REIKEN NAAR EEN NIEUWE WERELD
HOOFDSTUK 3

Hoofdstuk 3

Ervaringen in oorlogstijd

De Oxfordgroep/Morele Herbewapening als informeel georganiseerde nationale beweging verdween in de oorlog in de anonimiteit. Individuele teamleden deden wat ze konden. Ze probeerden op de plek waar ze waren in de moeilijke omstandigheden hun positieve levensvisie uit te dragen. In dit hoofdstuk zal ik er een paar voor het voetlicht brengen. Dit kan ongetwijfeld aangevuld worden met andere voorbeelden. Pas na 5 mei 1945 werd het contact landelijk hersteld en begon een nieuwe fase.

Op de fiets

Een actief lid van het team in Friesland was Johannes de Boer. Hij was er, net als zijn teamgenoten, van overtuigd geweest dat zij door hun inspanningen de vrede konden bewaren. Toen bleek dat ze gefaald hadden, was De Boer uit het veld geslagen. Hij schreef in zijn privé memoires: ‘Toen de oorlog uitbrak en de Duitsers ons land binnenvielen was dat voor mij en velen een grote schok. Het greep me zo aan, dat ik drie dagen op bed lag en dacht: de oorlog komt omdat wij God niet gehoorzaamd hebben.’ Op dat moment besloot hij om zijn baan op te zeggen en zich fulltime voor Morele Herbewapening in te gaan zetten. Hij had eigenlijk al langer met dat idee gespeeld, maar wachtte met zijn besluit tot zijn vrouw er ook achter stond. Het betekende een hele omschakeling voor het gezin, omdat De Boer vanaf dat moment geen vast inkomen meer had. Zijn dochter Rinske Windig-de Boer herinnert het zich nog als de dag van gisteren: ‘We woonden in een zonnig huurhuis met een grote moestuin. De huur was vier4 gulden per week. Toen mijn vader fulltime ging werken moesten we verhuizen naar een goedkoper huis, een gemeentewoning, die niet zo zonnig was, maar wel ook een moestuin had. We moesten zuinig leven, maar hadden ook niet veel nodig dankzij de moestuin. En af en toe kregen we een zak met tweedehands kleren van een rijke familie uit Rotterdam’ [1]. Johannes de Boer was één van de mensen die in Friesland door toedoen van ds. H. van Schothorst [2] geïnteresseerd was geraakt in de Oxfordgroep/Morele Herbewapening. Zijn dochter Rinske vertelt over die tijd in 1934: ‘Het begon eigenlijk met mijn tante. Er was een vete tussen haar en mijn vader, omdat zij vond dat hij en mijn moeder hun vijf kinderen niet goed opvoedden. Na mijn tantes ontmoeting met de Oxfordgroep maakte ze een bekering door. Zij is toen naar mijn moeder gegaan en heeft haar vergeving gevraagd voor haar kritische houding. Mijn vader was daardoor zo geraakt dat hij is gaan praten met ds. Van Schothorst. Mijn vader had zich toen inmiddels opgewerkt van boerenknecht tot verzekeringsagent bij de Vrijwillige Ouderdoms Verzekering (VOV). Op de fiets haalde hij het geld op bij de boeren. Hij had van dat geld geleend met het idee dat later terug te betalen. Dit heeft hij toen opgebiecht bij het hoofdkantoor. Hij hoefde niet de gevangenis in. Zijn zwager en zijn broer hebben het geld voorgeschoten. Hij kon in zijn baan blijven’ [3]. In 1939 had De Boer van 6 tot 12 november de ‘Sneekweek voor Morele Herbewapening’ georganiseerd, wat een groot succes was, mede door publiciteit vooraf in de plaatselijke en landelijke bladen [4]. Tijdens de oorlogsjaren hield het werk van Johannes de Boer vooral in dat hij op de fiets teamleden in het hele land opzocht om hen een hart onder de riem te steken. Vaak deed hij dat met collega’s, zoals Romo Gunning en Albert de Brauw. Gunning was burgemeester geweest van Yerseke. In 1933 ontmoette hij de Oxfordgroep. Toen hij thuis kwam na een house-party was hij zo anders dat het zijn kinderen opviel. Hij was veel minder autoritair en driftig. Een andere merkbare verandering was dat het hele gezin, er waren zes kinderen, de gewoonte aannam om voor het ontbijt stille tijd houden. In 1942 werd hij door de Duitsers als burgemeester afgezet en week het gezin uit naar Doetinchem [5]. Grote bijeenkomsten mochten niet meer georganiseerd worden, maar Rinske Windig herinnert zich wel dat haar vader kleine huisbijeenkomsten belegde. De Oxfordgroep/Morele Herbewapening werd in de oorlog verboden. Deze beweging was volgens de bezetter gericht tegen het nationaal-socialisme en de NSB [6]. Dat was de reden dat De Boer werd opgepakt door de Gestapo. Hij werd gevangen gezet in Sneek en daarna overgebracht naar Leeuwarden. De Boer schrijft hierover:’s Nachts in de gevangenis kreeg ik de gedachte: heb geen angst, God zal zijn woorden in je mond leggen. Je kunt morele herbewapening ook aan de Duitsers geven.’ Het verhoor begon met de vraag: ‘Wat wil je met die MH?’ Johannes de Boer antwoordde: ‘Een nieuwe wereld bouwen.’ Vraag: ‘Wat voor een wereld?’ Antwoord: ‘Een wereld zonder angst, zonder haat, zonder hebzucht.’ Vraag: ‘Waarom ben je geen nationaal-socialist?’ Antwoord: ‘Omdat het jullie nooit lukt, omdat het niet ver genoeg gaat.’ Vraag: ‘Wat bedoel je daarmee?’ Antwoord: ‘Dat je nooit een nieuwe wereld kunt bouwen, als je niet de rotte plek in je eigen hart uitsnijdt.’ Hij werd anderhalf uur ondervraagd en daarna naar huis gestuurd [7].

Brieven uit gevangenschap

Voor andere teamleden liep de confrontatie met de bezetter minder goed af. Pim van Doorn had als Leids corpsstudent de Pinksterbijeenkomst van de Oxfordgroep ‘Nieuw Nederland loopt van stapel’ in 1937 in Utrecht bijgewoond. Deze gebeurtenis veranderde zijn leven. Tot 1940 gaf hij al zijn tijd aan de Oxfordgroep/ Morele Herbewapening. In 1940 en 1941 deed hij twee vergeefse pogingen naar Engeland te ontkomen. Daarna ging hij in het voorjaar van 1941 voor de illegale organisatie de Ordedienst (OD) spionagewerkzaamheden doen. Hij werd in Frankrijk opgepakt en bracht een tijd in gevangenschap door in ‘het Oranjehotel’, de Scheveningse strafgevangenis, en in de kampen Amersfoort en Vught. Na een proces tegen de leiding van de OD werd hij samen met 16 andere leden van die organisatie op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd. De brieven die hij uit gevangenschap schreef zijn bewaard gebleven. Bert de Loor had voor zijn boek de beschikking over het archief van Van Doorn. Na lezing van deze brieven concludeert De Loor dat Pim van Doorn zijn Oxfordgroepidealen tot het einde toe ongebroken heeft gehandhaafd. Hij moedigde zijn familie en vrienden die hij schreef, aan niet toe te geven aan de druk van de bezetter. Iemand die Pim van Doorn tijdens zijn gevangenschap meegemaakt had, was Floris Bakels, schrijver van het boek Nacht und Nebel. Bakels schreef na zijn terugkeer uit gevangenschap op 20 augustus 1945 aan de vader van Van Doorn: ‘Naderhand zag ik uw zoon terug in het Huis van Bewaring te Utrecht, waar ik acht maanden vertoefde. Ik had daar enige bewegingsvrijheid, omdat ik er verpleger was. Zo kwam ik uw zoon nogal tegen. Telkens wanneer ik met Pim sprak, trof mij zijn buitengewone gelovigheid. Hij had zijn vertrouwen op God gesteld, verloor in genen dele zijn gebruikelijke opgewektheid en ging volkomen rustig tegemoet wat hem te wachten stond’ [8]. In een afscheidsbrief aan zijn vader schreef Pim van Doorn: ‘Mijn werk kwam niet voort uit haat, zoals ik ook thans geen haat voel, aan niemand. Wanneer het God behaagd had dat ik was blijven leven, zou mijn werk erop zijn gericht geweest een verhouding van liefde en gerechtigheid op te bouwen tussen ons en de omliggende volkeren. Ook nu ik daar op aarde niet aan mee kan werken, ben ik overtuigd dat het werk door anderen ten uitvoer zal worden gebracht en speciaal voor het Nederlandse volk, waar ik zoveel van houd, ligt een prachtige taak weggelegd’ [9].

Recrutenschool

In hoofdstuk 1 kwamen we de naam van de journalist-dichter Herman Salomonson tegen, schrijver van het lied ‘Wij luiden nu juichend Nieuw Nederland in’ ter gelegenheid van de Pinkstermanifestatie in Utrecht. Salomonson was hoofd van ANETA, het Nederlandsch-Indische persbureau, dat in het gebouw van het ANP zetelde. Op 15 mei 1940 werd hem op last van de Duitsers de toegang tot het ANP-gebouw ontzegd. Hij was ook schrijver en gebruikte daarvoor het pseudoniem Melis Stoke. In de meidagen had hij als reservekapitein een aantal berichten van de Luchtwachtdienst over Duitse parachutisten omgeroepen via radio Scheveningen. Daarom, en omdat ze ook ontdekten dat hij jood was, werd hij begin juni gearresteerd en gevangen gezet in de cellenbarakken bij ‘het Oranjehotel’ in Scheveningen. Daar werd hij ook ondervraagd over de Oxfordgroep. In 1941 werd hij naar het concentratiekamp Buchenwald overgebracht [10]. Gedurende zijn gevangenschap schreef hij gedichten die tijdens de oorlog voor zover mogelijk ondergronds werden verspreid. Daarin lees je van zijn worsteling, maar ook van zijn groot Godsvertrouwen. Hij schreef over de dagelijkse reële dingen: een brief van thuis, de lange stille uren in eenzaamheid, het luchten met de medegevangenen. In meerdere gedichten komt de smalle lichtstreep voor, waardoor het daglicht naar binnenvalt. Na de oorlog werden de gedichten uitgegeven in de bundel Rekrutenschool op initiatief van Albert de Brauw, die ook het voorwoord schreef [11]. Twee gedichten uit de bundel Rekrutenschool: Cel 595

Mijn cel heeft aan den binnenkant geen grendel en geen knop. Wordt ze van buiten losgemaakt of met een sleutel aangeraakt, dan schrik ik hevig op.

Ik heb geen sleutel en geen macht en wacht hier stil mijn lot… De wil is niet aan dezen kant… de sleutel is in ’s Heeren hand. Die mij bewaart is God!

Daglicht

Hoe is mijn hart zóó licht en zóó bevrijd, in ’t wonder van den aangebroken dag, die ‘k door dit hooge raam ontluiken zag met tralies voor zijn blauwe heerlijkheid?

Belofte van het toegezegde land, waarvan mij dit gemetseld ijzer scheidt. ‘t Zijn tralies van mijn eigenzinnigheid en ’t metselwerk van mijn beperkt verstand.

Maar desondanks, en desalniettemin, en schoon ik ’t wonder niet bevatten kon, viel, als de zegening van deze zon, ’t genadelicht mijn hartewoning in.

En in die vreugde wist ik louter dit, dat ‘k niet begreep maar met mijn oogen zag: dit Heere, is Uw nieuw gewijde dag, die ‘k in Uw naam beheer, maar niet bezit.

Een medegevangene uit Buchenwald zond na de oorlog een brief aan een familielid van Salomonson. Daaruit blijkt dat hij na enige tijd meer vrijheid had gekregen, omdat hij als Flurwärter eten moest uitdelen en het luchten verzorgen. Zo kon hij meer voor zijn medegevangenen betekenen. Door de etensklep in de deur sprak hij hen opbeurend toe. ‘Hij heeft ook eenvoudige gedichtjes geschreven over het dagelijkse leven in de gevangenis - gedichtjes, die de ronde deden van cel tot cel en die diepen indruk maakten - soms geestig, maar meestal een zacht heimwee verwekkend naar de omgeving en sfeer, die wij verloren hadden.’ Aldus deze briefschrijver die door De Brauw in zijn voorwoord wordt aangehaald. Herman Salomonson werd in oktober 1942 in één van de buitenkampen van Buchenwald doodgeschoten [12].

Voedselhulp voor kamp Vught

Een opmerkelijk initiatief was de actie van Charlotte (Lotty) van Beuningen-Fentener van Vlissingen voor de gevangenen in kamp Vught. Wat haar in 1935 nieuwsgierig had gemaakt op een bijeenkomst van de Oxfordgroep in Den Haag was het verhaal van Digna Vlielander Hein-Mijer, wier oudste zoon, 29 jaar oud, het jaar daarvoor bij het bergbeklimmen was verongelukt. Het feit dat zij door haar nieuwgevonden Godsvertrouwen deze enorme slag te boven was gekomen, trof Lotty van Beuningen diep. Zij besloot stille tijd te gaan houden en kocht een wekker, die ze de volgende dag, tot schrik van haar man, een half uur vroeger dan normaal liet afgaan! Twee jaar later was zij een van de motoren achter de grote Pinkstermanifestatie in Utrecht. In die tijd woonden haar man en zij in Vught. Zij was al boven de zestig toen daar het concentratiekamp gevestigd werd. Via de arbeiders die in het kamp werkten hoorde zij over de vreselijke toestanden in het kamp. Er was gebrek aan alles. Wat kon er gedaan worden? Zij kreeg de gedachte om dagelijks klaargemaakte boterhammen - aan bederf onderhevig en dus niet geschikt om door de bezetter naar Duitsland te worden gestuurd - met een boerenkar naar het kamp te sturen. Zij begon met een paar pakjes, maar het gerucht ging snel door het hele land, en van familieleden van gevangenen en mensen uit de buurt stroomden de bijdragen - in natura - binnen. Soms kwam iemand uit de ondergrondse haar een pakket voedselbonnen brengen, die waren buitgemaakt tijdens een overval op een gemeentehuis. Van alle kanten kreeg zij wat zij nodig had, ook de praktische hulp bij het smeren van het brood. Tevens zorgde zij voor warme kleding, geschonken door textielfabrikanten in Oost-Brabant. De pakketten gingen vergezeld van een lijst namen, die weer terugkwam met daarop aangegeven wie er in het kamp zat en wie was overleden of op transport gesteld. Dankzij het dagelijkse contact met het kamp kwam men ook te weten wanneer er gevangenen per trein zouden vertrekken om ondervraagd te worden. Zij werden dan met een lege maag op transport gesteld, om hen minder weerbaar te maken. Op die dagen stapte een dame van Lotty’s comité een station eerder de trein in, met eten en drinken dat zij de mensen kon uitdelen, oogluikend toegestaan door de marechaussee die hen begeleidde. Natuurlijk moest Lotty van Beuningen toestemming krijgen van de Duitse commandant om de pakketten het kamp binnen te brengen. In haar boek Een nieuwe wereld voor mijn kleinkinderen [13] vertelt zij het fascinerende verhaal hoe zij tot driemaal toe steeds een nieuwe commandant wist te overtuigen. Haar strategie was hun harten te raken door hen niet als vijand te behandelen. Tenslotte wist Lotty van Beuningen eind augustus 1944, toen het kamp werd opgeheven en de gevangenen op transport naar Duitsland zouden worden gesteld, de commandant ervan te overtuigen tenminste de gijzelaars vrij te laten, die hadden immers geen strafbare feiten gepleegd. Het argument wat zij hiervoor gebruikte was: ‘Straks is de oorlog voorbij en dan wordt u berecht voor dat u hier gedaan heeft. Uw clementie zal u dan kunnen redden.’ Dit is ook inderdaad gebeurd.

Meisjes van de koekfabriek

Een heel ander initiatief werd in de oorlogsjaren ontplooid door Ans Jansse, dochter van een fabrikant uit Rotterdam. Zoals zovelen had zij kennisgemaakt met de Oxfordgroep tijdens de nationale Pinkstermanifestatie in 1937. Het luisteren naar God in de stille tijd betekende voor haar niet alleen een persoonlijke verandering, maar zij begon ook na te denken over de meisjes die in de brood- en koekjesfabriek van haar vader werkten. Hoe kon zij hun een perspectief voor hun leven meegeven? Haar idee was zomervakantiekampen voor hen te organiseren. Tijdens de bezetting was slapen in tenten verboden, maar zij slaagde erin deze meisjes onder te mogen brengen op de hooizolder van een boerderij in de buurt van Breda. Zij kregen maar één week vakantie, dus kwam er een groep de eerste helft van de week, met een vrachtwagen van de fabriek, die hen weer ophaalde als de volgende ‘lading’ gebracht werd. Dit gebeurde vijf zomers achter elkaar. Toen er geen benzine meer was ging men op de fiets. De basis van deze onderneming was dat allen, leiding en deelnemers, ‘s morgens samen in stilte probeerden te luisteren naar de stem in hun hart, nadat de leiding had verteld over de betekenis hiervan voor hun eigen leven. Tijdens een van de kampen kwam de boswachter vertellen dat hij geen eieren meer kon rapen omdat die allemaal waren weggehaald. Ans Jansse dacht toen aan een verhaal over een leraar die Frank Buchman vroeg: ‘Wat doe ik met een leerling die oneerlijk is en steelt?’ Het antwoord was: ‘Vertel hem wanneer u het laatst gestolen hebt.’ Zittende rond het kampvuur vertelde Ans Jannse die avond de meisjes over een voorval uit haar jeugd waarbij zij een achtergelaten portemonnee uit een kleedhokje had meegenomen en vertelde daarbij: ‘Om te voorkomen dat jullie in je leven iets moeten meedragen, vertel ik jullie dit…Wie eieren heeft meegenomen, kan deze terugleggen in deze mand.’ Een heel stel van de meisjes ging naar de schuur waar iedereen sliep om de door hun meegenomen eieren in de mand te doen. Voor velen van hen heeft dit geleid tot een echte verandering in hun leven en met enkelen heeft Ans Jansse haar leven lang contact gehouden [14]. Een van de leidsters van de zomerkampen was Betty Hintzen. Zij volgde een opleiding aan de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam - een tweede keus, omdat de universiteiten alleen toegankelijk waren voor wie een zogenaamde loyaliteitsverklaring aan de bezetter ondertekende. In de hongerwinter kwam alles stil te liggen. Er was geen vervoer en ook in de koekjesfabriek was geen werk meer bij gebrek aan ingrediënten. Betty Hintzen zat noodgedwongen thuis in Rotterdam en deed haar maatschappelijk werk in de praktijk. Zo gaf zij samen met Ans Jansse cursussen in hygiëne en andere praktische zaken voor de nu werkloze fabrieksmeisjes [15].

Een student, een verpleegster en een burgemeester

Al gauw na het begin van de oorlog werd het joodse studenten verboden colleges te volgen. Studenten in Leiden verzamelden handtekeningen en stelden een protestbrief op voor Seyss-Inquart. Onder andere Dick van Tetterode had daar als bestuurslid van zijn faculteitsvereniging een actief aandeel in. Hij was in 1938, op zijn achttiende, door zijn tante geattendeerd op een bijeenkomst van Morele Herbewapening in een restaurant in het Haagse Bos. Daar ontmoette hij Bert Wolvekamp die hem vertelde over de stille tijd. Een gewoonte die hij vol hield toen hij in Leiden medicijnen ging studeren. Na het verbod voor studenten volgde het verbod voor joodse professoren om college te geven. Op 26 november 1940 hield professor R.P. Cleveringa zijn beroemde protestcollege tijdens het college van zijn geschorste joodse collega-professor E.M. Meijers. Daarop werd de Universiteit van Leiden door de bezetter gesloten. In eerste instantie studeerde Van Tetterode thuis door en later kon hij in Amsterdam verder gaan. Maar in februari 1943 werden hij en zijn medestudenten bij een razzia opgepakt en naar kamp Vught gebracht, als reactie op de moord op een Duitse generaal. Na zes weken werden ze weer vrijgelaten, maar ze mochten alleen verder studeren als ze een loyaliteitsverklaring aan Duitsland zouden tekenen. De meesten deden dat niet en moesten of onderduiken of op transport naar Duitsland. Ook Van Tetterode tekende niet en dook twee jaar onder bij boer Van het Oever in Kamperveen, waar hij als boerenknecht werkte [16]. In Amsterdam was een actief jongerenteam. Mede door de verduistering konden er geen grote bijeenkomsten georganiseerd worden. Maar het team kwam wel geregeld bij elkaar om te overleggen, hun gedachten met elkaar te delen en elkaar tot steun te zijn. Een van hen was Biny Hopman. In het begin van de oorlog werkte ze als leerling verpleegster in het Wilhelmina gasthuis. Soldaten, zowel Nederlandse als Duitse, kwamen gewond terug uit de oorlog. Biny merkte dat ze veel had aan wat ze geleerd had door haar contact met de Oxfordgroep. Ze hielden met een groepje van zeven verpleegsters ‘s morgens stille tijd en stonden daarvoor om zes uur op. In 1943 trouwde zij met Bert Wolvekamp die fulltime met Morele Herbewapening werkte. Omdat Wolvekamp gevaar liep opgepakt te worden, ging hij werken bij een azijnfabriek in Haarlem. Tegelijkertijd gingen hij en zijn vrouw door met hun werk voor een betere wereld. In de avonden ontvingen ze jonge mensen en maakten ze plannen voor na de oorlog en op de fiets ging Bert er op uit, niet alleen om eten te halen, maar ook om de teamleden die hij bezocht te bemoedigen [17]. Al had de gezamenlijke inspanning van de Oxfordgroep de oorlog niet kunnen voorkomen, toch is haar invloed, zoals ook blijkt in dit hoofdstuk, op individuele mensen van ingrijpende aard geweest. Mensen bleven stille tijd houden en soms was er een ingeving die levens redde, zoals in het geval van de burgemeester van Middelburg in 1940. Jan van Walré de Bordes was, toen hij nog bij de volkenbond in Genève werkte, in contact gekomen met de Oxfordgroep. Hij besloot toen schoon schip te maken, wat een betere verhouding met zijn vrouw tot gevolg had. Maar hij herinnerde zich ook dat hij, nota bene als secretaris van de financiële afdeling, declaraties had opgevoerd voor maaltijden die hij niet genuttigd had. Ook dit zette hij recht. Terug in Nederland werd hij burgemeester van Middelburg. In mei 1940 was de rest van Nederland al bezet, maar Zeeland nog niet. Een Duitse aanval was dus te verwachten. Op een ochtend had hij de ingeving dat de stad die middag gebombardeerd zou worden en hij liet bekendmaken dat vrouwen en kinderen beter de stad konden verlaten – een advies dat ook door veel mannen is opgevolgd. Inderdaad hebben de Duitsers die middag gebombardeerd en zo werden vele mensen gered [18]. In 1942 legde hij op eigen initiatief zijn ambt als burgemeester neer en na de bevrijding werd hij majoor bij het Militair Gezag.

Op het scherpst van de snede

Ook voor Frits en Sylvia Philips-van Lennep had de kennismaking met de Oxfordgroep verstrekkende gevolgen. In 1934 waren ze voor het eerst op een house-party. Dit betekende allereerst een nieuwe openheid tussen hen als echtpaar en vervolgens het besluit iedere dag te beginnen met het lezen van een stukje uit het Nieuwe Testament en het opschrijven van de gedachten die daarna bij hen opkwamen. Die lazen zij dan aan elkaar voor. Vaak ging het over dagelijkse dingen, vooral over de kinderen, die hun gezin in de jaren dertig kwamen verrijken – nummer zes werd begin 1940 geboren. Met de oorlogsdreiging en de daarop volgende bezetting werd dat anders. Toen de Raad van Bestuur van de Philips Gloeilampen Fabrieken naar Engeland vertrok om de bedrijven in de rest van de wereld te kunnen besturen, kreeg Frits Philips (35 jaar) duidelijk de gedachte dat zijn taak in Nederland lag. Dit betekende strijden voor het behoud van de fabrieken in Eindhoven, en daardoor een zekere samenwerking met de Duitsers. Indien hij dit geweigerd had, zouden mensen en machines immers afgevoerd zijn naar Duitsland. Dat deze ‘samenwerking’ op allerlei listige manieren vertraagd en gesaboteerd werd, lijdt geen twijfel. Radiotoestellen werden bijvoorbeeld zo gemaakt dat ze na een maand niet meer werkten. En elk plan moest ter goedkeuring naar Berlijn gestuurd worden. In die plannen werden opzettelijk fouten gemaakt, zodat ze weer teruggestuurd werden. Zo werd de ontwikkeling van nieuwe producten getraineerd [19]. Dikwijls moest Frits Philips opereren op het scherpst van de snede: gewoon weigeren of toegeven aan een verzoek van de Duitse bezetters met daaraan gekoppeld voorwaarden die opwogen tegen de ‘schade’. Een sprekend voorbeeld hiervan was het verzoek een werkplaats in te richten in het kamp Vught, hetzelfde kamp waar Charlotte van Beuningen voedsel, medicijnen en kleding heen bracht. Alle vaderlandse gevoelens druisten in tegen een dergelijk voorstel. Tenzij… het een kans was om daar zeggenschap over te houden, er onaangekondigd bezoeken af te leggen, daar mensen van eigen keuze te werk te stellen en hun de warme maaltijd te geven die de arbeiders in Eindhoven ook kregen - al gauw in de volksmond tot ‘philiprak’ gedoopt. Op al deze gedurfde voorwaarden werd ingegaan. Dit betekende dat de joodse gevangenen en anderen die gevaar liepen te worden weggevoerd, daar geplaatst konden worden. Later kwam hier ook het joodse contingent Philips employees uit Eindhoven. Dankzij grote inspanningen van Philips managers (ir. R.E. Laman Trip en anderen) werden zij meerdere malen als ‘onmisbaar voor de productie van belangrijk materiaal’ voor deportatie behoed. Toen dit uiteindelijk niet meer mogelijk bleek, kreeg dit contingent toch een uitzonderingspositie. Als technische krachten werden zij van de ene Duitse fabriek naar de andere gesleept, maar de meeste van hen ontliepen de gaskamers. In 1996 nam Frits Philips, in naam van zijn toenmalige medewerkers, uit handen van de Israëlische ambassadeur Yossi Gal, de Yad Vashem onderscheiding in ontvangst, als eerbetoon voor het redden van driehonderdtweeëntachtig joodse levens [20]. Na de bevrijding van het zuiden van Nederland in het najaar van 1944 maakte Frits Philips deel uit van de delegatie van zeventien personen uit de zuidelijke provincies waarmee koningin Wilhelmina in februari 1945 in Engeland twee dagen overleg pleegde [21].

Met honderd vrouwen

Omdat de bezetter had besloten de Nederlandse reserveofficieren als krijgsgevangenen naar Duitsland af te voeren, vonden er in het hele land stakingen plaats. Als gevolg daarvan werd Frits Philips gearresteerd. Hij zat vijf maanden vast, eerst in Haaren, later als gijzelaar in St. Michielsgestel. Hoezeer de bezetter zijn invloed op het moreel van de Philips medewerkers vreesde, blijkt uit het feit dat zij hem tijdens zijn gevangenschap het aanbod deden dat hij onmiddellijk vrijgelaten zou worden indien hij zich in Arnhem zou vestigen en zich niet meer met 'Eindhoven' zou bemoeien - iets waar voor hem geen sprake van was. Na vijf maanden kwam hij toch vrij, maar in juli 1944 waren er geruchten dat de sabotage en tegenwerking bij Philips de bezetter zo irriteerde, dat hij weer zou worden opgepakt, en ditmaal zou het menens zijn. Frits Philips ontsnapte ternauwernood toen de Duitsers hem op 20 juli op kantoor kwamen halen en dook onder. Enige weken lukte het Sylvia de Duitsers om de tuin te leiden: haar man had een zenuwinstorting gekregen van alle druk die op hem was uitgeoefend en daarom was hij in Friesland gaan zeilen. Maar toen hij niet meer kwam opdagen arresteerden ze haar. Op een vroege ochtend in augustus werd zij samen met drie Philips ingenieurs naar het kamp in Vught gebracht. In het boek 45 jaar met Philips vertelt zij hier zelf over: ‘De eerste nacht bracht ik in een cel door. De volgende morgen werd ik naar een barak gebracht met een kleine honderd vrouwen, die overdag aan lange tafels touw zaten te vlechten. Ik werd bijzonder hartelijk ontvangen door degenen die uit Eindhoven kwamen. Het was een wonderlijke ervaring daar ‘s avonds naar bed te gaan in zo’n lange rij van ijzeren bedden, twee naast elkaar met twee er bovenop, die allemaal aan elkaar vastzaten, zodat de hele rij schokte als iemand zich omdraaide. Natuurlijk kwam er die eerste nacht niet veel van slapen. Ik zag een verpleegster, medegevangene, langs de bedden lopen en de vrouwen verzorgen. Wat heerlijk, dacht ik, dat zij iets voor anderen kan doen. Onmiddellijk flitste de gedachte door mij heen: “Jij kunt ook iets voor hen doen, jij kunt ze naar Mij leren luisteren.” Dat was een hoopvolle gedachte. Overdag onder het werk praatten we fluisterend (spreken was namelijk verboden, maar wie kan honderd vrouwen verbieden om samen te praten!) en ‘s avonds als er geen bewaking was verzamelden we ons in een hoek bij de bedden. In onze barak was een Nieuw Testament, verboden, maar een grote hulp bij gebrek aan priester of dominee. Des te belangrijker zou de ervaring zijn, dat God zelf in ons hart kan spreken. Ik vertelde hun hoeveel verandering dat luisteren in mijn eigen leven had gebracht, in mijn verhouding tot mijn man, mijn kinderen, eigenlijk tot iedereen. Maar hoe ik nu, in dit concentratiekamp pas besefte dat mijn levensdoel geleidelijk, haast ongemerkt, was uitgegroeid tot: het bouwen aan een wereld zoals God die bedoeld heeft, zeker zonder oorlog en concentratiekampen. Vroeger was dat geweest: het hebben van een gelukkig gezin. Maar nu had ik een levensdoel dat niet van mij kon worden afgenomen, wat er ook gebeurde. Steeds weer kwamen onze gesprekken terug op die nieuwe wereld en ieders aandeel in de realisatie daarvan....’ [22] Later heeft Sylvia Philips gezegd dat haar geloof hierdoor op de proef was gesteld en dat zij dankbaar was dat het had stand gehouden. Na een week werd zij samen met de drie anderen vrijgelaten, door toedoen van een figuur die met de Duitsers sympathiseerde en die zich, in afwezigheid van Frits Philips, tot directeur van Philips had laten benoemen. Hij wilde een daad stellen om populariteit in Eindhoven te verwerven. Dit laatste is niet gelukt (de bevrijders waren in aantocht en hij verdween naar Den Haag), maar het was haar redding: een week later werd het hele kamp ontruimd en weggevoerd naar Duitsland. Van de honderd vrouwen uit Sylvia Philips’ barak overleefden slechts zeventien het kamp in Ravensbrück, maar geen enkele zonder een chronische kwaal aan longen, nieren of iets anders. Een aantal van hen nam de moeite Sylvia Philips later te komen opzoeken om haar te bedanken voor wat zij hun had meegegeven. Een van hen had in gevangenschap een kind gebaard, dat kort na de geboorte gestorven was. Zij had het meisje Sylvia genoemd. Op 18 september 1944 werd Eindhoven bevrijd, maar de avond van de dag daarop vond er een bombardement van de Duitsers plaats. Dochter Digna Hintzen-Philips zegt hier later over: ‘De volgende morgen zaten we daar met z’n allen verslagen in die kelder, terwijl het huis boven ons behoorlijk kapot was. En toen.... kwam mijn vader ineens binnen! Hij was die nacht door de linies gekomen na een hele omzwerving vanuit zijn onderduikadres in de Betuwe. Het was niet alleen een onvergetelijk moment van blijdschap en weerzien, na alles wat we meegemaakt hadden. Voor mij was het ook doorslaggevend. Ik was net veertien jaar en als oudste voel je je verantwoordelijk voor het hele gezin. Ik dacht: nu zijn we weer allemaal samen, we hebben het overleefd! God heeft ons gespaard omdat Hij iets met ons vóór heeft: iets meer dan het gewone leven van een gegoede familie.’

Noten

[1] Interview met Rinske Windig-de Boer op 8 februari 2002.

[2] Zie hoofdstuk 1, De kerken, p. 8.

[3] Interview met Rinske de Boer-Windig op 8 februari 2002.

[4] Dankzij de inspanningen van Bert Wolvekamp en de fotograaf Ad Windig, die ook fulltime met MH werkte, verscheen in de Leeuwarder Courant van 5 november een artikel van minister Patijn met een oproep vooral naar deze week te gaan. In zijn privé memoires vertelt Bert Wolvekamp hoe een boer en zijn vrouw naar de eerste bijeenkomst kwamen. De volgende dag namen ze een paar zoons mee. De dag daarop kwamen ze met een hele bus vol. De boer legde een vete bij met een buurman met wie hij in geen jaren gesproken had. Ook De Loor, p. 162

[5] Interview met Karel en Betty Gunning-Hintzen op 5 juli 2004.

[6] In het dagblad Volk en Vaderland verscheen op 11 april 1941 een verklaring van Mussert van enkele dagen ervoor (9 april) getiteld ‘Oxford tegen Nationaal-Socialisme’. Hierin werden zeven redenen genoemd die er volgens de Nazi’s op wezen dat de Oxfordgroep tegen het nationaal-socialisme was en het ook daadwerkelijk tegenwerkte. (Een ervan was: ‘Het ontkennen van elk rassenonderscheid werd ijverig bedreven.’) Volgens dit bericht zou er een nauwgezet onderzoek volgen naar de oorsprong, wezen en uiteindelijke bedoeling van de groep (Archief kantoor Amaliastraat 10, Den Haag). Overigens werd er al eerder in Gestapokringen gewaarschuwd tegen de Oxfordgroep getuige een Gestapodocument uit 1939, dat door J.P Thornton-Duesbery in Open kaart over Morele Herbewapening (Uitgeverij Sijthoff, Leiden, 1964) wordt aangehaald (p. 67-75 en 138-151). Hierin wordt de toenmalige voorzitter van het Noorse parlement aangehaald die de haat van de Gestapo voor de Oxfordgroep als volgt verklaarde: ‘…Zij haatte haar (de Oxfordgroep) zoals mensen de idealen die zij verloren hebben en verkracht en het geloof dat ze verraden hebben, kunnen haten en vrezen…’ (zie ook Herbouw van de wereld, Toespraken van Frank N.D. Buchman, p. 292 en 293 en Peter Howard, The world rebuilt, Duell, Sloan and Pearce, New York, 1951, p.186-188).

[7] Uit de privé memoires van Johannes de Boer.

[8] De Loor, p. 207-209.

[9] De Loor, p. 209. Ook Peter Howard schreef in Ideeën hebben benen (A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij, 1948), p.180-182, over Van Doorn en noemde ‘zijn leven en dood een symbool van de nieuwe geest van de jeugd, die Europa weer uit de puinhopen zal doen herrijzen’

[10] Dr. H.W. van der Vaart Smit schrijft hierover in Wetenschappelijke Kritiek 1 op het geschiedwerk van prof. dr. L. de Jong: het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, uitgeversbedrijf De Pauw c.v., Amsterdam, 1975: ‘Toen Hermann Göring weldra in Den Haag verscheen en vernam dat circa 200 parachutisten hier spoorloos waren verdwenen, waarbij hem werd voorgelegd wat er via de radio in die dagen was omgeroepen, was de boot duchtig aan, vooral toen Göring ook nog vernam, dat de omroeper een Jood was.’ Aldus Van der Vaart Smit in hoofdstuk 9, waarin hij verder uiteenzet hoe hij als hoofd van het Haagse ANP geprobeerd had Salomonson te helpen.

[11] Rekrutenschool en andere gevangenisverzen van Herman Salomonson (Melis Stoke) met een inleiding van jhr. mr. A.K.C. de Brauw, uitgever A.A.M. Stols in Den Haag, 1946.

[12] Dr. L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 4, 1972, p.281-282.

[13] Charlotte van Beuningen, Een nieuwe wereld voor mijn kleinkinderen, 1969, Ten Have N.V. Amsterdam, p. 231.

[14] Ans Jansse, Enkele herinneringen, 2001.

[15] Interview met Karel en Betty Gunning-Hintzen op 5 juli 2004.

[16] Interview met Dick en Agatha van Tetterode-van Walré de Bordes op 7 juni 2004.

[17] Interview met Biny Wolvekamp-Hopman op 19 april 2002.

[18] Interview met Dick en Agathe van Tetterode-van Walré de Bordes op 7 juni 2004.

[19] Dr. ir. F. J. Philips, 45 jaar met Philips, Uitgeverij Ad. Donker BV, Rotterdam, 1976. Hoofdstuk 7 t/m 13.

[20] I. J. Blanken, Geschiedenis van Koninklijke Philips Electronics NV, Eindhoven, 2002. Hoofdstuk 7, deel 4. Naast de dankbaarheid van talloze mensen wordt hier ook de kritiek behandeld, als zou Philips dit project uit winstbejag hebben opgezet. De cijfers spreken echter overtuigende taal: deze twee jaar durende operatie heeft het bedrijf een miljoen gulden gekost.

[21] Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10a, Het laatste jaar – Tweede helft, bladzijde 943 en volgende. Op foto 108 poseert de hele delegatie met koningin Wilhelmina.

[22] Philips, 45 jaar met Philips.