Hoofdstuk 5
Een naaste buur en een verre vriend
Duitsland
De eerste contacten met Duitsland in de geest van Morele Herbewapening waren gelegd door jongeren. Zij hadden zich aangesloten bij de internationale actiegroep die vanuit het conferentiecentrum in Caux door nieuwe democratische bestuurders en politici uitgenodigd was naar Duitsland te komen. Wat de Nederlanders betreft ging dit vooral om studenten [1]. Sommigen hadden hun studie en opleiding daarvoor onderbroken. Velen zouden zich ook later op allerlei plaatsen voor MH blijven inzetten. Peter Hintzen geeft in een boek over Duitsland [2] dat hij in de jaren negentig schreef, een persoonlijke beschrijving van dit veldwerk: ‘Ons team kwam er op uitnodiging van de nieuwe voorlieden van West-Duitsland, zoals Karl Arnold, minister-president van de deelstaat Noordrijn-Westfalen. We kwamen met muzikale revues en toneelstukken; er waren (discussie)bijeenkomsten. Makkelijk was het niet. Hoe groot mijn goede wil ook was, ik was vol ressentiment. De bezetting, het bombardement van mijn eigen stad Rotterdam, de hongerwinter, het feit dat mijn broer in het concentratiekamp Buchenwald had gezeten, bepaalde mijn houding. Wanneer ik een dikke Duitser of een mooie Mercedes zag, dacht ik: Zie je wel, daar heb je ze weer! Na enige tijd realiseerde ik mij dat het zo niet ging. Met dit soort minachting kon ik onmogelijk goed functioneren. Ik had mij als het ware op de hemeltroon geplaatst en keek neer op Duitse “ondermensen”. Ik nam toen een simpel besluit: de Duitsers voortaan het beste te wensen. Dat veranderde mij. Toen ik mijn hart en oren had geopend, hoorde ik wat ik eerder niet had willen weten: wat vele Duitsers hadden doorgemaakt.’ Hintzen vertelt dat hij jarenlang in het Roergebied heeft gewoond en gewerkt. Ook leerde hij als 21-jarige student leeftijdgenoten kennen met wie hij samenwerkte, onder wie jongens die in de Hitlerjugend hadden gezeten. Zij hadden vaak in het laatst van de oorlog nog als jonge rekruten mee moeten vechten en waren nu op zoek naar iets nieuws.
Roergebied
Vooral in het Roergebied, toen het industriële hart van Duitsland, werden vele contacten gelegd, zowel met de mijnwerkers en staalarbeiders als met de vakbonden, de werkgevers en de overheid. De oorlogsschade was enorm, maar er werd keihard gewerkt om er weer bovenop te komen. De communistische aanhang onder de arbeiders was groot en algemeen werd aangenomen dat geprobeerd zou worden dat naast Oost-Duitsland ook West-Duitsland en met name het Roergebied zich bij de Sovjet-Unie zou aansluiten of althans neutraal zou worden en niet de kant van West-Europa en de Verenigde Staten zou kiezen. We kunnen dat ons nu nauwelijks meer voorstellen, maar de wereldoorlog was toen net voorbij en er was veel onzekerheid over welke kant het op zou gaan. Een mijnbouwmaatschappij stelde een groot historisch huis in Castrop-Rauxel vrij ter beschikking zodat het mogelijk werd daar conferenties en bijeenkomsten te houden over de vraag hoe de democratie vorm kon krijgen, hoe communistische en niet-communistische arbeiders een gemeenschappelijke basis konden vinden en hoe er samenwerking tussen werknemers en werkgevers bij de opbouw van het land kon komen. Een ander bedrijf verschafte in Gelsenkirchen ruimte voor een kantoor. Veel jongeren van het MH-team logeerden wekenlang bij Duitsers thuis, vaak in heel eenvoudige omstandigheden, op een matras in de keuken of op een bank in de huiskamer. Meer was er vaak niet. Betty Hintzen, de oudere zuster van Peter Hintzen, was daar bij. Het was heel indrukwekkend, vertelt ze, om bij Duitsers te logeren die hun kleine huizen met hen deelden. Toen ze zag hoe zij ook geleden hadden, durfde ze eerst haast niet over de oorlog te praten. Maar toen ze later moed vatte om dat wel bespreekbaar te maken, bleek dat veel Duitsers geen idee hadden wat de Nederlanders geleden hadden. Ze moesten uitgelegd krijgen wat het voor Nederland betekende bezet te zijn geweest. Ze waren verbaasd dat de Nederlanders hen als vijanden zagen. Ze hadden geen benul van de diepte van de gevoelens. Er moest dus veel gepraat worden om elkaar te vinden [3]. Iedereen besefte dat er een grondige verandering in de verhouding tussen beide landen nodig was en ook op persoonlijk vlak. Dat mensen uit de hele wereld naar Duitsland kwamen om hieraan mee te doen, maakte indruk. In de jaren daarna werd dit voortgezet. Zo vermeldt Jeroen van der Kris in zijn doctoraalscriptie [4] dat van 28 december 1953 tot 3 januari 1954 een internationale studentenbijeenkomst in het Roergebied werd gehouden: ‘De Nederlandse studenten kwamen uit Amsterdam, Utrecht, Leiden en Delft. Een groot aandeel in de voorbereiding hadden Paul van den Broek, zoon van de directeur van de Wereldomroep Henk van den Broek, Bert de Loor, zoon van de Delftse burgemeester en Ton Philips, zoon van Frits en Sylvia Philips’[5].
Duitse toneelstukken
Het was de bedoeling de uitwisseling wederkerig te maken. Verschillende toneelstukken van Morele Herbewapening werden in een Duitse versie met Duitse amateurs als spelers, uitgenodigd naar Nederland te komen. Op 19 en 20 mei 1954 vonden op initiatief van burgemeester Dirk de Loor van Delft twee voorstellingen plaats. Waarschijnlijk zijn het de eerste openbare voorstellingen in het Duits na de oorlog geweest. Eind 1956 volgde eveneens in Delft een opvoering van ‘Der Chef’ (De Baas). De media besteedden er ruim aandacht aan en signaleerden veel prominente gasten van verschillende politieke signatuur. Later volgden voorstellingen van ‘Der Chef’ in Amsterdam en Utrecht. In 1959 voerde een groep mijnwerkers uit het Roergebied in Rotterdam (Rijnhotel) en Den Haag (Kurhaus) het door henzelf geschreven toneelstuk ‘Hoffnung’ (Hoop) op. De toegang was gratis en iedere aanwezige kon via een Philips-apparaatje naar de vertaling van de Duitse tekst luisteren. Een van de spelers, Richard Bladeck, ex-communistisch veteraan, zei dat zij ‘volledig de verantwoording’ op zich wilden nemen ‘voor alle leed dat dit land en deze stad vanuit het Oosten hebben ondervonden.’ Na afloop van deze voorstelling sprak Dirk de Loor, wiens vader, oud-havenarbeider, tijdens de hongerwinter in Rotterdam was omgekomen: ‘Ik begrijp dat velen van u met wantrouwen naar de Duitsers kijken. […] Maar ik heb mijn wantrouwen en haat tegen de Duitsers verloren, omdat ik weet dat het mogelijk is dat er een nieuw Duitsland ontstaat, dat gebouwd wordt op de mensen die hier achter mij op het toneel staan’[6]. Het communistische partijdagblad De Waarheid was er niet mee ingenomen. Onder de kop ‘Hai-li-hai-lo in Rotterdam’ sprak het blad over ‘kostbare advertenties’, ‘slechts een 250-tal mensen’, ‘zogenaamde mijnwerkers’, ‘een anticommunistisch stuk en snorkende liederen’. Andere bladen daarentegen spraken van een geestdriftig publiek, dat de mijnwerkers een staande ovatie gaf nadat de Duitsers om vergeving voor hun oorlogsdaden hadden gevraagd. De Waarheid ‘onthulde’ ook dat de schrijver van ‘Hoffnung’, Hans Hartung, een oud-SS-er was. Daar werd overigens geen enkel geheim van gemaakt. Het doel van de acties in Duitsland was juist geweest fascisten en communisten op een beter idee te brengen dan de totalitaire ideologieën die ze hadden aangehangen [7]. Waar dat mensen ertoe bracht eerlijk te zijn over het verleden en zich nu in te zetten voor een betere weg, werd dit positief beoordeeld. Niet alleen De Waarheid en de CPN waren het hier mee oneens. De commandant van de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda wilde in deze periode een keer een met MH werkende oud-communist uit het Roergebied laten spreken voor de cadetten. Toen de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) daar lucht van kreeg, werd dit op het laatste moment verboden. Iemand die eens communist was geweest, was volgens de BVD blijkbaar nooit te vertrouwen en het werd staatsgevaarlijk geacht de cadetten met hem kennis te laten maken.
Concrete resultaten?
Men kan zich afvragen wat de concrete resultaten van deze en andere activiteiten op het punt van de Duits-Nederlandse betrekkingen zijn geweest. Jeroen van der Kris schrijft: ‘Verder dan het over en weer aanbieden van excuses kwam men niet. Politiek was de relatie met Duitsland – anders dan die met Indonesië – na de oorlog immers snel genormaliseerd. In 1954 trad de Bondsrepubliek toe tot de NAVO, waardoor Nederland en Duitsland aan dezelfde kant (van het IJzeren Gordijn) kwamen te staan.’ Het moge zo zijn dat politiek gezien de relatie snel werd genormaliseerd, persoonlijk en psychologisch bleven er veel tegenstellingen gedurende de hele vorige eeuw. Zo vond in 1998 minister-president Kok het nog verstandig bondskanselier Kohl naar Rotterdam uit te nodigen waar deze de gelegenheid aangreep heel uitdrukkelijk vergeving te vragen voor het Duitse optreden in de oorlog en met name het bombardement op Rotterdam. De bijdrage vanuit MH en de kerken (en van vele anderen) aan verwerking van het oorlogsverleden en verzoening moet dan vooral op dit vlak gezien worden. In hoeverre dit ook indirect heeft bijgedragen aan de politieke en economische samenwerking van na de oorlog is moeilijk te beoordelen en zeker niet te kwantificeren. Aan de andere kant kan men zich afvragen of zonder deze inspanningen de onderlinge verhouding niet een (veel) negatiever karakter zou hebben gehad. Een concrete stap om vanuit Nederland kort na de oorlog een bijdrage te geven aan de voedselvoorziening van de Duitse bevolking kan hier nog genoemd worden. Prof.dr.ir. Egbert de Vries, hoogleraar aan de Landbouwhogeschool (voorloper van de huidige universiteit) te Wageningen had al voor de oorlog in het toenmalige Nederlands-Indië deelgenomen aan de Oxfordgroep/Morele Herbewapening. Toen hij na zijn verblijf in Japanse kampen naar Nederland terugkeerde, bleef hij zich in deze geest inzetten. Op een gegeven ogenblik was er in ons land waar schaarse artikelen nog gerantsoeneerd waren, een overschot aan groente. Zou dit net als vóór de oorlog worden doorgedraaid? Bij onze oosterburen was de voedselvoorziening nog slecht. De Vries kwam op het idee dat de groente naar Duitsland zou moeten gaan. Dit stuitte op fel verzet. Iets voor de Duitsers te doen, daar dacht op dat moment nog bijna niemand aan. De Vries liet zich echter niet uit het veld slaan. Henk van den Broek, die als ‘De Rotterdammer’- bekend van radio Oranje - regelmatig radiotoespraken hield in het programma Nederlandse Strijdkrachten, wijdde er op 18 april 1948 een uitzending aan onder de titel ‘Weggooien of weggeven’. Sicco Mansholt, toen minister van Landbouw, werkte mee. De regering nam het idee over, en zo gebeurde het.
Indonesië
Zoals hier al eerder beschreven is, hadden de ideeën van de Oxfordgroep en Morele Herbewapening vóór de oorlog ook in Nederlands-Indië bij velen weerklank gevonden. De belangstelling van koningin Wilhelmina had daartoe bijgedragen. Het betrof vooral de Nederlanders daar, maar ook Indonesiërs uit het bestuur en het onderwijs werden erbij betrokken. Door de Japanse bezetting werd iedere uiterlijke activiteit op dit terrein weggevaagd. Maar in deze uiterst moeilijke omstandigheden, en met name in de Japanse kampen, heeft een aantal mensen uit hun ervaringen en hun daardoor versterkte geloof kracht geput. Een voorbeeld daarvan waren Trudes en Gusta Voorhoeve. Trudes Voorhoeve had al ruim elf jaar als bouwkundig ingenieur in Nederlands-Indië gewerkt, toen de Japanse bezetting kwam en hij en zijn vrouw Gusta in verschillende kampen geïnterneerd werden. Na vier en een half jaar van ontberingen in de kampen, vonden ze elkaar terug. Ze kregen in Jakarta als woonruimte de garage van een huis toegewezen. In het woonhuis woonde de familie Yusuf. Hij was majoor in het leger van de republiek. Dit was de omgekeerde wereld vergeleken met de vooroorlogse verhoudingen. Hun jarenlange gewoonte om naar hun innerlijke stem te luisteren, die hen door de kamptijd heen tot steun was geweest, hielp hen ook nu. Ze besloten vriendschap te sluiten met de bewoners van het hoofdgebouw. Die vriendschap had een kettingreactie tot gevolg. De Yusufs raakten geïnteresseerd in Morele Herbewapening. Hij was bestuurslid van een sanatorium en hij ontdekte dat geld dat voor de patiënten bestemd was in de zakken van sommige bestuursleden verdween. Hij heeft die corruptie aangepakt. De Voorhoeves gingen terug naar Nederland, maar de vriendschapsband met de Yusufs heeft hun hele leven standgehouden. De Voorhoeves en anderen hebben na hun terugkeer in Nederland actief aan het werk van MH deelgenomen. Zij vroegen aandacht voor de verhouding met Japan. Ondanks het leed dat hen was aangedaan in de Japanse interneringskampen, wilden zij niet blijven stil staan bij wrok en haat jegens dit land. Dit werd vooral duidelijk toen de Japanse keizer Hirohito, voor velen het symbool voor de Japanse wreedheid, in 1971 Nederland een bezoek zou brengen. In de golf van verontwaardiging die over Nederland spoelde, durfden enkelen een ander geluid te laten horen. Op een bijeenkomst in Musis Sacrum in Arnhem over ‘Europa en Azië – partners in de bouw van een nieuwe wereld’ spraken drie ex-gevangenen zich uit voor het bezoek van de keizer: mevrouw De Savornin Lohman- Bakker, wier man omgekomen was in het kamp, Trudes Voorhoeve en Bas Woltjer. Met hetzelfde thema vond ook een bijeenkomst plaats in het Nederlands Congresgebouw in Den Haag. Hier sprak een andere ex-gevangene, Clara Schimmelpenninck-de Brauw, die haar zoontje verloor in het kamp. Ze vertelde dat ze haar haat tegen Japan was verloren toen ze Japanners ontmoet had die in grote nederigheid haar vergeving vroegen voor wat hun land haar en anderen in Indonesië had aangedaan. ‘Wij zijn allen min of meer gewond uit de oorlog gekomen,’ zei ze, ‘maar ik weet dat deze wonden geheeld kunnen worden, mits wij bereid zijn, degenen die ze ons toebrachten te vergeven en niet steeds de littekens open te maken’[8]. Niet alleen voor de verhouding met Japan, maar ook voor de verhouding met Indonesië vroegen Nederlanders die in Indonesie gewoond hadden op conferenties in Caux en in Nederland aandacht. Men probeerde contact te leggen met de Indonesische nationalisten die voor studie en voor onderhandelingen met de Nederlandse regering naar ons land kwamen. Met name aan de universiteiten in Nederland spanden studenten en anderen die met MH in contact waren gekomen, zich in om contacten te leggen met Indonesische studenten.
Rondetafelconferentie
Bij het leggen van contacten met Indonesië speelde het huis van Charlotte van Beuningen, Berkenlaan 1 in Wassenaar een rol. Na de dood van haar man had zij hun huis in Vught verkocht en dit grote huis gekocht om te gebruiken als centrum voor het werk van Morele Herbewapening. Met de grote hal bood het veel mogelijkheden voor ontvangsten en ontmoetingen. In 1949 werd in Nederland een rondetafelconferentie gehouden om de voorwaarden voor de Indonesische onafhankelijkheid te bespreken. Het bleek dat voor de echtgenotes van de Indonesische ministers en diplomaten die in Nederland waren voor de onderhandelingen weinig was geregeld. Samen met anderen organiseerde Charlotte (Lotty) van Beuningen een programma voor hen dat begon met een thee in haar huis op de Berkenlaan, waarna ze er in een gehuurde autobus op uit trokken om hen iets van Nederland te laten zien. Lotty van Beuningen schreef hierover later: ‘De verhouding tussen onze landen was, na twee politionele acties, uiterst stroef en het kostte dan ook moeite dit alles voor elkaar te krijgen, maar juist daardoor maakten deze blijken van hartelijkheid en respect diepe indruk op onze gasten. Als gevolg hiervan werd ons comité uitgenodigd de laatste zitting van de conferentie bij te wonen. Hier werd openlijk gezegd, ik meen door dr. Mohammed Hatta, hoezeer de ontvangst die men de dames had bereid, had bijgedragen tot het scheppen van een sfeer waarin vriendschappelijk overleg mogelijk was.’ Deze actie leidde in enkele gevallen tot vriendschapsbanden die vele jaren zouden duren, o.a. met mevrouw Hatta, de vrouw van de vice-president van het onafhankelijke Indonesië [9]. Op deze en allerlei andere manieren werd gepoogd bruggen te slaan tussen Nederlanders die veel moeite hadden Indonesië op een volwaardige wijze onafhankelijk te laten worden en Indonesiërs die ook persoonlijk vaak bittere ervaringen hadden doorgemaakt, maar aan de andere kant nog sterke banden hadden met Nederlanders.
Ophef in Baguio
In Delft, waar hij in 1953 burgemeester werd, raakten Dirk de Loor en zijn gezin door contacten met Indonesiërs ook betrokken bij dat land. Dit bereikte een hoogtepunt toen hij in 1958 deelnam aan een internationale conferentie van MH te Baguio op de Filippijnen. Daar boden voor het eerst Japanse politici en hoge ambtenaren hun verontschuldigingen aan voor het Japanse optreden in de oorlog. Op de conferentie was ook een Indonesische delegatie aanwezig. Hoewel deze Indonesiërs heel goed Nederlands konden spreken, weigerden ze met de aanwezige Nederlanders in die taal te praten. Het was een duidelijk signaal dat men het koloniale verleden en de politionele acties niet was vergeten en niet had vergeven. Dirk de Loor worstelde hier als christen en sociaal-democraat mee. Wat zou Gods leiding op dit punt kunnen zijn, wat gaf zijn geweten hem in? Duidelijk kreeg hij de gedachte dat wij als Nederlanders vaak trots zijn op wat ons land goed heeft gedaan, ook al is het niet onze persoonlijke verdienste. We zouden ons dan ook betrokken moeten voelen bij wat verkeerd is geweest. Op de volgende zitting van de conferentie sprak hij hierover en vroeg hij de aanwezige Indonesiërs vergeving voor de hooghartige houding van Nederlanders en voor wat er aan zwarte bladzijden door Nederland was geschreven in de geschiedenis van Indonesië. ‘Samen kunnen wij de zwarte bladzijden van de geschiedenis weer wit maken,’ zei hij. Woorden die de voorzitter van de Eerste Kamer, H.D. Tjeenk Willink, bij de herdenking na zijn overlijden in maart 1992 zou citeren. Op hun beurt boden Indonesiërs hun verontschuldigingen aan voor gevoelens van bitterheid. De Filippijnse radio zond het bericht uit en de Indonesische ambassadeur spoedde zich naar Baguio om met De Loor te spreken. In Nederland leidden zijn woorden tot een storm van protest, gedeeltelijk veroorzaakt door onjuiste persberichten waarin gesteld werd dat De Loor Nederland beschuldigd had van betrokkenheid bij een opstand op Sumatra. Maar al gauw spitste de discussie zich toe op de vraag of een land moreel fouten kan maken en of je daarvoor vergeving kan vragen. Voor- en tegenstanders lieten zich horen, waarbij ter sprake kwam dat wij dit wèl verwachtten van Duitsers en Japanners. Sommigen eisten dat De Loor zou worden afgezet als burgemeester van Delft, maar regering noch parlement ging daarop in. Wel moest hij op vele plaatsen, inclusief de Eerste Kamer waar hij van 1955 tot 1969 voor de PvdA lid van was, zijn houding toelichten. Hij werd ook bij minister Struycken van Binnenlandse Zaken ontboden om zich nader te verantwoorden [10]. Later moest minister-president Drees (bij afwezigheid van minister van Buitenlandse Zaken Luns) vragen hierover van het CHU-Tweede Kamerlid Beernink beantwoorden [11]. De in 2001 verschenen publicatie van de PvdA, Tijden van doorbraak en opbouw, De PvdA-fractie van 1948-1952, van de hand van de Tweede-Kamerleden Gerritjan van Oven en Gerrit Valk, en van Eric de Rijk, historicus en ambtelijk secretaris van de fractie, geeft een beschrijving van dit optreden van De Loor, ondanks het gegeven dat de gebeurtenissen niet tijdens zijn Tweede Kamerlidmaatschap plaatsvonden. Het stuk wordt afgesloten met de volgende woorden: ‘Voor zover bekend heeft deze kwestie, die het alleszins verdient om aan de vergetelheid te worden ontrukt, de verdere loopbaan van onze hoofdpersoon niet geschaad.’ Toen kort na de conferentie in Baguio de verhouding Nederland - Indonesië wegens uitzetting van vijftigduizend Nederlanders die daar nog woonden, een absoluut dieptepunt bereikte, kreeg De Loor samen met Charlotte van Beuningen en Jap de Boer, de bouwkundige die mee had geholpen het Mountain House in Caux te verbouwen, een visum om het land te bezoeken. Lotty van Beuningen werd bij die gelegenheid door mevrouw Hatta en de andere dames, die ze tijdens de eerder genoemde rondetafelconferentie in Nederland gastvrijheid had verleend, als dank daarvoor thuis uitgenodigd. De ontvangst die deze groep kreeg was heel bijzonder, omdat op dat tijdstip geen Nederlander in Indonesië welkom was! Door gesprekken met leidende Indonesiërs konden zij iets bijdragen aan verzoening en betere betrekkingen in de toekomst. Frits Philips en anderen probeerden eveneens op hun terrein bruggen te slaan. Ook van deze en dergelijke initiatieven kan ook gezegd worden dat ze geen direct aanwijsbare resultaten hebben opgeleverd. Maar op persoonlijk terrein zijn zeker banden aangeknoopt en wonden geheeld en wie kan de indirecte gevolgen daarvan overzien? Men kan stellen dat mensen die betrokken waren bij MH op verschillende punten de publieke opinie vóór waren en eerder dan de meeste mensen bereid waren Nederlandse tekortkomingen ten aanzien van Indonesië onder ogen te zien en openlijk te erkennen.
Noten
[1] Peter en Betty Hintzen, Dick van Tetterode, Harro Begeman, Jap de Boer, Wim van Dam, Jannie Hopman, Riek Leistra en Johan Oosters, om enkele namen te noemen.
[2] P. Hintzen, Duitsland – bewogen hart van Europa, een beknopte geschiedenis, Nijmegen, Sun, 1996, p. 224-226.
[3] Interview met Betty Gunning-Hintzen op 5 juli 2004.
[4] Jeroen van der Kris, Morele Herbewapening in de jaren vijftig – een idee waarvoor de tijd gekomen was, afstudeerscriptie, de Erasmus Universiteit, Rotterdam, 1994, p 41 en 42.
[5] Wat de betrekkingen met Duitsland betrof traden vooral op de voorgrond Henk van den Broek, tijdens de oorlog een van de voormannen van Radio Oranje in Londen en in bezet Nederland bekend van zijn toespraken als ‘de Rotterdammer’, nu directeur van de Wereldomroep; Dirk de Loor, lid van de Tweede Kamer (PvdA) en later burgemeester van Delft en lid van de Eerste Kamer; Frits Philips uit Eindhoven, in die tijd een van de directeuren van de N.V. Philips Gloeilampenfabrieken.
[6] Jeroen van der Kris, p. 43.
[7] Evert Kupers haalde op de eerder genoemde radiorede voor de VPRO op 5 oktober 1951 de voorzitter van de communistische partij in Duitsland aan, die kort daarvoor verklaard had ‘dat Morele Herbewapening de gevaarlijkste ideologie is waarmede de communistische partij in aanraking komt.’
[8] Nieuw Wereld Nieuws (NWN), 1971, nummers 6 en 8 en 1972, nummers 7 en 8.
[9] Een nieuwe wereld voor onze kleinkinderen, Charlotte van Beuningen, p.110-111.
[10] Jeroen van der Kris, p. 44.
[11] Idem, p. 45-53.









