewapening (MH) werd dat jaar begin september in Interlaken (Zwitserland) gehouden. Dit was de eerste conferentie onder deze naam en de laatste voordat de oorlog uitbrak. De spanning in Europa was voelbaar. Pieter en Nona de Brauw trouwden in 1938 en reisden voor hun huwelijksreis naar deze wereldassemblee. Nona herinnert zich van de reis door Duitsland dat de stemming daar vreselijk gespannen was. Hilter brulde door de radio, wegen waren afgezet en ze zag een schendblad met vreselijke dingen over de joden [6]. Deze conferentie was een uiterste poging een antwoord te geven op de groeiende angst en tweedracht. In iedere bijeenkomst spraken mensen die lieten zien dat het overbruggen van kloven mogelijk was. Zo spraken een Japanner en een Chinees samen, een Fransman en een Duitser, een Sudeet en een Tsjech, een conservatief en een marxist, zwart en blank. Nog tijdens de conferentie werden deelnemers teruggeroepen naar hun land voor de mobilisatie [7]. Geïnspireerd door deze conferentie hadden twee Nederlanders, Albert de Brauw en Jonathan Sillem [8], het idee een oproep voor een morele en geestelijke herbewapening in de Nederlandse kranten te plaatsen. Het idee was afgekeken van Engeland, waar op 9 september 1938 elf vooraanstaande burgers een brief in The Times geplaatst hadden, waarin ze onder andere verklaarden dat nationale veiligheid alleen bereikt kan worden door morele vernieuwing. De Nederlandse oproep, ondertekend door elf Nederlandse zwaargewichten, verscheen op 19 september en kreeg een breed onthaal in de pers [9]. De Loor stelde in Nieuw Nederland loopt van stapel de vraag hoe het kon dat deze vooraanstaande Nederlanders zonder probleem de oproep ondertekenden, terwijl zij geen relatie met de Oxfordgroep of Morele Herbewapening hadden. Dat kon, meende hij, omdat de oproep zeer algemeen gesteld was. Geen weldenkend mens kon, aldus De Loor, tegen een moreel appèl zijn op individuen om door eigen gedrag en inspanning een klimaatsverandering in land en volk tot stand te brengen.
Oproep van Wilhelmina
De oproep van de elf kreeg nog meer gewicht toen één van de ondertekenaars, Jonkheer Beelaerts van Blokland, koningin Wihelmina ervoor wist te interesseren. De dagbladen van 22 september 1938 berichtten dat de koningin met instemming had kennis genomen van de oproep tot morele en geestelijke herbewapening en dat ze van plan was de elf op paleis Soestdijk te ontvangen. Dit vond plaats op 6 oktober. Op 11 oktober verscheen een reactie van de koningin in de dagbladen getiteld ‘Een persoonlijk woord van de koningin’, waarin zij nogmaals haar instemming met de oproep betuigde [10]. De koningin wees op ‘de beklemmende dagen die achter ons liggen’, daarmee doelend op het verdrag van München (29 september 1938). Zij schreef o.a.: ‘ Die begeerte naar vrede vormt een band tusschen alle volken. Toch is deze, gepaard aan de versteviging onzer weermacht, nog niet genoeg - wil die vrede duurzaam zijn, zoo moet hij gedragen worden door de gedachte, gegrondvest in den oproep. Allen zonder onderscheid kunnen wij persoonlijk bijdragen tot den groei en de ontplooiing van die gedachte, door van heeler harte mede te werken tot de moreele en geestelijke herbewapening; dien innerlijken drang, welke ook uitwendigen ommekeer te weeg brengt en tot gevolg heeft dat eerlijkheid, vertrouwen en liefde richtsnoer worden tusschen personen en volken’ [11]. De oproep van de koningin kreeg van alle kanten bijval. In de archieven van het kantoor van MH bevinden zich tal van verklaringen, redes, boodschappen en krantenartikelen die hiervan getuigen [12]. Het was het gesprek van de dag tot in de Eerste en Tweede Kamer toe. Het Rode Kruis, de Rechterlijke Macht, de commandant van het veldleger, het Rooms-Katholieke Werkliedenverbond, De Nationale Padvindersraad, een bankdirecteur, de Katholieke Werkgevers, om maar een greep te doen, betuigden hun instemming. Artikelen in de voetbalbladen de Feyenoorder (1 januari 1939) en de P.S.V.er (10 november 1938) wezen op het belang van moreel herbewapende sportlieden. En in het weekblad van de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkersbond stond dat er vanaf 6 november 1938 iedere zondagochtend in Bellevue (Amsterdam) over Morele Herbewapening gesproken zou worden. Dit bericht was ook ondertekend door vertegenwoordigers van andere arbeidersbonden. Men kon in het stadhuis van Breda adhesiebetuigingen tekenen daarin voorgegaan door de bisschop en de burgemeester. B&W van Vught stuurde een circulaire naar 46 plaatselijke verenigingen met het verzoek via hun handtekening hun bijval te betuigen. Notabelen in Utrecht gingen honderden voor in een handtekeningenactie in hun provincie. Al die adhesiebetuigingen werden naar de koningin gestuurd. Er werden bijeenkomsten belegd om te praten over de betekenis van de morele herbewapening. De koningin organiseerde hierover op paleis het Loo een bijeenkomst met het personeel van de hofhouding, twee dagen later gevolgd door een bijeenkomst met het personeel van de houtvesterijen [13]. Een concrete reactie was de oprichting van de Groninger Gemeenschap door de commissaris van de koningin in Groningen, mr. J. Linthorst Homan, met duidelijke plannen om de saamhorigheid van de bevolking te bevorderen [14]. Uit bovenstaande greep van reacties blijkt dat voor het eerst ook vanuit het rooms-katholieke volksdeel instemming werd betuigd met het idee van morele herbewapening. In hotel Bellevue in Amsterdam vond een grote vergadering plaats van alle rooms-katholieke vak- en standorganisaties, waar ook de aartsbisschop, de bisschop van Haarlem en de rooms-katholieke minister van Sociale Zaken Romme aanwezig waren. De vergadering schreef in een telegram aan de koningin hoe ze zich wilde aansluiten bij haar oproep: ‘door zich te zullen beraden over een grote actie om het Nederlandse volk te doordringen van de noodzakelijkheid van sociale rechtvaardigheid en sociale liefde en een daarop gebaseerde werkelijke gemeenschap’. De katholieken vulden dit later op hun eigen manier in met de oprichting van de Bond Zonder Naam door pater Henri de Greeve [15]. De boodschap van de koningin was, getuige de krantenknipsels, ook in Nederlands-Indië doorgedrongen. En niet alleen onder de Nederlanders aldaar. De regentenbond Sedjo Moeljo betuigde adhesie [16]. Tijdens bijeenkomsten in Bandoeng en Buitenzorg hield R.A.A. Wiranata Koesoemah, regent van Bandoeng, een redevoering over ‘Moreele en Geestelijke Herbewapening uit islamitisch oogpunt’: ‘Wij, regenten van Java en Madoera, aan wie millioenen Harer onderdanen door hare Majesteits regeering zijn toevertrouwd, hebben, door mijn tusschenkomst, als Voorzitter van de Regentenvereeniging, een adhesiebetuiging aangeboden, omdat de beginselen, neergelegd in H.M.’s oproep ook dezelfde zijn als die van den godsdienst, dien het millioenen volk van Java belijdt.’ In de rede illustreerde de regent dit aan de hand van vele voorbeelden en citaten uit de koran [17].
Luidsprekers op de daken
Op 27 januari 1939 herhaalde de koningin haar eerdere oproep in een radiorede die ook naar Nederlands-Indië werd uitgezonden. In Den Haag luisterden duizenden via luidsprekers op de daken (o.a. van de Bonneterie) op straat naar de boodschap. Ze ging in die rede in op de vele reacties die ze na haar eerste oproep gehad had. ‘Waar de gedachte der geestelijke en moreele herbewapening in het middelpunt der belangstelling is komen te staan en Mij gebleken is dat er nog veel verschil van meening bestaat omtrent haar toepassing, wil Ik trachten u nader toe te lichten, hoe Ik haar zie.’ Ze riep mensen op oog te hebben voor elkaars noden. Eén van de noden die volgens haar aangepakt dienden te worden was de grote werkloosheid. Ook riep ze op tot saamhorigheid in verband met ‘het gebrek aan brandstoffen, kleeding en dekking’. Het is duidelijk dat de koningin de morele en geestelijke herbewapening heel praktisch ingevuld wilde zien. Vooral de werkloosheid moest aangepakt worden. Ze spoorde haar commissarissen in de diverse provincies aan om met plannen te komen. Wilhelmina belegde zelfs een conferentie hierover met hen in paleis Noordeinde [18]. Locale comités bogen zich over het vraagstuk van de werkloosheid. In NRC-Handelsblad plaatste de Rotterdamse bankier mr. Herman Hintzen namens een commissie voor bijzondere noden een oproep aan bedrijven om meer personeel in dienst te nemen en een werkfonds te steunen [19]. Herman Hintzen was een liberale vrijdenker geweest. Geloof was voor zwakken, vond hij. Maar de Oxfordgroep had zijn nieuwsgierigheid gewekt. Om het zijne ervan te weten, was hij in 1934 twee weken naar Oxford gegaan. Zijn vrouw Lily kon niet mee, omdat ze hun zevende kind verwachtte. In Oxford ontmoette hij mensen uit zijn eigen wereld, die christen waren en voor wie dit betekenis had voor hun levenswandel. Dit maakte indruk op hem. Hij kwam als een ander mens terug en dochter Betty herinnert zich dat er grote blijdschap in het gezin kwam. Het hele gezin ging samen stille tijd houden. Gezien dit alles is het aannemelijk dat Hintzen niet alleen een oproep plaatste maar zelf ook in zijn bedrijf het goede voorbeeld gaf [20]. De koningin had ook haar Belgische collega koning Leopold enthousiast gemaakt. Tijdens zijn staatsbezoek aan Nederland in november 1938 onderstreepte hij in een tafelrede de noodzaak van morele en geestelijke herbewapening. Tijdens het tegenbezoek van Koningin Wilhelmina aan Brussel in mei 1939 was het weer onderwerp van gesprek. Leopold hoopte dat dit ‘edel initiatief ook op het internationaal vlak zou worden beproefd’. Het vredesinitiatief dat hieruit voortvloeide zou op niets uitlopen [21]. Morele Herbewapening was, vooral door de oproepen van de koningin, een begrip geworden. Het was algemeen geaccepteerd om ermee in te stemmen, hoewel er ook kritiek was. In socialistische kring was men tot aan de toespraak van de koningin tamelijk sceptisch over de Oxfordgroep en MH. Maar met haar oproep konden de socialisten getuige de Arbeiderspers van 30 januari 1939 wel instemmen. Alleen wilden ze veel verder gaan in de uitvoering van de ideeën. Dit blijkt ook uit het boekje Geestelijke Herbewapening dat dr. W. Banning, religieus socialist en hoofdbestuurslid van de SDAP, publiceerde naar aanleiding van de oproep. Zijn kritiek was dat de gewenste verandering niet alleen persoonlijk, maar ook structureel zou moeten zijn. De oproep voor verandering kwam van de geprivilegieerden in de samenleving, maar zij zagen die verandering vooral persoonlijk, en niet dat het ook kon betekenen dat zij afstand van hun bevoorrechte posities zouden moeten doen. Hier klonk het wantrouwen van de SDAP in door, omdat zij in de leiders van MH mensen zag die al jarenlang in machtsposities waren en die de socialisten buiten regeringsverantwoordelijkheid hadden gehouden. Het is opvallend dat het kantoor van MH in Den Haag een overdruk maakte van deze brochure, waarin alleen de positieve passages werden opgenomen en niet deze kritiek. Zo werd ten onrechte de indruk gewekt dat Banning alleen maar positief over MH zou hebben geoordeeld. De Loor vraagt zich in zijn onderzoek af wat alle instemming en mooie woorden opgeleverd hebben. Hij kan geen voorbeelden vinden, waar morele herbewapening in de praktijk blijkt te zijn getoetst. Hij stelt vast dat hoe groter de beweging werd en hoe meer grote namen zich ermee verbonden, hoe minder er de nadruk gelegd werd op de persoonlijke verandering met als gevolg een nieuw en ander gedrag [22]. Dit laatste kan zeker het geval zijn geweest voor zover Morele Herbewapening een begrip in het publieke domein was. Maar wat betreft het werk in de persoonlijke sfeer, daar werd wel degelijk de nadruk gelegd op de verandering die bij ieder mens kon beginnen. Het Nederlandse team organiseerde tal van bijeenkomsten. Er werd onder andere gebruik gemaakt van de in Canada en Engeland gemaakte film ‘De opmars der jeugd’ (‘Youth marches on’), een film van jongeren over jongeren. In Aemulatio Varietate Eget, het schoolblad van het ‘s-Gravenhaagsche Christelijke Gymnasium, schreef een zekere Ficrit in december 1938 over deze film als over ‘een oase in de woestijn van banale gemeenplaatsproducten.’ Volgens de recensie was de film het ‘bewijs, dat er een filmkunst is die de mensen opbouwt. Want filmkunst moet niet alleen waar zijn, maar positief waar. Niet de mensen in de modder laten steken, maar ze eruit helpen. Deze film heeft indruk gemaakt op vakmensen. We wachten nu op hun antwoord. Komt er een herbewapende filmindustrie?’[23] De jongerenbijeenkomsten mondden uit in drie tien-daagse zomerkampen in Oud-Leusden, Mariënberg en Gilze-Rijen, in het midden, het oosten en in het zuiden van het land dus. Tegelijkertijd werd er ook nog een twaalf-daags familiekamp in Soest gehouden, waarvoor tweehonderdzesentachtig mensen kwamen. Daartoe werd in een natuurgebied een heel tentendorp opgebouwd [24].
Mobilisatie
Na de zomer, op 1 september 1939, brak de Tweede Wereldoorlog uit en werd het Nederlandse leger gemobiliseerd. De vrouwen in het Nederlandse team reageerden hierop door een manifest op te stellen dat ondertekend werd door vooraanstaande vrouwen en dat in de kranten van 12 oktober 1939 verscheen. De oproep aan de vrouwen van Nederland begon zo: ‘De oorlog met al zijn gevolgen is een feit geworden. Velen vragen zich af waarom deze ramp over ons gekomen is, terwijl toch iedereen vrede wenst. Oorlog is een gevolg van oneerlijkheid, zelfzucht, heerszucht, hebzucht en angst. Wij allen hebben in ons leven deze vernietigende krachten toegelaten. De schuld ligt niet alleen bij andere mensen of volkeren, maar bij ieder van ons.’ De mobilisatie waartoe vrouwen werden opgeroepen, was om een positieve kracht te zijn in eigen kring, door bijvoorbeeld geen zelfbeklag toe te laten en niet te gaan hamsteren. In de week na de oproep ontving het kantoor in Den Haag duizendvijfenveertig instemmende brieven [25]. Ik begon dit hoofdstuk met de redevoeringen van Frank Buchman. Die redes werden over de hele wereld gevolgd. Op 1, 2 en 3 december 1939 werd een serie radio-uitzendingen over morele herbewapening wereldwijd uitgezonden. In Nederland leidde dat tot bijeenkomsten in twaalf steden, waarvan de grootste die in Amsterdam was (drieduizend mensen in de Appollohal). Verder werd er op vele plaatsen in groepen op 2 december geluisterd naar de radiorede van Buchman getiteld ‘Listening millions’: ‘Te midden van de ruïne der menselijke wijsheid is nog steeds de eeuwige Bron aanwezig, waaruit allen nieuwe kracht, nieuwe hoop en nieuw licht kunnen ontvangen. God spreekt rechtstreeks tot het hart van iedere man en iedere vrouw die bereid is te luisteren en te gehoorzamen’ [26]. De Oxfordgroep en daarna Morele Herbewapening was een sociale beweging in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. In zijn tweehonderdachtentachtig pagina’s tellende boek heeft De Loor dat uitvoerig gedocumenteerd. Fasseur noemt de belangstelling destijds voor morele herbewapening een hype. ‘De verleiding is groot’, schrijft hij, ‘met een zekere meewarigheid terug te zien op de lichte massahysterie, die zich in het laatste vooroorlogse jaar van een groot deel van de Nederlandse samenleving meester maakte.Toch zou dat niet juist zijn. Veeleer was de bijval voor de beweging van de geestelijke of morele herbewapening een wanhoopskreet, een roep om hulp vanuit een wereld die snel afgleed naar een grote oorlog en zich daarvan bewust was; een oorlog die geen volk wenste, behalve misschien het Duitse, het Nederlandse volk wel het allerminst’ [27]. Men dacht dat de oorlog voorkomen kon worden, als maar genoeg mensen zich moreel en geestelijk zouden wapenen, en vooral als mensen op sleutelposities met deze boodschap bereikt konden worden. Met name de eerder genoemde mr. Hintzen heeft zich daar met anderen voor ingezet [28]. Op verzoek van een joodse vriend stelden Herman en Lily Hintzen-Pels Rycken van augustus 1939 tot oktober 1940 hun buitenplaats ‘Hof van Moerkerken’ in Mijnsheerenland (Hoeksche Waard) ter beschikking voor de opvang van gevluchte joodse kinderen uit Duitsland [29]. Toen ondanks alles de oorlog toch uitbrak en ook Nederland bereikte was men diep teleurgesteld.
Noten
[1] ‘Frank Buchman houdt, mede door de explosieve ontwikkelingen in de wereldpolitiek, in dit jaar (1938) het grootste aantal redevoeringen uit zijn hele carrière, namelijk elf, met 1939 als een goede tweede, te weten tien.’ (dr. H. D. de Loor, Nieuw Nederland loopt van stapel, 1986). De redevoeringen zijn te vinden in Herbouw van de wereld, Toespraken van Frank N.D. Buchman, Kemink en Zoon N.V., Utrecht, 1956.
[2] De volledige oproep van minister Patijn in De vloed komt op luidde: ‘In een tijd, dat de wereld vervuld is van oorlog en burgeroorlog, dat niet-vechtende, ongewapende menschen bij duizenden worden gedood, dat alle volkeren zich wapenen en door oecumenische scheidsmuren afzonderen, treedt de Oxford Groep op, die als eenig doel in haar vaandel voert de boodschap van Christus. Het schijnt een wanhopige taak, maar de Groep is vol vertrouwen, gedragen als zij wordt door de overtuiging, dat alleen langs dezen weg de menschheid tot bezinning kan komen. Zij die groote dingen willen, wijken niet voor de moeilijkheden der verwezenlijking. De Oxford Groep wil, dat het gansche Nederlandsche volk luistert naar God. Wie zijn land liefheeft en geen God-loochenaar is, werke hiertoe mede.’ In Nederland werd dit tijdschrift uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar NV, Rotterdam.
[3] Buchman zegt hierin o.a.: ‘ De genezing zou kunnen liggen in de terugkeer tot de eenvoudige oude waarheden welke sommigen van ons op moeders schoot hebben geleerd, maar zeker weer vergeten hebben: eerlijkheid, reinheid, onzelfzuchtigheid en liefde. De huidige crisis is in feite een morele crisis. De volkeren moeten moreel herbewapenen... We hebben een kracht nodig sterk genoeg om de menselijke natuur te veranderen en bruggen van mens tot mens, van groep tot groep te bouwen; dat begint daar waar ieder zijn eigen fouten toegeeft in plaats van die van anderen te belichten. God alleen kan de menselijke natuur veranderen.’ De gehele rede is te vinden in Herbouw van de wereld, Toespraken van Frank N.D. Buchman, Kemink en Zoon N.V., Utrecht, 1956, p.56 e.v.
[4] De verjaardagsrede (als antwoord op de uit de hele wereld toegestroomde gelukstelegrammen) en de toespraak te Visby staan in Herbouw van de Wereld, p. 63 e.v.
[5] De Loor, p.125 e.v.
[6] Interview met Nona de Brauw- van Tuyll van Serooskerken op 9 juli 2004. Pieter de Brauw was een zoon van Albert de Brauw.
[7] Garth Lean, Frank Buchman - a life, 1985, p.273 e.v.
[8] Albert de Brauw kwamen we in hoofdtuk 1 al tegen. Jonathan Sillem was ambassadeur in Portugal, broer van Albert Sillem, eveneens uit hoofdstuk 1, De Loor, p. 129.
[9] Een manuscript over de jaren 1938 en 1939 getiteld Moreele en Geestelijke Herbewapening, dat het kennelijk nooit tot boek gebracht heeft, begint met deze verklaring. Het manuscript, waarin geen auteur vermeld staat, is opgedragen aan koningin Wilhelmina, vanwege haar positieve reactie op de oproep van de elf. De oproep werd ondertekend door (in alfabetische volgorde): prof. Aalberse, lid van de Raad van State, Jonkheer Beelaerts van Blokland, vice-president van de Raad van State, Jonkheer Feith, president van de Hoge Raad, vice-admiraal Fürstner, chef van de marinestaf, Jonkheer De Jonge, oud-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, mr. Koolen, lid van de Raad van State, Jonkheer van Lidth de Jeude, oud-minister van Waterstaat, Jonkheer Loudon, president-commissaris van Shell, mr. Oud, oud-minister van Financiën, dr. Rutgers, lid van de Raad van State, luitenant-generaal Baron van Voorst tot Voorst, commandant van het veldleger.
[10] De gehele boodschap van de koningin staat in het hierboven genoemde manuscript. Hierna zal ik dit kortweg manuscript 38/39 noemen.
[11] In het archief van het kantoor van MH in Den Haag bevindt zich een Delftsblauwe tegel met de beeltenis van koningin Wilhelmina en de volgende tekst: Moreele en Geestelijke Herbewapening. ‘Eerlijkheid, vertrouwen en liefde, richtsnoer tusschen personen en volken’ H.M. Wilhelmina, 11-10-1938.
[12] Een aantal hiervan zijn te vinden in manuscript 38/39, dat in vijftien hoofdstukken laat zien hoe het idee van een morele en geestelijke herbewapening in het Nederland van vlak voor de oorlog gemeengoed geworden was. Een ander artikel werd ons in 2004 toegestuurd door een abonnee van Ander Nieuws, Iko Zijlstra uit Burgum in Friesland. Het artikel, door hem gevonden in een tweedehands boekenzaak, stond in het Geïllustreerd Christelijk Familie-weekblad De Stuwdam van 31 december 1938 op de pagina voor de huisvrouw: ‘Moreele Herbewapening, wat is dat eigenlijk? Er wordt zoveel over gesproken, zelfs vrouwen zouden een taak in dezen hebben…’. En dan volgt een pagina met uitleg, onder andere aan de hand van voorbeelden.
[13] Cees Fasseur, Wilhelmina - krijgshaftig in een vormeloze jas, uitgeverij Balans, Bilthoven, 2001, p. 247. In deze biografie wijdt de schrijver een aantal bladzijden aan de Oxfordgroep/ Morele Herbewapening.
[14] Het Nieuwsblad van het Noorden wijdt op 22 februari 1939 de hele voorpagina aan de oprichting van de Groninger Gemeenschap en ontvouwt de plannen die o.a. als doel hebben de werkloosheid te bestrijden en de hokjesgeest en de verzuiling te doorbreken. Het maandblad van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen wijdt het hele nummer van maart 1939 aan de Groninger Gemeenschap.
[15] De Loor, blz. 139; Het Vaderland, 1 december 1938.
[16] De Telegraaf van 15 december 1938 schrijft: ‘Wij beschouwen het als een gelukkig initiatief, dat het bestuur van den Regentenbond op speciale wijze adhesie zal betuigen aan de actie tot moreele herbewapening, die reeds zoovele goede gevolgen had.’ De krant noemt het opmerkelijk dat ‘ook in dezen loyalen kring van hooggeplaatste Inheemsche bestuursambtenaren het Koninklijk woord niet is misverstaan’.
[17] De rede van de regent van Bandoeng werd uitgegeven door de ‘Islam Studieclub’ te Bandoeng in 1939.
[18] De Loor, p. 140; Fasseur p. 249.
[19] De Loor, p. 148 en 149; NRC Handelsblad 10 maart 1939.
[20] Interview met Karel en Betty Gunning-Hintzen op 5 juli 2004.
[21] Fasseur, p. 258, 261 en 262. Fasseur: ‘De grotendeels door Leopold zelf geschreven vredesoproep kon na deze voorbereidingen op 23 augustus 1939 in een plechtige bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Scandinavische landen, België, Luxemburg en Nederland te Brussel worden besproken en goedgekeurd. Vervolgens werd de oproep in het bijzijn van de ministers diezelfde avond door de Belgische koning in een radiotoespraak bekend gemaakt. Wilhelmina luisterde mee en betuigde Leopold telegrafisch haar warme instemming. Het bleek allemaal vergeefse moeite.’
[22] De Loor, p. 140, 149 en 150.
[23] In manuscript 38/39 bevindt zich deze recensie, gedateerd 17 december 1938.
[24] De Loor schrijft: ‘Om de 286 gasten te kunnen onderbrengen huurde men tenten: men kwam bijeen in een meetingtent, er was een eettent, een magazijntent en een voorbereidingstent. Men huurde kookpotten en keukengerei, men liet een elektrische installatie aanleggen voor de verlichting van het terrein en de tenten. Ook waterleiding en telefoon moesten worden aangelegd; men huurde een kok in met hulpkok en twee vrouwen uit Soest als hulp in de huishouding voor de groenteschoonmaak. Kortom, er werd een grote inventiviteit en durf getoond om op een wild natuurterrein een groot kamp op te bouwen. Het zegt ongetwijfeld iets over het grote engagement dat tientallen gewone mannen en vrouwen aan de dag legden voor deze idee van morele en geestelijke herbewapening.’ (p. 158)
[25] De oproep was geïnitieerd door de dames Van Beuningen, Van Walré de Bordes, Patijn, Philips en Van der Veen, en onder andere ook ondertekend door mevrouw Albarda (echtgenote van minister Albarda), de schrijfster Ina Boudier-Bakker, mevrouw De Geer (echtgenote van de minister-president), de pedagoge Cis Hijster, de echtgenote van Linthorst Homan (de oprichter van de Groninger Gemeenschap), de onderwijskundige Maria Montessori en de echtgenote van burgemeester Oud van Rotterdam (De Loor, p. 160 en 161).
[26] Herbouw van de Wereld, p. 144.
[27] Fasseur, p. 250.
[28] De Loor schrijft daar uitvoerig over onder het hoofdje ‘De bemiddelingspoging van (de Noorse bisschop) Berggrav, p. 165 e.v. Herman Hintzen was daarbij betrokken. [29] De organisatie was in handen van de zionistische beweging Jeugd-Aliya. Dit 'Hof van Moerkerken' diende als doorgangshuis voor vertrek naar Palestina, hetgeen inderdaad voor 27 van hen nog mogelijk was, tot daar in mei 1940 een eind aan kwam. Toch bleven de overigen in Mijnsheerenland tot het in oktober '41 verboden werd voor joden om dicht bij de kust te verblijven. Zij zijn toen naar een opvanghuis in het Gooi gegaan, samen met andere groepen.Toen het daar te gevaarlijk werd hebben ze naar onderduikgezinnen kunnen gaan. Een aantal van hen is zelfs toen nog clandestien via Spanje naar Palestina ontkomen. Zeven van de drieënvijftig hebben de oorlog niet overleefd. Bron: Frans van der Straaten: Max, een joodse vluchteling aan de Binnenmaas, 1995; ISBN 90-802451-1-9.








