Hoofdstuk 4
De naoorlogse periode
1945. Voor velen is het een jaartal uit de geschiedenis. Voor anderen is het een ervaring om nooit te vergeten. Voor Nederland het jaar van de bevrijding. Het einde van vijf jaar bezetting. Het einde van de oorlog, de ineenstorting van nazi-Duitsland. Hitler en zijn naaste medewerkers dood of gevangen. In 1944 was het zuiden van ons land al bevrijd. Maar na de slag bij Arnhem, ‘een brug te ver’, begon voor Nederland boven de rivieren de hongerwinter en zouden nog velen het leven laten. Bij de bevrijding van het zuiden kwamen enkele Engelse militairen die betrokken waren bij de Oxfordgroep/Morele Herbewapening Eindhoven binnen met in hun ransel boeken en brochures en het huisadres van de familie Philips. Toen zij daar aan de bel trokken, wachtte hen een uitgelaten welkom. Een onuitwisbare indruk maakte het op de oudste zoon Ton, hij was toen twaalf jaar, dat op de dag na de bevrijding ineens een Britse militair met een grote motorfiets op de stoep stond. Zo werden de eerste contacten gelegd tussen hen die zich voor MH hadden ingezet in de geallieerde landen en zij die de oorlog in bezet Nederland hadden meegemaakt en doorstaan. In 1942 had de Duitse bezetter iedere activiteit van de Oxfordgroep/Morele Herbewapening evenals die van andere internationale organisaties en bewegingen, zoals de padvinderij, verboden. Zoals ik al schreef bleven informele contacten tussen mensen wel bestaan. Het ontbreken van een formele verenigingsstructuur en het gewend zijn zelf het initiatief te nemen kwamen hierbij goed van pas. Maar van openlijke activiteiten was geen sprake meer geweest. Onder de lectuur die in Eindhoven aankwam waren brochures [1] die tijdens de oorlog op grote schaal in Engeland en de Verenigde Staten waren gebruikt om de eenheid van het thuisfront te versterken en de inzet in de industrie die essentieel was voor de geallieerde oorlogsvoering te vergroten. Het team in het bevrijde zuiden van Nederland besloot deze brochures te vertalen, waar nodig aan de Nederlandse situatie aan te passen en op zo groot mogelijke schaal te verspreiden. De brochures riepen op tot saamhorigheid om, gelet op de noodzaak van de wederopbouw, alle verdeeldheid achter te laten en samen de schouders te zetten onder de taak die wachtte. Dit sloot goed aan bij de sfeer die heerste in Nederland. Men begreep dat na de jaren van bezetting en oorlog een zo eensgezind mogelijke inspanning van iedereen nodig was.
Nederland zal herrijzen
Zo verscheen in 1944 in Eindhoven de brochure Nederland zal herrijzen. In het voorwoord lezen we: ‘In de bezettingstijd hebben velen leren samenwerken, velen voor wie dat vroeger onmogelijk was. Op allerlei gebied komt de wens naar eendracht tot uiting. Dit boekje wil laten zien, hoe wij tot eendracht kunnen komen en hoe ieder van ons op dit ogenblik aan de wederopstanding van Nederland kan medewerken.’ Kort samengevat was het thema: ‘Voor het herrijzen van Nederland zijn nodig: Gezonde gezinnen, samenwerking bij de arbeid, een eensgezind volk. Zullen we dat bereiken? Dat hangt af van u! Word anders, schep eenheid, vecht er voor!’ [2]. In 1944 en 1945 vonden in de Verenigde Staten verschillende conferenties plaats op Mackinac Island (Michigan) waar Frank Buchman en zijn naaste medewerkers bijeen waren. Op de agenda stond: ‘Het gaat nu om de oorlog van ideeën, de strijd tegen het materialisme; laten we God vragen ons gezamenlijk te laten zien wat ons aandeel is in de wederopbouw van de wereld’. Al in 1944 kwamen enkele Zwitsers naar deze conferentie. In 1945 weer en bovendien voegden zich toen ook kleine delegaties uit andere Europese landen zoals België, Denemarken, Frankrijk, Noorwegen en Nederland bij Frank Buchman en de zijnen [3]. Bert Wolvekamp, een van de Nederlanders schreef later hierover: ‘De ontvangst in Mackinac was heel emotioneel. Alle aanwezigen stonden in de entreehal opgesteld en zongen in goed Nederlands het Wilhelmus. De andere Europese delegaties werden eveneens ieder met hun eigen volkslied ontvangen. Ook kwamen er Britse en Amerikaanse militairen die eerder fulltime met MH hadden gewerkt. Zij werden in een aantal gevallen vervroegd gedemobiliseerd, omdat de betreffende regeringen het werk van Morele Herbewapening nuttig en nodig vonden.Voor de mensen uit het door de oorlog verarmde Europa waren de Verenigde Staten een andere wereld. Vlak voor hun terugkeer konden de Nederlanders met geld dat ze gekregen hadden in New York spullen kopen die in Nederland nog niet te krijgen waren.’ Deze conferenties waren belangrijk omdat hier, al voordat de oorlog voorbij was en meteen daarna, plannen werden gemaakt voor het naoorlogse Europa. Een centrale rol speelde hierin een groep Zwitsers.
Zwitsers initiatief
Zwitserland was niet direct bij de oorlog betrokken geweest, maar de tragedie in Europa had de Zwitsers niet onberoerd gelaten. Sinds de dertiger jaren was daar een groeiende groep mensen die zich had ingezet voor de geestelijke en morele herbewapening van hun land en de buurlanden. Een van hen was Philippe Mottu, een diplomaat die tijdens de oorlog twee bombardementen had meegemaakt, in Helsinki door de Russen en in Berlijn door de geallieerden. Hij had contact gehad met het Duitse verzet tegen de nazi’s en een van zijn vrienden, Adam von Trott, was omgebracht vanwege diens aandeel in een mislukte aanslag op Hitler. In 1940 richtte hij met anderen de Zwitserse verzetsbeweging de Gothard Liga op. Tijdens een bijeenkomst met Pasen in 1942 van zo’n zestig leden van het Zwitserse team van MH in het Zwitserse Macolin, had Philippe Mottu een ingeving die verregaande consequenties zou hebben. ‘Als Zwitserland gespaard blijft, is het onze taak om een plaats beschikbaar te maken waar de Europeanen, die verdeeld zijn door haat, lijden en wrok samen kunnen komen. Die plaats is Caux.’ Mottu schrok zelf zo van die gedachte dat het even duurde voor hij hem aan anderen, zelfs zijn vrouw, vertelde. Twee jaar later hadden Philippe Mottu en zijn vrouw Hélène de gelegenheid Frank Buchman deelgenoot te maken van hun overtuiging toen ze voor de eerder genoemde conferentie in Mackinac waren [4]. Een jaar later, meteen na de oorlog, keerden ze terug naar Mackinac met een groepje Zwitsers. Plannen werden gemaakt hoe de enorme taak van wederopbouw en verzoening ter hand genomen zou kunnen worden. Mottu deed het concrete voorstel om hiervoor een groot hotel in Caux-sur-Montreux, dat leeg stond na gebruikt te zijn geweest als opvangcentrum voor vluchtelingen, als conferentieoord te gebruiken. Er had al vóór de oorlog een MH-conferentie plaatsgevonden. Men wilde weten wat Frank Buchman en zijn team daarvan vonden. Het idee vond algemene instemming op voorwaarde dat de Zwitsers die zich voor MH inzetten, er helemaal achter stonden en de financiën en mensen konden vinden om dit mogelijk te maken. Met Pasen 1946 werd in Interlaken de eerste internationale bijeenkomst van MH gehouden in het vrije Europa. Er namen ook enkele Nederlanders aan deel [5]. In een verslag van deze conferentie schreef Philippe Mottu aan Frank Buchman: ‘Wij Zwitsers voelen ons Europeanen en wij willen alles doen om Europa weer groot te maken.’ [6] Het idee om het hotel Caux Palace voor de hereniging van Europa te gebruiken werd tijdens deze conferentie besproken. Meteen daarna ging een groep Zwitsers vergezeld door Bert Wolvekamp er een kijkje nemen. Op die koude lentedag troffen ze een volkomen verwaarloosd en vervuild gebouw aan met een zwart geblakerde keuken. Maar het uitzicht was schitterend, vooral toen de zon door de wolken brak en het meer van Genève bescheen. Na afloop bespraken ze de situatie onder het genot van een warme kop koffie in het stationscafé. Na een tijd van stilte en bezinning kwamen ze tot de eensgezinde conclusie dat dit een avontuur was dat ze samen in geloof aan moesten gaan. Daar werd het besluit genomen dit verwaarloosde hotel tot een thuis voor de wereld te maken. Eerst dacht men het te kunnen huren, maar de bank die eigenaar was (het beroemde hotel was failliet gegaan) dacht erover het gebouw te slopen en wilde alleen maar verkopen. Door giften van vijfennegentig Zwitserse gezinnen lukte het om het Caux Palace te kopen. Bovendien besloot een aantal van hen hun baan op te geven om het centrum op poten te zetten. In dit avontuur namen drie echtparen, alle dertigers, de leiding: de eerder genoemde Philippe en Hélène Mottu, Robert en Dorli Hahnloser en Erich en Emmy Peyer. Hahnloser en Peyer waren beiden ingenieur. Eind mei 1946 kon men het gebouw betrekken. Er moest heel veel gerepareerd worden en bovenal schoongemaakt. Samen met een Zwitserse architect verzorgde een Nederlandse bouwkundige, Jap de Boer [7], enkele verbouwingen, met name van de ingangshal. Een honderdtal Zwitserse vrijwilligers en velen uit andere landen onder wie ook enkele Nederlanders, slaagden erin met de schoonmaak en inrichting zover te komen dat er in juli 1946 de eerste naoorlogse internationale conferentie voor Morele Herbewapening kon worden geopend [8]. Caux Palace werd vanaf dat moment omgedoopt tot Mountain House. Maar deze naam wordt niet zoveel gebruikt. Meestal wordt de naam van het dorp Caux gebruikt om het conferentiecentrum aan te duiden.
‘Waar zijn de Duitsers?’
Op 15 juli 1946 kwam Frank Buchman met een groot team uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië in Caux aan. Hij trof daar naast de Zwitsers vele mensen uit landen die door Duitsland bezet waren geweest. Het verhaal gaat dat na een hartelijke verwelkoming Buchman de vraag stelde: ‘Waar zijn de Duitsers? Sommigen van jullie denken dat Duitsland moet veranderen; en dat is waar. Maar jullie zullen nooit in staat zijn Europa weer op te bouwen zonder Duitsland.’ Die vraag veroorzaakte een schok bij de aanwezigen. Mannen en vrouwen die in de oorlog geleden hadden onder de Duitsers zouden in Caux geconfronteerd worden met hun voormalige vijanden? In feite hadden Philippe Mottu en de zijnen van meet af aan de overtuiging gehad Duitsers te betrekken bij de wederopbouw van Europa. Die eerste zomer lukte het een vijftiental Duitsers naar Caux te laten komen [9]. Ook op de conferentie eerder dat jaar in Interlaken waren vier Duitsers aanwezig geweest, allen uit de Franse zone. Dit was mogelijk gemaakt door de hulp van de hoofdaalmoezenier van het Franse bezettingsleger [10]. Een van de Duitsers die in 1946 naar Caux kwam was Hans Stroh, studentenpredikant van de Universiteit van Tübingen. Hij had in de geneeskundige dienst van het Duitse leger gediend in Italië en daarna aan het Russische front waar hij krijgsgevangen was gemaakt. Na enkele maanden in Russische en Poolse gevangenkampen werd hij vrijgelaten. In Caux zei hij: ‘Vandaag voel ik een zware schuld op mijn schouders. Ik heb niet genoeg moed gehad en niet gedaan wat ik had moeten doen. Dus deel ik de schuld van mijn volk. Ik wil me verontschuldigen tegenover allen die geleden hebben onder het Duitse juk’ [11]. Uit de zones in Duitsland die door de Britten en de Amerikanen bezet waren, was het toen nog niet mogelijk Duitsers naar Caux te laten komen. De vraag van Buchman leidde tot een verhoogde activiteit met name in Washington en Londen, zodat met volle medewerking van de geallieerde militaire autoriteiten het jaar daarop een delegatie van honderdvijftig Duitsers toestemming kreeg Duitsland te verlaten en de internationale conferentie in Caux bij te wonen. Dat was bijzonder, want alhoewel vele delegatieleden als niet-nazi onder Hitlers bewind geleden hadden, waren vlak na de oorlog Duitsers - ongeacht hun achtergrond - nergens in het Westen welkom [12]. Een van de Franse deelnemers in 1947 was Irène Laure, parlementslid en secretaris van de socialistische vrouwenbond. Zij had in het verzet gewerkt en persoonlijk geleden. Toen ze hoorde dat ook een Duitse delegatie in Caux werd verwacht, was haar onmiddellijke reactie: dan vertrek ik meteen! Na een innerlijke worsteling besloot ze echter, denkend aan de toekomst van Europa, te blijven. Haar eerste gesprek was met Clarita von Trott, wier echtgenoot na de aanslag op Hitler was terechtgesteld, en die haar, ondanks dat zij zelf zo geleden had, om vergeving vroeg voor wat Duitsland had aangericht. Later op een bijeenkomst met deelnemers uit de hele wereld vertelde Irène Laure over haar leven. Zij had de vernietiging van Duitse steden toegejuicht. Nu was ze haar haat gaan zien als een barrière voor de toekomst van Europa en als een begin van een nieuwe oorlog. Voor die haat vroeg ze vergeving. Haar voorbeeld bracht Duitsers en anderen tot bezinning en verandering. Ook voor de Nederlanders die toen in Caux waren, was deze confrontatie met Duitsers niet gemakkelijk. De eerste woorden werden gesproken, ervaringen uitgewisseld en langzaam drong het besef door dat men om een nieuw democratisch Europa op te bouwen Duitsland niet kon negeren. Evenals die van anderen, had men de verandering en inzet van Duitsers nodig. Later zou dit stapje voor stapje gemeengoed worden. Maar Caux was de eerste plaats waar voor Duitsers de deur naar de internationale gemeenschap werd geopend [13]. Als vervolg hierop zouden ook vanuit MH in Nederland initiatieven worden genomen om bruggen naar Duitsland te slaan en de prille democratie in dat land te steunen. De conferenties die vanaf 1946 elk jaar in de zomer en op kleinere schaal met Pasen en in de winter in Caux zouden worden gehouden, trokken deelnemers uit de hele wereld: staatslieden en studenten, werkgevers en werknemers, mannen en vrouwen met alle mogelijke beroepen en achtergronden. Er ontstond zo een wisselwerking tussen wat er in Caux werd besproken en ervaren en wat er in eigen land en werelddeel werd ondernomen. Ook wat Nederland betreft bleek dat er een vruchtbare uitwisseling met Caux ontstond. Mede als gevolg van de ontmoetingen die daar plaatsvonden, waren in de loop der jaren veel Nederlanders werkzaam in het kader van Morele Herbewapening in Afrika, Azië, Australië en Nieuw-Zeeland, Latijns- en Noord-Amerika. Soms was dit voor een bezoek van enkele weken, soms voor een of meer jaren.
Toneelstukken en musicals
In 1948 kwam een internationaal team van MH met de revue The Good Road, na voorstellingen in Duitsland, naar Nederland. Het stuk was een uitnodiging aan het publiek om de goede weg van verandering, verzoening en samenwerking te kiezen in plaats van die van verdeeldheid en materialisme. Onder de spelers waren ook enkele Nederlanders. De première vond plaats in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. De belangstelling was groot. Musicals waren een nieuw fenomeen. Het internationale aspect was op zichzelf al heel bijzonder in die tijd. Naast allerlei autoriteiten kwamen ook veel jongeren. Het opende een visioen van een mogelijke nieuwe toekomst van samenwerking van de volkeren. Cynische studenten werden er diep door getroffen. Na de opvoering mengde het toneelgezelschap zich onder het publiek. Er werd lang nagepraat. De tournee van The Good Road was in Europa het begin van het gebruik van toneelstukken en musicals om de boodschap van verandering en vernieuwing die MH voorstond uit te dragen, zoals dit tijdens de oorlog in de Verenigde Staten was gebeurd. Met dit oogmerk werd in Londen in 1946 het Westminster Theater gekocht. Het benodigde bedrag hiervoor was onder andere bijeengebracht door Britse militairen met het geld dat zij bij hun demobilisatie hadden ontvangen. Het toneelstuk The Forgotten Factor van de Engelsman Alan Thornhill dat tijdens de oorlog in Amerika was geschreven en opgevoerd, beleefde hier zijn Europese première. Het stuk beschrijft een conflict in de industrie en de persoonlijke aspecten die daarin meespelen. Het ging daarna op tournee in de Engelse mijnstreek en industriegebieden. Later werd het in vele landen in verschillende talen door amateurs opgevoerd. In Rotterdam werd dit stuk onder de titel De Vergeten Factor in het Nederlands opgevoerd en wel in 1953 door de Toneelgroep van de personeelsvereniging van de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) en Scheepsbouw Maatschappij ‘Nieuwe Waterweg’. De opvoeringen vonden plaats in Ons Huis en in Musis Sacrum. Het initiatief hiertoe was genomen door verschillende werknemers van de RDM, die het stuk eerder in Engeland of in Caux gezien hadden en zichzelf erin herkenden. Een van hen was Piet Dinkelaar, voorzitter van de personeelsvereniging. Zijn vrouw Toni was enthousiast lid van de toneelgroep. Andere Nederlanders speelden in het toneelstuk De Baas (The Boss) van de Britse journalist en schrijver Peter Howard dat ook in kleine ruimten gespeeld kon worden. Een van die privé-voorstellingen in het huis van MH in Wassenaar [14] werd bijgewoond door de toenmalige minister-president Willem Drees en zijn echtgenote. In het stuk komt ter sprake dat de directeur geen andere weg ziet dan het ontslag van duizend werknemers. Aan het eind van het stuk zegt deze directeur dat hij zich zal inspannen om een andere oplossing te vinden en dat hij daarover met de regering wil gaan overleggen. Iets wat in die tijd niet voor de hand lag. Drees zei na afloop dat hij het stuk met belangstelling had gevolgd, maar dat het wel typisch Amerikaanse toestanden waren. Het ontslag van duizend mensen zou in het naoorlogse Nederland beslist niet meer mogelijk zijn. Veel later zou blijken dat ook Europa met zulke problemen te kampen zou krijgen. De Baas werd als hoorspel door de AVRO-radio uitgezonden.
Het verdwijnende eiland
De manier waarop de boodschap in musicals en toneelstukken werd gebracht sprak vooral ook jongeren aan. Een toneelstuk kon iemands leven een andere richting geven. Dit was de ervaring van Annejet Philips, dochter van Frits en Sylvia Philips. Zij was als 20-jarige in 1954 enigszins tegen haar zin naar Caux gekomen op weg naar Parijs in verband met haar carrière als modeontwerpster. Op de laatste avond van haar verblijf werd We are tomorrow (Wij zijn morgen) opgevoerd. Het stuk, geschreven door Peter Howard begin jaren vijftig, speelt in een Engelse universiteit. Een stel studenten wordt voor de keuze gesteld op te komen voor vrijheid van geweten met gevaar voor eigen leven, of zich gedeisd te houden en zo de weg te banen voor een dictatuur. Dit stuk maakte diepe indruk op haar. Zij kon zich de bezettingstijd nog goed herinneren, toen eerst haar vader en later haar moeder gevangen waren gezet. De keuze drong zich aan haar op: ' Wil ik later alles verliezen in een wereld die ik niet wil, of ben ik bereid nu alles te geven voor een toekomst die ik wèl wil?' Na een innerlijke strijd besloot zij voor het laatste. Zij maakte schoon schip in haar leven, liet Parijs liggen en nam de uitnodiging aan om in Amerika mee te werken aan de kostuums voor de nieuwe musical The Vanishing Island (Het verdwijnende eiland) [15]. Dit stuk, dat in 1956 in Nederland opgevoerd werd met een schriftelijke vertaling, is een wervelende musical van Peter Howard over het welvarende eiland Eiluph'mei ( I love me) dat bedreigd wordt door het relatief arme dictatoriaal geregeerde land Weiheit'tiu (We hate you). De leider van dit land spreekt een vloek uit: deel jullie rijkdom met ons of we laten jullie eiland verdwijnen. En inderdaad, men ziet hoe het eiland langzaam begint te verdwijnen! Uiteindelijk is het de eerlijkheid en nederigheid van de koning van Eiluph'mei die zijn benarde landgenoten voorgaat in het inzicht dat zij moeten veranderen, wat ook hun belagers doet inzien dat niet alleen hebzucht, maar ook haat een struikelblok is voor de opbouw van een rechtvaardiger wereld. Met een gezelschap van tweehonderdvijftig mensen en begeleid door politici uit diverse landen, de zogeheten Statesmen’s Mission (in elf landen was het gezelschap uitgenodigd door de regering), trok dit stuk in 1955/56 door Azië, Afrika en Europa. Dit vereiste een ongelooflijke organisatie. Ton Philips, toen 22 jaar, werkte achter het toneel. Hij was een natuurkundestudie in Delft begonnen met het idee daarna in het bedrijf van zijn vader te gaan werken en daar de ideeën van Morele Herbewapening toe te passen, vooral op het gebied van werkgever-werknemer relaties, zodat Philips daarmee een positieve uitstraling zou hebben. Maar na drie jaar was hij gaan twijfelen. De abstractie van natuurkunde interesseerde hem eigenlijk weinig. En zou tegen de tijd dat hij zover was, dat hij invloed had op de gang van zaken bij Philips, het bedrijf nog wel bestaan? Zo reëel was de dreiging van het communisme. Toen hij in de zomer van 1954 in Caux was, kwam hij tot dezelfde conclusie als zijn zus Annejet en besloot hij fulltime met MH te gaan werken. Achteraf vraagt hij zich af of hij niet beter had kunnen overstappen naar de meer concrete studie werktuigbouwkunde en dan toch als ingenieur bij Philips gaan werken. ‘Dan had ik misschien meer kunnen doen met mijn leven,’zegt hij nu. Maar in die tijd was het gevoel van urgentie zo groot, dat fulltime werken met MH de beste optie leek. En jongelui werden door de leiding van MH ook niet aangemoedigd liever hun studie af te maken. Als lid van de groep van decorbouwers en toneelknechten van de Vanishing Island reisde Ton Philips van juni tot en met juli 1955 door de VS en Azië. ‘In de periode dat ik meereisde gaven wij voorstellingen in Washington, Los Angeles, Hawaï, Japan, de Filippijnen, Thailand, Birma, Sri Lanka en India. We waren soms maar een paar dagen in een land,’ vertelt hij. ‘De hele laadruimte van een vliegtuig zat vol decors en andere toneelbenodigdheden. Het opbouwen en afbreken van het toneel en dan weer inladen naar het volgende land, was keihard werk. Het doel was om met dit toneelstuk aan de landen te zeggen: Je hoeft niet te kiezen tussen de VS en Rusland, er is een derde weg. Na de voorstellingen spraken ervaringsdeskundigen, zoals bijvoorbeeld een Tunesische politiek leider, die vertelde hoe zijn land zonder bloedvergieten onafhankelijk geworden was. Het geheel stond onder leiding van Peter Howard die contacten had met al die regeringsleiders. Overal waren we de gast van de regering.’ Ton Philips herinnert zich een bijzonder moment, toen een aantal Japanse senatoren na een voorstelling in Manilla excuses aanbood voor het Japanse oorlogsverleden [16].
Twee weken werden negen jaar
Ook Joty van Os zette alles opzij om mee te werken met de musicals van MH. In 1951 was zij met haar doctoraal Indisch Recht op zak als au pair in Parijs aangekomen, waar ze in contact kwam met Morele Herbewapening. Ze was geboren in het toenmalige Nederlands-Indië en had als Indische Nederlander tijdens de Tweede Wereldoorlog drie jaar in een Japans interneringskamp gezeten. Op eigen gelegenheid was ze daarna naar Nederland gekomen. Ze betaalde voor haar overtocht door op het repatriëringschip de Johan van Oldenbarneveld te werken. Met een renteloos voorschot van het ministerie van Onderwijs kon ze studeren. De ontmoeting in Parijs met het idee ‘Verander de wereld en begin bij jezelf’ betekende voor Joty het antwoord op vele vragen die ze meedroeg na drie jaar concentratiekamp. Ze kreeg hoop dat de neergaande spiraal van wantrouwen en macht die altijd uitmondt in conflict en oorlog, naar boven kan worden bijgesteld. ‘Ik was 24’, zegt ze, ‘ik wilde dat geloven, het betekende hoop en vertrouwen in een nieuwe toekomst.’ Joty ging daarop voor twee weken naar Caux. Daar trof ze de wereld aan. Wat ze bijzonder vond, was dat mensen van allerlei rangen, standen, rassen en klassen vrijuit spraken over persoonlijke zaken. Ze ontdekte dat sommige mooie, lelijke en verdrietige ervaringen ook door anderen werden meegedragen. Eerlijkheid was het geheim dat een vrij mens van je kon maken. De twee weken in Caux werden negen jaar. Joty werd gevraagd mee te helpen met de theaterstukken en films, die in die jaren in razend tempo geproduceerd werden. Het enthousiasme van vooral jongeren uit de hele wereld om hieraan mee te werken was overweldigend. Zo vloog zij met tweehonderd mensen uit vijfendertig landen het jaar daarop naar Azië om daar in de net onafhankelijk geworden landen als India, Ceylon en Pakistan toneelstukken en musicals, waaronder Jotham Valley en The Forgotten Factor, op te voeren. Jotham Valley was een musical gebaseerd op een waar gebeurd verhaal uit het westen van de VS over twee broers die in conflict waren over water in hun droge dal. Een conflict dat door verzoening werd opgelost. In 1955 schreven Afrikanen in Caux een toneelstuk getiteld Freedom, waarvan de boodschap was dat het niet alleen gaat om vrijheid van vreemde overheersers, maar ook om vrijheid van rivaliteit en corruptie. Joty hielp met de opvoering ervan in Caux en reisde later met het stuk door Amerika. Er is een film van gemaakt, en later een video, die nog steeds vertoond wordt in Afrika en Zuid-Amerika en nog niet z’n actualiteit verloren heeft [17]. Aan het eind van de negen jaar, waarvan ze vier jaar in de VS werkte, begon het feit dat ze al die jaren helemaal geen privacy gehad had, aan haar te knagen. Het gevoel werd sterker dat ze geleefd werd door de groep, door de ideologie en geen ruimte had gehad zich te ontplooien. Terugkijkend ziet ze dat mensen aan de leiband gingen lopen van diegenen, die in hun ogen de leiders waren. Bovendien drukte de koude oorlog een steeds groter stempel op Morele Herbewapening, dat immers het antwoord had op het voortschrijdend communisme. Althans zo dacht men toen. In de begin jaren zestig merkte zij dat er verwarring heerste in het team waarmee ze toen in Washington werkte. Er was een duidelijke richtingenstrijd uitgebroken, die uiteindelijk heeft geleid tot een scheuring tussen het Amerikaanse en Europese ( vooral Engelse) team van Morele Herbewapening. Er werden zondebokken gezocht. Joty begeleidde het nichtje van de toenmalige President Diem van Vietnam en een andere jonge vrouw uit het toenmalige Formosa. Toen beide dames besloten MH te laten voor wat het was en te gaan studeren aan een Amerikaanse universiteit, werd Joty daarvoor verantwoordelijk gesteld en werd ze gevraagd naar Nederland terug te keren. De negen jaar kwam zo tot een abrupt eind. Desalniettemin kijkt ze met grote dankbaarheid terug op die tijd. ‘Het was een nooit te vergeten levensles. En dan niet te vergeten,’schrijft Joty, ‘de vriendschappen daar gesmeed die de jaren hebben overleefd’ [18].
In het bedrijfsleven
In die naoorlogse jaren gingen veel werknemers van verschillende bedrijven naar het Zwitserse Caux. Voor hen was deze internationale reis een nieuwe ervaring. Het betrof vooral mensen uit de Rotterdamse scheepsbouw en haven, maar ook uit de Hoogovens in IJmuiden, Philips in Eindhoven, de KLM, de NS en de Limburgse mijnen. Vaak waren het mensen die actief waren in de vakbeweging, maar er kwamen ook personen uit het middenkader en de directie. Met name de groep Rotterdamse haven- en scheepsbouwarbeiders trad op de voorgrond [19]. Een van hen was de Rotterdamse kraanmachinist Jan van Komen. Na zijn ontmoeting met MH kreeg hij de overtuiging dat de kraanmachinisten zich moesten verenigen als aparte groep, die zijn stem kon laten horen binnen de vakbond NVV. Deze groep is tot stand gekomen en had zijn eigen inbreng in de CAO-onderhandelingen. Hij trok er op uit, niet alleen naar het conferentiecentrum van MH in Caux, maar ook naar collega’s in andere havens om bij te dragen aan betere verhoudingen in de havens. Evert Kupers, voorzitter van het NVV (voorloper van het FNV), nam in 1950 deel aan een conferentie in Caux. Hij schreef het voorwoord in een brochure over de internationale arbeidersbeweging en MH, getiteld World Labour and Caux. Hierin schrijft hij dat Caux een gevoel van geestelijke stabiliteit kan geven aan een verdeelde wereld [20]. In 1951 hield hij voor de VPRO-radio een toespraak van 20 minuten waarin hij een beeld schetste van Morele Herbewapening en haar verhouding tot de vakbeweging. ‘Morele Herbewapening en de vakbeweging zijn beide voor een revolutionaire verandering’, zei hij. ‘Door MH gaan werkgevers hun arbeiders meer als medewerkers zien dan als ondergeschikten, en arbeiders gaan zich meer verantwoordelijk voelen voor het bedrijf’ [21]. In Limburg waren er contacten met de Katholieke Mijnwerkersbond van Frans Dohmen (de voorzitter) en zijn medewerkers. Dohmen ging naar Engeland om een voorstelling van The Forgotten Factor bij te wonen en te overleggen met Britse mijnwerkers. Hij was bereid mee te werken aan de sluiting van de Limburgse mijnen zoals o.a. Joop den Uyl, toen minister van Economische Zaken, voorstelde, maar eiste dat er dan nieuwe werkgelegenheid moest komen en dat de sociale gevolgen voor de mijnwerkers en hun gezinnen zouden worden opgevangen. Hetgeen ook inderdaad is gebeurd. Cor de Pous, die we in hoofdstuk 1 al tegenkwamen, ging in 1951 werken in de betonfabriek de Meteoor in Rheden. Hij wilde daardoor ook meer betrokken raken bij de arbeidersbeweging. Vier jaar eerder was hij met zijn gezin naar De Steeg verhuisd. In dit dorpje, gelegen aan de Veluwezoom, stond het huis Rhederoord, waar de Oxfordgroep in Nederland begonnen was. Na de oorlog waren er plannen om dit huis en het bijbehorende koetshuis, waar al veel activiteiten van MH plaatsvonden, te gaan gebruiken als conferentiecentrum. Met het oog hierop besloten Cor en Sijtje de Pous, met hun gezin van inmiddels vier kinderen, Aalsmeer te verlaten en zich in een huis op het landgoed Rhederoord te vestigen. Cor de Pous kreeg er een baan als tuinman. Hij hoopte in zijn vrije tijd mee te kunnen werken aan de opbouw van het geplande centrum. De plannen voor het conferentieoord liepen echter op niets uit. Na vier jaar verplaatste hij zijn stiel naar de betonfabriek, waarvan hij de directeur kende. Door zijn toedoen stuurde ook de Meteoor delegaties arbeiders naar Caux. Het verhaal van Cor en Sijtje de Pous laat zien hoe betrokkenheid bij Morele Herbewapening alle standen- of klassenverschillen doorbrak. Het echtpaar had zowel goed persoonlijk contact met arbeiders als met directeuren. Mensen vonden in hun huis in De Steeg altijd een gewillig oor. Na vier jaar raadde Marinus Ruppert, de toenmalige voorzitter van het CNV, Cor de Pous aan te solliciteren als districtbestuurder van het CNV. Die baan kreeg hij en zijn ervaringen bij de betonfabriek kwamen hem daarbij goed van pas. Het echtpaar De Pous was hun getrouwde leven begonnen met het motto: Zoek eerst Gods koninkrijk en al het andere zal u bovendien geschonken worden. Terwijl broers en zusters goedlopende bloemenkwekerijen hadden, vonden Cor en Sijtje de Pous andere dingen belangrijker dan geld verdienen. Dit betekende wel dat het vooral in de beginjaren, vóór de baan bij het CNV, voor het gezin met inmiddels zes kinderen moeilijk was om rond te komen. Gelukkig was Sijtje de Pous heel creatief met naald en draad en maakte ze de mooiste kleren van de vele tweedehandsjes die ze kreeg. Geld voor speelgoed was er nauwelijks, maar de kinderen maakten hun eigen speelgoed en hadden een heel bos tot hun beschikking. Cor en Sijtje de Pous hadden nooit een eigen carrière nagestreefd, maar toen enkele van hun kinderen besloten ook geen carrière te maken om fulltime met Morele Herbewapening te gaan werken, waren ze in eerste instantie teleurgesteld. Ze waren wat trots op hun goed lerende kinderen voor wie een academische loopbaan leek te zijn weggelegd. Hun diepste gevoel was echter achter de beslissingen van de kinderen te staan [22].
De universiteiten
Ook aan de universiteiten en in de NCSV (Nederlands Christen Studenten Vereniging) bestond belangstelling voor Morele Herbewapening. Studenten van de universiteiten van Amsterdam, Delft (TH), Leiden en Utrecht gingen in deze jaren regelmatig naar de conferenties in Caux, die mede interessant waren vanwege de internationale contacten die je er kon leggen. Uit Leiden lieten zowel ‘kroegtijgers’ uit Sociëteit Minerva als leden van de katholieke vereniging Augustinus en van de gereformeerde studentenvereniging SSR zich in Caux zien. Voor sommige studenten was dit een korte kennismaking. Voor anderen leidde dit tot persoonlijke veranderingen en een actieve inzet in het kader van MH die soms een leven lang zou duren. Tony Roodvoets, die in die tijd medicijnen studeerde in Utrecht schreef hier later over: ‘In 1949 nam een aantal leden van de Senatenvergadering (waarin de besturen van de studentencorpora overlegden) deel aan de zomerconferentie te Caux. Op sommigen maakte dit zoveel indruk dat zij de gehoorde ideeën actief gingen propageren. Een door Frank Buchman geadviseerde aanpak was om de moeilijkste persoon te benaderen. Dat was in dit geval zonder twijfel de rector van de Utrechtse Senatus Veteranorum (de voorzitter van het Utrechtse studentencorps), een student theologie. De praeses collegii (voorzitter van het Leids studentencorps) en een lid van de Amsterdamse senaat (bestuur van het Amsterdamse studentencorps) togen daarom prompt na terugkeer naar Utrecht om hem voor het staartje van de conferentie in Caux uit te nodigen. Zelf was hij verhinderd, maar, enigszins verbaasd over deze ‘bekeringen’, wees hij een redacteur van het Utrechtse studentenblad Vox Studiosorum aan om in zijn plaats te gaan. Het motief om naar Caux te gaan was aanvankelijk vaak oppervlakkig – het was voor de meeste studenten in die tijd de eerste kans om een internationale conferentie bij te wonen. Toch leidde de kennismaking soms tot ingrijpende ervaringen. Een en ander vloeide voort uit het besef dat de gewone mens door zijn opvattingen en zijn dagelijks handelen, vele malen vermenigvuldigd, bepalend is voor de gang van zaken in de wereld’ [23]. In die tijd studeerde Bas Woltjer theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1950/51 was hij rector van het studentencorps. In die hoedanigheid was hij ook lid van de Nederlandse Studentenraad. Een paar leden van deze raad, die in Caux waren geweest, besloten de hele studentenraad uit te nodigen. Woltjer vertelt dat hij met een zeker wantrouwen naar Caux ging. Is MH niet een ontsporing, was de gedachte die bij hem en zijn medestudenten leefde. Maar Caux maakte indruk, vooral door de toneelstukken van Peter Howard. Dit is de verbinding tussen je praktische leven en je geloof, dacht Woltjer. Toen hij terugkwam in Amsterdam meldde hij zich bij het meubelmagazijn Eden van Jan Bijl – een van de trefpunten van Morele Herbewapening in Amsterdam in de jaren vijftig. Jan Bijl werkte daar samen onder andere met zijn zwager Bert Wolvekamp en met Kees Tolk, een toegewijd lid van team van MH, die vele bijeenkomsten opvrolijkte met zijn geestige zelfgeschreven liedjes en sketches. Ze probeerden vanuit de beginselen van MH de zaak op te bouwen. De medewerkers van Eden die dat wilden, begonnen hun werkdag met samen te komen en hun gedachten uit hun stille tijd te delen. Bas Woltjer was daar geregeld bij [24].
Over de grenzen van sociale klassen heen
De inzet voor MH beperkte zich niet tot het studentenleven. Studenten, toen meer dan nu voor het merendeel afkomstig uit de zogenaamde hogere kringen in de maatschappij, kwamen voor het eerst van hun leven over de vloer bij arbeidersgezinnen. Ook voor hen was een dergelijk bezoek een nieuwe ervaring. Vele van de arbeiders die op deze manier in contact kwamen met MH waren actief in de vakbeweging en links tot zeer links. Onder hen waren ook aanhangers van het communisme. Het waren vruchtbare kennismakingen die wederzijds een beter besef gaven van elkaars omstandigheden en gedachten. Bas Woltjer herinnert zich de bezoeken die hij met een groep studenten bracht aan werknemers bij de Hoogovens. Het doel was op deze manier een antwoord te geven op de klassenstrijd [25]. Toen Age van Randen in 1950 als student in Delft aankwam was dat voor hem een hernieuwde kennismaking met Morele Herbewapening. Op de middelbare school in Leeuwarden was hij er al mee in aanraking gekomen door het boek Ideeën hebben benen van de Engelse journalist en latere leider van MH Peter Howard [26]. Dit populaire boek, in Nederland beleefde het drie drukken, deed de ronde op zijn school. Het sprak hem aan, omdat het hem, komend uit een socialistisch nest en sociaal bewogen als hij was, enthousiast maakte mee te werken aan een betere wereld. Op bijeenkomsten bij de familie Van der Veen in Leeuwarden werd de kennismaking met MH verdiept. In Delft kwam hij door medestudent Ton Philips opnieuw in aanraking met MH. Voor Van Randen, die altijd fel tegen de heersende klasse was geweest, betekende de ontmoeting met de zoon van een top industrieel een doorbraak. Het zijn ook gewone mensen, ontdekte hij. Mensen die net als hij bereid waren zich in te zetten voor de nodige verandering in de maatschappij. Er was een actieve groep studenten in Delft die bijeenkomsten organiseerde en bezoeken bracht aan de havenarbeiders in Rotterdam. De groep kwam geregeld bijeen bij professor Henk Dorgelo thuis om stille tijd te houden en de gedachten met elkaar te delen. Zijn dochter Ineke, die later met Age van Randen trouwde, herinnert zich dat haar vader altijd bezig was met mensen, hij wilde een goede atmosfeer creëren waar hij was en vond de zorg voor mensen minstens zo belangrijk als het doceren van zijn vak natuurkunde. De hoogleraar aan de Technische Universiteit in Delft (toen nog Technische Hogeschool genoemd) was een van de deelnemers aan het overleg te Interlaken geweest, waar het besluit werd genomen het conferentiecentrum te Caux te starten. In 1955 werd Dorgelo door de regering gevraagd de eerste rector magnificus van de nieuwe Technische Universiteit (toen ook nog Hogeschool genoemd) in Eindhoven te worden. Bij zijn overlijden in maart 1961 wijdde Diskus, het officiële orgaan van het Eindhovens studentencorps, een speciaal herdenkingsnummer aan hem waarin zijn verdiensten en toewijding voor de TH, als eerste rector magnificus, en zijn overtuiging voor MH werden geschetst [27]. Over de grenzen van sociale klassen heen werd dus samengewerkt bij acties en in toneelstukken. Ook werden in deze jaren contacten gelegd met in ons land studerende buitenlanders uit Indonesië, het Midden-Oosten en Suriname. Lid van het studententeam was bijvoorbeeld de latere minister-president van Suriname Jules Sedney. In de jaren vijftig maakten studenten uit het Schotse Edinburgh met een toneelstuk een tournee door Nederland. Zij voerden het toneelstuk We are Tomorrow op. De Schotten speelden ook een rugbywedstrijd tegen een team van Delftse studenten (die de Schotten wonnen). De gesprekken met deze groep vormden voor Nederlandse studenten soms een uitdaging. Een student die zich zeer negatief en oppositioneel uitgelaten had, vertelde enkele dagen later dat het gesprek voor hem aanleiding was geweest om gehoor te geven aan een door hem reeds langer gevoelde priesterroeping, waartegen hij zich tot nu toe had verzet [28]. Waar hielden de mensen die bij Morele Herbewapening betrokken waren zich in de naoorlogse periode mee bezig? Wat trok hun belangstelling en wat waren hun prioriteiten? Het valt op dat zij zich allereerst deel voelden van een internationale actie, van een wereldomvattende zaak. Dat valt aan de ene kant te verklaren uit het doel van MH: herbouw van de wereld, verandering van de wereld, maar zeker ook uit de nog recente ervaringen uit de oorlog waarin strijd geleverd werd op een wereldfront. Men ondernam dus wel allerlei activiteiten op het lokale en nationale vlak, maar probeerde dit zoveel mogelijk in een internationaal kader te plaatsen en mensen uit andere landen en werelddelen erbij te betrekken. Ook was men bereid eigen plannen opzij te zetten om buiten Nederland, zowel in Europa als in andere continenten, aan conferenties en andere activiteiten deel te nemen wanneer men daarvoor werd gevraagd. Er waren onderwerpen die speciaal de aandacht vroegen omdat ze in die jaren in verband met de wederopbouw, o.a. het Marshall Plan en de defensie, een belangrijke rol speelden. Het waren vaak ook terreinen waarop de communistische partijen, aangevuurd door het Kremlin, probeerden vaste voet aan de grond te krijgen, bijvoorbeeld de havens, de steenkoolmijnen en staalbedrijven, maar ook de universiteiten. Verder was er de vraag hoe de naoorlogse betrekkingen met Duitsland en die met onze vroegere koloniën zich zouden ontwikkelen.
In het leger
De internationale actie strekte zich ook uit tot het leger. In 1950 hadden twee generaals uit Frankrijk samen met hoge officieren uit andere landen een conferentie in Caux georganiseerd voor ruim honderd vertegenwoordigers van de strijdkrachten uit de vrije wereld. De militairen concludeerden dat ze door deze conferentie een beter begrip gekregen hadden van de aard en reikwijdte van de ideologische strijd. De koude oorlog moest gewonnen worden in de havens, in de fabrieken en in de mijnen. Men besloot samen te werken op dit front en was de overtuiging toegedaan dat de ideologie van Morele Herbewapening de verenigende kracht was om een antwoord te geven op het militante materialisme. De Nederlandse Generaal Kruls haalt de conclusies van deze conferentie aan in zijn boek Vrede of Oorlog. ‘Morele Herbewapening’, schrijft hij, ‘wil ons de gezamenlijke ideologie geven om sterk te staan tegenover een wereld die zich het communisme als ideologie zag opgelegd. Door vele leiders der strijdkrachten is zij gezien als de beweging die het Westen naast zijn militaire een ideologische paraatheid kan verschaffen, die het een sterke positie verzekert in de oorlog der ideeën’ [29]. Om de ‘ideologie’ van Morele Herbewapening ook in het leger te laten doordringen hadden militairen in Caux een trainingscursus ontwikkeld. Al tijdens de oorlog was deze cursus gegeven aan eenheden in de legers van de Verenigde Staten en Engeland. In Nederland heeft Dick van Tetterode geprobeerd die trainingscursussen voor het leger te organiseren. Na zijn studie medicijnen vervulde hij zijn dienstplicht als officier van gezondheid en was gedurende het laatste jaar daarvan kapitein-adjudant van generaal Wilkens. Deze functie had hij door een samenloop van omstandigheden gekregen. Annie Hoogendoorn, die zich actief inzette voor MH, werkte als militair geneeskundige in het militair hospitaal in Utrecht. Voordien was zij daar als docente werkzaam geweest. De manier waarop zij haar werk deed trok de aandacht van generaal Wilkens. Als stafmedewerkster vroeg hij haar of ze iemand wist die zich even enthousiast inzette voor het leger als zij. Hij zocht namelijk iemand voor de functie van kapitein-adjudant. Zij noemde de naam van Van Tetterode. Tijdens een eerdere functie als officier van gezondheid bij het regiment Grenadiers en Jagers in Amersfoort, bewerkte hij samen met majoor Van Rhede, die werkzaam was bij de landmacht in Den Haag, de bovengenoemde cursus ‘Ideologische Paraatheid’ voor de Nederlandse strijdkrachten. De commandant van het regiment vroeg hem een proeve van de cursus voor zijn officieren te geven. Daarna adviseerde hij hem contact op te nemen met de overste Koning, commandant van de opleidingsschool voor onderofficieren op de Veluwe. Deze nodigde Van Rhede en Van Tetterode uit de cursus voor de onderofficieren-in-opleiding te geven. Kort daarop kwam de officier van gezondheid Johan Oosters terug in Nederland na zijn diensttijd in Indonesië. Vanaf hun studietijd waren Van Tetterode en hij door hun inzet voor MH goede vrienden. Zij hebben toen samen getracht de cursus als onderdeel van het scholingsprogramma in de strijdkrachten te laten opnemen. Ze werden uitgenodigd dit plan toe te lichten voor een commissie waarin ook de hoofden van de geestelijke verzorging zitting hadden. Enige van hen bleken theologische bezwaren te hebben. Een daarvan was dat er in de cursus in te vage termen over God werd gesproken. Een overste, ook lid van de commissie, stelde de twee officieren voor over de cursus te spreken met de chef van de Generale Staf, generaal Kruls. Deze vroeg hen hierover een uiteenzetting te geven op de jaarlijkse bijeenkomst die de Generale Staf voor alle topofficieren van de strijdkrachten organiseerde. Dit is niet doorgegaan, doordat er onenigheid ontstond tussen Generaal Kruls en de minister van Defensie, wat resulteerde in het ontslag van de generaal. Spoedig daarna verlieten Oosters en Van Tetterode het leger, omdat hun dienstperiode ten einde was gekomen [30]. Annie Hoogendoorn werd later aan de staf van generaal Wilkens toegevoegd als verantwoordelijke voor de verpleegopleidingen. Ook zij probeerde wat zij geleerd had in MH door te geven in het leger, in termen die mensen konden begrijpen, zegt ze zelf. Het contact met MH had haar manier van werken veranderd. Ze durfde zich, ook tegenover meerderen, onafhankelijk op te stellen en te zeggen wat ze dacht [31]. Er waren dus mensen die positief stonden tegenover de plannen om het leger een ideologie te geven, maar er was ook kritiek. De hierboven genoemde kritiek bijvoorbeeld dat er in MH wel over God werd gesproken, maar dat men niet definieerde welke God men bedoelde. Ook was er kritiek op het woord ideologie. Voor velen had dit een negatieve klank. En het was natuurlijk nogal pretentieus om Morele Herbewapening als hét antwoord op het communisme te brengen. Waarom zou er slechts één antwoord zijn op het communisme? Was het kenmerk van de democratie juist niet dat er verschillende ideologieën, wellicht beter geformuleerd ideeën en overtuigingen, naast elkaar konden bestaan?
Ideologie en Coëxistentie
Bovenstaande actie heeft slechts een klein bereik gehad. Het initiatief eind 1959 met het manifest Ideologie en Coëxistentie daarentegen trok landelijke aandacht. Gelijktijdig met een aantal andere landen werden in Nederland huis-aan-huis 3 miljoen exemplaren van dit smalle boekje, 32 pagina’s dik, verspreid. De felle stellingname tegen elke vorm van coëxistentie met het communisme deed veel stof opwaaien en werd in de pers bekritiseerd. Maar in die tijd van de koude oorlog, toen volgens velen het communisme een reële bedreiging inhield, waren er ook veel positieve reacties op deze opstelling, o.a. in een hoofdartikel in de Volkskrant (19 december 1959). In toneelstukken die Peter Howard schreef voor Morele Herbewapening als ‘Het verdwijnende eiland’, ‘Wij zijn morgen’ en ‘De pantoffels van de dictator’, werd naar voren gebracht dat de democratie een geïnspireerde ideologie nodig had, wilde men de totalitaire ideologie van het communisme het hoofd kunnen bieden en een beter alternatief hebben voor Oost en West [32]. Sommigen beschouwden dit als anticommunisme, in die tijd lang niet voor iedereen een scheldwoord. Desgevraagd zei Joop den Uyl in een interview dat hij zich als anticommunist beschouwde en hij was niet de enige sociaal-democraat die er zo over dacht. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ‘anti’ zijn voldoende is. In de kringen van MH vond men een ideologie van geestelijke en morele verandering een betere weg dan zowel het communisme als het westerse materialisme. Ook nu weer bleek dat het begrip ideologie bij velen in het verkeerde keelgat schoot. Men was bang dat dit geen neutraal begrip was, maar een totalitaire kant had. Anderen hielden vast aan hun geloof en vonden ideologie maar een seculier of heidens begrip. Genoemde activiteiten in Nederland waren overigens maar een klein onderdeel van een wereldwijde actie waar veel mensen bij betrokken waren. Van de kant van de communisten en van hen die het communisme in bepaalde landen het voordeel van de twijfel gaven, werden deze initiatieven van MH veelal schamper bejegend en tot een karikatuur gemaakt. De CPN zag wel een grote invloed weggelegd voor ‘de zogenaamde morele herbewapening’[33]. Dat het effect zo groot is geweest als het CPN-bestuur meende, zouden mensen van MH overigens niet voor hun rekening willen nemen. Achteraf alles afwegende kan men zeggen dat het negatieve effect van het manifest waarschijnlijk groter geweest is dan het positieve.
Inspiratie vanuit de stilte
Het uitgangspunt van Morele Herbewapening was en bleef de persoonlijke verandering. Wat men verder ook op nationaal of internationaal niveau ondernam, die persoonlijke aanpak had prioriteit. ’s Morgens vroeg vóór het ontbijt nam men ruim de tijd ( men streefde naar een uur) om te luisteren naar God, naar het geweten, naar de innerlijke stem. Dit om inspiratie op te doen en ook heel concrete ideeën te vinden over hoe men in het dagelijks leven te werk moest gaan. Het was iets heel individueels waarbij de bijbel en gebed een rol konden spelen. Je kon natuurlijk ook op andere momenten van de dag stille tijd houden, maar de tijd ’s morgens was het begin. Men nam tijd de op papier opgeschreven gedachten met elkaar te bespreken en te proberen op één lijn te komen om ook samen als ‘team’ iets te ondernemen. Stille tijd houden was dus aan de ene kant iets heel individueels, maar het kon ook iets zijn dat je als groep deed. We hebben bijvoorbeeld gezien dat Delftse studenten samen met hun professor stille tijd hielden. Dit is ook de ervaring van Pauline van der Zee-Lugard. Ze zat in Eindhoven op de meisjesschool op algemeen christelijke grondslag, die na de oorlog door Sylvia Philips-van Lennep opgericht was. De directrice Ina van Santen had van Sylvia Philips de kans gekregen naar de VS te gaan om daar nieuwe onderwijsmethodes te bestuderen. Ze eindigde op een conferentie van MH, waar ze een persoonlijke verandering doormaakte. Zodoende kon ze niet alleen niet alleen moderne onderwijsmethodes op school introduceren, maar wist ze ook de meisjes hoop voor de toekomst te geven. En dat was in die jaren vlak na de oorlog echt nodig, vertelt Pauline van der Zee. Ze had het gevoel achter een muur te zitten. Maar op de dag dat Ina van Santen een bijeenkomst organiseerde over de vraag ‘Is wereldvrede mogelijk?’, gingen voor mij de ramen open, zegt ze. Met een groepje leerlingen hield ze samen stille tijd [34]. Ook in gezinnen hield men samen stille tijd, zo blijkt uit meerdere interviews. Daartoe kwam men dan voor het ontbijt bij elkaar. Inspiratie uit de stille tijd kon richtingbepalende gevolgen hebben. Het bracht Age van Randen als beginnend architect bijvoorbeeld ertoe de minder lucratieve richting van de volkshuisvesting te kiezen. ‘Ik wilde doen wat juist is, en niet waar je het meeste geld mee verdient’, zegt hij. Er was in die tijd, rond 1963, een enorme woningnood. Er moesten honderdvijftigduizend woningen per jaar gebouwd worden. Hij was de overtuiging toegedaan dat ook in de sociale woningbouw mensen inspraak moesten kunnen hebben. Hoe de discrepantie op te lossen tussen de pretentie van de inspraak en de eenvormigheid die de productie voorschreef, was een vraag die hem bleef bezig houden. Het was ook het onderwerp op grond waarvan hij in 1973 hoogleraar in Delft werd. Hij was mede initiatiefnemer voor de oprichting van de Stichting Open Bouwen in 1983. Het huidige IFD-programma (industrieel, flexibel en demontabel bouwen) van de Stichting Experimenten Volkshuisvesting (SEV) is daar een voortzetting van [35]. Uit dit voorbeeld blijkt dat stille tijd houden niet iets vaags of verhevens was, maar een heel duidelijke maatschappelijk betrokken invulling kon hebben. Het doel was immers een betere, meer rechtvaardige wereld. In veel plaatsen in Nederland waren er teams ontstaan. Het waren een soort actiegroepen voordat dit woord in omloop kwam. Er was geen bestuur, geen formeel lidmaatschap, het was een manier van leven, vrijwilligerswerk, maar met een hoge prioriteit en een flinke inzet. Behalve de mensen die dit in en naast hun baan deden, was er een vijftiental, vooral jonge mensen, dat zich fulltime, ongesalarieerd beschikbaar stelde om allerlei taken te vervullen waarvoor de anderen te weinig tijd hadden.
Noten
[1] Battle together for Britain en You can defend America.
[2] Citaat uit de 5e gewijzigde druk.
[3] Uit Nederland kwamen pater Frits van der Meer (lector en later hoogleraar van de Katholieke Universiteit van Nijmegen) en Bert Wolvekamp. Iets later voegden zich bij hen: G. Berkhof van de Staatsmijnen, Rien Deenen , ook werkzaam bij de mijnen in Limburg, Nico Halbertsma en Leen de Wit, respectievelijk staflid en productiemedewerker van Philips in Eindhoven.
[4] Deze reis van het echtpaar Mottu, waar Duitse toestemming voor nodig was, werd mogelijk door de hulp van Adam von Trott, hoge ambtenaar van het Duitse regime en tegelijkertijd een leidende verzetsman. Via Philippe Mottu wilden Von Trott en de zijnen geheime informatie over hun voorbereidingen voor de straatsgreep aan Washington doorgeven. Helaas waren de gesprekken met de Amerikanen pijnlijk, zegt Mottu. President Roosevelt geloofde niet dat er een Duitse oppositie tegen Hilter was. De geheime informatie die Mottu doorgaf werd niet serieus genomen. ‘De Amerikanen waren de gevangene van hun eigen propaganda en beschouwden alle Duitsers als nazi’s.’ Na de mislukte aanslag op Hitler werden Von Trott en zijn medestanders ter dood veroordeeld en opgehangen. (Uit ‘Caux is the place’, lezing van Philippe Mottu, ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van Mountain House in Caux op 30 juni 1996.)
[5] Onder hen Bert Wolvekamp en zijn vrouw Biny, de Delftse hoogleraar Henk Dorgelo en zijn vrouw Herna, De Friese gedeputeerde Dirk de Loor en zijn vrouw Josien.
[6] Uit een tot dusver ongepubliceerd manuscript van Andrew Stallybrass getiteld ‘The Caux palace – witness to a century’. Mottu hield Buchman per brief op de hoogte van de ontwikkelingen. Voor zijn manuscript putte Stallybrass uit de correspondentie van Mottu aan Buchman.
[7] Zoon van Johannes de Boer.
[8] De gegevens in het stuk ‘Zwitsers initiatief’ komen uit ‘Caux is the place’, lezing van Philippe Mottu, ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van Mountain House in Caux op 30 juni 1996. En uit ‘The old lady on the mountain – 50 years of Mountain House at the service of the world’, lezing Andrew Stallybrass in Caux op 21 augustus 1995.
[9] Het is niet duidelijk of deze Duitsers er al waren, toen Frank Buchman zijn vraag stelde, of dat ze nog onderweg waren. Wel staat vast dat de vraag niet voor iedereen een nieuw idee was en dat de Zwitsers al voorbereidingen hadden getroffen voor de komst van Duitsers uit de Franse zone.
[10] Het was de Franse bisschop Sturm, aalmoezenier van het Franse leger in Duitsland die de vier hielp toestemming te krijgen het land te verlaten. De vier waren: dr. Siegfried Ernst en zijn vrouw, dominee Eberhard Stammler en dr. Erich Winter. Uit ‘Mit Gott im Rückspiegel’ door Siegfried Ernst, Gerhard Hess Verlag, Ulm 1998.
[11] Informatie via een e-mail op 30 mei 2005 van Pierre Spoerri, die een goede vriend van wijlen Hans Stroh was. En van Waltraut Stroh (op 5 juli 2005), dochter van Hans Stroh. Zij werkt als studentenpredikant in Den Haag en getrouwd is met een Nederlandse predikant.
[12] Zie noot 8. En ‘The Caux palace – witness to a century’ door Andrew Stallybrass.
[13] Zie E. Luttwak in Religion, the Missing Dimension of Statecraft, Oxford University Press, 1994, p.37-57. In hoofdstuk 12 ga ik hier verder op in.
[14] Het huis in Wassenaar waar Charlotte van Beuningen vanaf 1948 woonde, werd gebruikt voor de activiteiten van MH. In 1955 gaf ze het huis aan Morele Herbewapening.
[15] Annejet trouwde in 1957 met de Canadees Paul Campbell, internist en sinds 1943 arts en naaste medewerker van Frank Buchman. Hij overleed in 1995. Van haar hand verschenen twee boekjes Listen to the Children (Open Oor voor de Kinderen) en Listen for a change. Beide bevatten vaak ontroerende ervaringen van eerlijkheid en verandering van ouders en grootouders en, in het laatste boek, van echtparen.
[16] Interview met Ton Philips op 3 juni 2005.
[17] De film Freedom werd ook in het Swahili nagesynchroniseerd, de taal die gesproken wordt in oostelijk Afrika. Ton Philips reisde in 1962 en 1963 met deze film, vlak voor de onafhankelijkheid, in Kenia rond samen met zwarte en blanke Kenianen. De brede vertoning van deze film heeft er, aldus Philips, toe bijgedragen dat elkaar bestrijdende partijen zich met elkaar verzoenden en de onafhankelijkheid op vreedzame wijze tot stand kwam. Deze geschiedenis is beschreven door Inge Bryan in ‘De Rol van Morele Herbewapening in de overgang van kolonie naar republiek in Kenia (1960-1963)’, doctoraal scriptie Algemene Geschiedenis Universiteit Leiden, 30 augustus 1999.
[18] Uit twee brieven van Joty ter Kulve-van Os, oktober 2000. Op de richtingenstrijd kom ik in hoofdstuk 6 terug.
[19] Om enkele namen te noemen: Piet Dinkelaar, Jan van Komen, Henk van Nieuwkerken, Cees Rigters, Evert van der Schee, Marinus Streefkerk, Jan Vlot.
[20] De tekst van dit voorwoord is ook te vinden in Peter Howard, The world rebuilt, Duell, Sloan and Pearce, New York, 1951.
[21] Morele Herbewapening - radiorede door Evert Kupers op 5 oktober 1951 van 20.40-21.00 uur, Hilversum 2, de VPRO.
[22] Interview van Bert de Loor met Cor en Sijtje de Pous, bandopname van begin jaren 80.
[23] Dr. A. P. (Tony) Roodvoets in een brief aan Aad Burger, 30 maart 2001.
[24] Interview met Bas en Joos Woltjer- Dorgelo op 11 juni 2004.
[25] Idem
[26] Ideeën hebben benen door Peter Howard, A.W. Sijthoff’s uitgeversmaatschappij n.v., Leiden, derde druk, 1948. Oorspronkelijke titel Ideas have legs. Meer over Peter Howard in hoofdstuk 6.
[27] Interview met Age en Ineke van Randen-Dorgelo op 14 december 2004. Het ongedateerde herdenkingsnummer van Diskus, dat zich in de archieven van MH bevindt, bevat behalve een grote foto van Hendrik Berend Dorgelo op de voorpagina, artikelen van collega’s en vrienden uit Delft en Eindhoven. In enkele daarvan wordt de betekenis belicht die zijn ontmoeting met de Oxfordgroep heeft gehad op zijn werk. ‘Zijn leven was het scheppen van een klimaat, waarin het samen zijn van mensen kon uitgroeien tot samen gaan, tot samen leven in één grote gemeenschap ‘, aldus de redactie van Diskus.
[28] Dr. A. P. (Tony) Roodvoets in een brief aan Aad Burger, 30 maart 2001.
[29] Peter Howard, The world rebuilt, Hoofdstuk 8. Total Preparedness, blz. 94-101 en generaal mr. H.J. Kruls, Vrede of oorlog – De wereld, West-Europa en de Benelux onder de dreiging van onze tijd, Zuid-Hollandse Uitgeversmaatschappij, Den Haag, p.171-173.
[30] Interview met Dick en Agathe van Tetterode- van Walré de Bordes op 7 juni 2004.
[31] Interview met Annie Hoogendoorn op 18 juni 2004.
[32] Jeroen van der Kris, Morele Herbewapening in de jaren vijftig – een idee waarvoor de tijd gekomen was, afstudeerscriptie, Erasmus Universiteit, Rotterdam, 1994, p 53-61. Meer over Peter Howard in hoofdstuk 6.
[33] ‘De multinationale ondernemingen oefenen een beslissende invloed uit op de burgerlijke politieke partijen, waar zij hun vertrouwelingen op sleutelposities neerzetten. Ook in de Partij van de Arbeid, waar Unilever en Shell hun eigen historie hebben. Deze grote monopolies complotteren voortdurend tegen de communistische partij en houden zich intensief bezig met het organiseren van anticommunistische groepen. Zo waren bijvoorbeeld alle revisionistische personen en groepen, die sinds de Tweede Wereldoorlog uit de rijen van de Communistische Partij Nederland werden verwijderd, verbonden met de zogenaamde morele herbewapening, een beweging die openlijk door het Philips-concern gesteund wordt.’ Uit: Multinationale ondernemingen – moderne roofburchten in Europa, Instituut voor politiek en sociaal onderzoek (IPSO), Amsterdam, 1971, p 11.
[34] Interview met Pauline van der Zee-Lugard op 22 december 2004.
[35] Interview met Age en Ineke van Randen-Dorgelo op 14 december 2004.








