Hoofdstuk 8
Rondom de Amaliastraat
Vanaf 1952 stond het centrum aan de Amaliastraat 10 in Den Haag centraal in het werk van Morele Herbewapening in Nederland [1]. Een van de drijvende krachten achter dit kantoor en later centrum van MH was Wea Driessen-Jonkers. Zij en haar man Kees leerden MH kennen toen het nog Oxfordgroep heette, tijdens de grote Pinkstermanifestaties in 1937 in Utrecht. Beiden waren dol op toneel. Ze hadden elkaar ontmoet in een amateurtoneelgroep van de Remonstrantse Kerk in Rotterdam bij de opvoering van Ibsens Peer Gynt, hij was Peer en zij Anitra. Bij de KLM, waar Kees Driessen lange tijd hoofd ‘Bijzondere vluchten’ was, was hij ook actief in een amateurtoneelgroep. In die tijd werden er door MH veel toneelstukken en musicals opgevoerd en hij regisseerde een aantal daarvan, zoals Sing-Out Nederland. In de jaren zestig waren de Driessens de spil achter tal van excursies per chartervliegtuig naar toneelstukken van MH in het Westminster Theater in Londen. Wea Driessen werkte op ‘de Amaliastraat’ nauw samen met de in Antwerpen geboren Joos Dorgelo. Zij bracht veel Belgische humor en vrolijkheid in het kantoor. Haar eerste contact met Morele Herbewapening was in 1938, toen een team uit Nederland naar Antwerpen kwam. Na de oorlog werkte ze met MH in Noord-Frankrijk. Vanuit de overtuiging dat de industrie een groot aandeel had in de wederopbouw van Europa, waren de acties van MH gericht op betere verhoudingen tussen werknemers en werkgevers. In Noord-Frankrijk had je vooral textielindustrie. Joos Dorgelo herinnert zich een conferentie voor textielarbeiders in een sporthal, waar vierduizend mensen kwamen. Ze werkte daar samen met Maurice Mercier, algemeen secretaris van de Force Ouvrière, de socialistische vakbond. Na zijn bezoek aan Caux had hij de overtuiging gekregen dat er een antwoord moest komen op de klassenstrijd. In 1949 ging Joos Dorgelo met een groep uit de textielindustrie naar Caux. Het bijzondere was, vond zij, dat de arbeiders met de ‘patron’, de baas, als gelijken konden praten en zeggen wat ze op hun hart hadden. De acties hadden een meetbaar effect, mensen gingen eerlijker en beter werken en de productie ging omhoog. De nieuwe geest leidde in 1953 tot de eerste officiële textiel CAO met onder andere betere salarissen [2]. In 1953 bereikte Joos Dorgelo het verzoek uit Nederland om als secretaresse in de Amaliastraat te gaan werken. Ze werd de spil van het werk daar. Ze vond het heerlijk met mensen te werken en de vele vrijwilligers te begeleiden [3]. In 1985 beschreef Wea Driessen in vijftien getypte pagina’s de geschiedenis van drieëndertig jaar Amaliastraat 10 [4]. Het begon in 1952 op één verdieping, de parterre, met een gasstelletje in de garderobe om koffie en thee te zetten en soep te maken. In het souterrain was toen een kantoortje van de huishoudbeurs gevestigd. Na enkele jaren kwam het souterrain vrij en in 1963 kon het pand gekocht worden. Op de twee bovenverdiepingen waren toen nog een ander kantoor en een bedrijf gevestigd. Begin jaren zeventig kwam ook die ruimte vrij en werden er plannen gemaakt voor een ingrijpende verbouwing. Een grote rol hierbij speelde ir. D.J. (Johan) Adriaanse. Hij onderhield het contact met zowel de architect Piet Cuperus als de aannemer en zag toe op de dagelijkse gang van zaken bij de verbouwing. Hij en zijn vrouw Jacoba hadden voor de oorlog in Baarn de Oxfordgroep leren kennen. In de tijd dat ze in Schiedam woonden, waar Adriaanse directeur gemeentelijke technische bedrijven was, hadden zij tijdens de wederopbouw hun huis opengesteld zodat werkgevers en werknemers uit de havens en scheepswerven in Rotterdam en Schiedam daar gesprekken konden voeren.
Een bijenkorf van activiteiten
Op 13 oktober 1972 opende mr. F. J. F. M. van Thiel, voorzitter van de Tweede Kamer, het verbouwde centrum. De aankoop en verbouwing van dit pand werd mogelijk gemaakt door giften van honderden mensen. Vele dagbladen, waaronder Het Parool en de Haagsche Courant, besteedden aandacht aan de opening. NRC Handelsblad citeerde Dirk de Loor, voorzitter van de Nederlandse Stichting voor Morele Herbewapening, oud-Eerste-Kamerlid (PvdA) en oud-burgemeester van Delft: ‘Dit huis is een teken van hoop in een wereld die de wanhoop schijnt te voeden' [5]. Van Thiel moest trouwens deze openingshandeling, die hij als privé-persoon verrichtte, verantwoorden tijdens een televisie-uitzending van de NOS. In zijn antwoord verklaarde hij dat hij zich als staatsburger vrij voelde zich in te spannen voor zaken die in zijn ogen goede doelen nastreefden. Letterlijk zei hij: ‘Als ik een centrum van Morele Herbewapening open of als ik hier ga zitten voor een NOS-uitzending van ‘Interpellatie’, is dat voor mij precies hetzelfde in de zin dat ik als staatsburger geïnteresseerd ben in alle mogelijke zaken met een maatschappelijk, moreel of welk doel dan ook, dat ik een goed doel acht en dat ik op oprechte wijze nagestreefd acht, dat ik mij daarvoor zou willen inspannen en dat heb ik gelukkig zoveel mogelijk in mijn leven gedaan’ [6]. Het centrum Amaliastraat 10 was, zo blijkt uit de beschrijvingen van Wea Driessen, een bijenkorf van activiteiten. Met naam en toenaam wordt een indrukwekkend aantal mensen genoemd dat in de loop der jaren verantwoordelijk was voor uiteenlopende zaken als financiën, administratie, verzendingen, nieuwsbrieven, het organiseren van bijeenkomsten en ontvangsten, filmvoorstellingen, archieven, uitgave van boeken en brochures, het adressenbestand (er waren nog geen stickers en er was een team van dames met een mooi handschrift dat adressen schreef), het schoonmaken enz. Deze werkers, zo noemt Wea Driessen ze, waren allen onbezoldigd en hebben met grote trouw en toewijding hun beste krachten gegeven. Al deze activiteiten moesten, zo schreef ze, ‘gezien worden in samenhang met de werkelijke bestemming van het huis: contacten leggen met mensen en hen deelgenoot maken van de visie dat God een opdracht heeft voor ieder van ons persoonlijk en ook voor ons als groep’ [7]. Het blad dat iedere twee weken werd geschreven en uitgestuurd, heette Nieuwsdienst Morele Herbewapening. Zoals we in het vorige hoofdstuk zagen werd deze uitgave in 1968 opgevolgd door Nieuw Wereld Nieuws, wat in 1997 een vervolg kreeg in Ander Nieuws. Twee mensen die werkten vanuit het centrum Amaliastraat 10 en van daaruit decennia lang het gezicht bepaald hebben van Morele Herbewapening in Nederland waren Peter Hintzen en Aad Burger. Zij hebben vanaf 1955 de redactie gevoerd van achtereenvolgens Nieuwsdienst Morele Herbewapening en Nieuw Wereld Nieuws. Zij hadden elkaar voor het eerst ontmoet in 1941 op een jongenskamp van de NCSV (Nederlands Christen Studenten Vereniging). Later, na de oorlog, studeerden ze allebei in Leiden. Daarna besloten beiden zich fulltime in te zetten voor Morele Herbewapening. Ruim vijftig jaar lang hebben Peter en Aad samengewerkt, tot aan de plotselinge dood van Peter Hintzen op 28 juni 1996. Het dagblad Trouw kopte toen terecht ‘Voorman Morele Herbewapening Nederland overleden’.
Gangmaker
Als 21-jarige atheïstisch student was Peter Hintzen door zijn vader 'meegetroggeld' naar het internationale conferentiecentrum van MH in Caux. Dit gebeurde na een botsing met zijn vader, die hem voor zelfzuchtig en oppervlakkig had uitgemaakt. Hintzen vond het heel normaal dat mensen zelfzuchtig waren, maar die tweede beschuldiging kwam hard aan voor een kritische en idealistische intellectueel! Hij begon zichzelf vragen te stellen. Daardoor stond hij open voor wat er in Caux gebeurde. Waarom zou hij niet met deze mensen samenwerken in plaats van in zijn eentje een kruistocht voor een betere wereld te ondernemen? In die tijd leefde men met de concrete dreiging van een derde wereldoorlog. De notie van absolute eerlijkheid sprak hem wel aan: nu kon hij eindelijk zijn ouwe heer zeggen wat hij van hem vond. Maar toen hij erbij stilstond, dacht hij: 'niet over hem, maar over jezelf moet je de waarheid vertellen!' Met schroom begon hij aan een eerlijk gesprek met zijn vader waarin hij dingen opbiechtte waarvan hij gehoopt had dat zijn vader er nooit achter zou komen. Tot zijn verrassing was zijn vader toen ook heel openhartig over zichzelf. De verhouding tussen deze autoritaire vader van acht kinderen en zijn rebelse zoon is daardoor voorgoed veranderd. Twaalf jaar bracht Hintzen hoofdzakelijk in het buitenland door: in het naoorlogse Duitsland, waar hij leerde zijn hart te openen voor het lijden dat de Duitsers hadden ondergaan, wat hem voorgoed tot bruggenbouwer tussen beide landen heeft gemaakt; in de Verenigde Staten en gedurende drie jaar in India en Pakistan. Daar deed hij de ervaring op dat hindoes en moslims geen enkele moeite hebben met een christen die zijn geloof in praktijk probeert te brengen. Momenten van ‘stille tijd’ waren een gezamenlijke bron van inspiratie. In 1962 had Hintzen de overtuiging naar Nederland terug te keren en in zijn eigen land te gaan werken. Hij wilde dit werk een Nederlands gezicht geven [8]. Hij begon geregeld artikelen te schrijven voor Elseviers weekblad, en ook voor andere bladen, over actuele onderwerpen en over wat zijns inziens de zwakke plekken van onze samenleving waren. Dat was een van de manieren waarop hij aan de weg timmerde. Na zijn huwelijk met Digna Philips in 1963 vestigden zij zich in het centrum Berkenlaan 1 te Wassenaar, waar ook hun beide zoons geboren werden. In 1975 verhuisden zij – ter wille van hun gezin – naar een huis in de buurt. In de loop der jaren is er door dagelijkse bezinning – een tijd lang las hij de bijbel in het Grieks - in Hintzen een diep geloof in God als liefhebbende vader gegroeid. In zijn laatste kerstboodschap aan vrienden schreef hij, dat hij tot de conclusie gekomen was dat wat het meeste telde in het leven, vriendschap was, trouw en de bereidheid te dienen. Zijn plotselinge overlijden aan een hartstilstand in juni 1996 was een grote schok. Hij had altijd uiterst gezond geleefd en schiep er een trots genoegen in elke dag met de fiets – weer of geen weer – naar kantoor te gaan. Alleen de laatste tijd had hij enige klachten, die hij toeschreef aan zijn inspanningen om zijn laatste manuscript Duitsland – bewogen hart van Europa op tijd naar de uitgever te krijgen [9]. Hij had zijn vriend eurocommissaris en voormalig minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek bereid gevonden het eerste exemplaar in ontvangst te nemen tijdens een presentatie begin oktober 1996 op het Instituut voor Buitenlandse Betrekkingen Clingendael. Deze presentatie is toch postuum doorgegaan, door Digna Hintzen met toespraken van Van den Broek en de Duitse professor dr. H. Lademacher, voor een volle zaal genodigden, onder wie vertegenwoordigers van de Duitse ambassade en het ministerie van BZ. De directeur van Clingendael, professor dr. A. van Staden, trad op als voorzitter [10]. Peter Hintzen had dus zijn kantoor in het centrum Amaliastraat 10 en was de gangmaker achter vele activiteiten daar, onder andere rondetafelgesprekken tussen politici, werkgevers en vakbonden. Zijn duizelingwekkende dadendrang was voor zijn collega’s soms moeilijk bij te houden. Door de columns die hij zesentwintig jaar lang in Nieuw Wereld Nieuws schreef en door zijn boeken en andere publicaties heeft hij het denken van velen beïnvloed. In 1986 werd hij ter gelegenheid van koninginnedag benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau, als – in de formulering van de Staatscourant – ‘hoofd van de Morele Herbewapening Nederland’. De onderscheiding werd verleend op voordracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken vanwege zijn veertig jaar lange werk voor MH, o.a. in Duitsland, India, Pakistan, Japan en Latijns-Amerika. Burgemeester Schoute van Wassenaar noemde hem een bruggenbouwer onder andere door de organisatie van industriële rondetafelconferenties in het Zwitserse Caux.
Getrouwd met Latijns-Amerika
In het centrum aan de Amaliastraat werd niet alleen het werk in Nederland georganiseerd. Er werd nauw samengewerkt met andere Europese landen, en er was ook zorg voor en om landen in andere continenten. Het ging daarbij altijd om persoonlijke contacten, vriendschappen die over de jaren opgebouwd werden. Een voorbeeld daarvan was de band die Peter en Digna Hintzen hadden met Colombia. Ze waren er als pas getrouwd stel geweest en vanaf 1972 brachten ze daar, en ook in andere Latijns-Amerikaanse landen, ongeveer ieder jaar enkele weken tot enkele maanden door. Peter Hintzen zei dat hij, toen hij met Digna Philips trouwde, spoedig merkte dat hij ook met Latijns-Amerika getrouwd was. Zij had voor haar huwelijk namelijk drie jaar in Argentinië gewerkt. Ieder jaar deden ze verslag in Nieuw Wereld Nieuws en brachten ze dat verre continent dichterbij. Na één zo’n bezoek aan Colombia begin 1993 schreven ze over hun belevenissen: ‘Zevenentwintig dagen, twee conferenties, acht spreekbeurten, eenendertig maal buitenshuis voor een maaltijd genodigd en dertig afzonderlijke afspraken…Bus in, bus uit. Telkens weer op stap langs straten met vervaarlijke valkuilen. Wat is hiervan het rendement? In de eerste plaats hebben we hen die ons hebben uitgenodigd gesterkt in hun geloof en bemoedigd. Een land zoals Colombia kun je niet met een magische staf goed toveren… Maar je kunt meegaan in een stroom van goddelijk bestier.’ Zo zagen ze dat. Ze voelden zich erheen geleid, geroepen, ongeacht of er zichtbare resultaten waren. Ze voelden zich voor altijd verbonden met de ‘fantastische mensen daar, die zich willen en durven inzetten' [11]. In 1993 ontving Peter Hintzen uit handen van de ambassadeur van Colombia in Nederland Alberto Villamizar de onderscheiding van commandeur in de Orde van Verdienste van de Republiek Colombia, onder andere voor de brugfunctie die hij had vervuld tussen de ambassade van Colombia en het Ministerie van Buitenlandse Zaken en zijn objectieve artikelen over dit land in diverse kranten. Maar de concrete aanleiding was zijn voorzitterschap tijdens een seminar in het Vredespaleis in 1990, waar drie Colombianen en hun Nederlandse vakgenoten op het gebied van justitie, de pers en commercie een inleiding hielden voor een zaal van belangstellenden. Het was op het hoogtepunt van het drugsgeweld in Colombia en beschuldigingen vlogen over en weer ('hoe durfden Europeanen iets te zeggen over geweld in een ander land, terwijl zij de meest bloedige oorlogen uit de geschiedenis hadden ontketend?!’). De manier waarop Hintzen met humor en liefde voor beide werelddelen de woelige baren wist te kalmeren, bezorgde hem de erkentelijkheid van de Colombianen [12]. In juni 2005 vertelde de Colombiaanse ambassadeur in Den Haag, dr. Guillermo Fernández de Soto, aan Digna Hintzen-Philips dat de Colombiaanse regering besloten had haar ook te onderscheiden en wel tot Groot-officier in de Orde van Nationale Verdienste ‘als erkenning voor uw werk en uw speciale genegenheid voor ons land, alsmede voor uw bijzondere persoonlijke kwaliteiten’. De onderscheiding wordt haar in september 2005 uitgereikt.
Sociaal-democraat
Tegenover het bureau van Peter Hintzen stond het bureau van Aad Burger. Hintzen was liberaal, Burger was en is sociaal-democraat. De vrienden en collega’s waren het lang niet altijd eens op politiek gebied, maar met die verschillende invalshoeken hielden ze elkaar wel in evenwicht. Na zijn studie rechten in Leiden ging ook Aad Burger fulltime met MH werken. Vanaf 1952 werkte hij enkele jaren in Afrika. Tijdens zijn verblijf in Nigeria kreeg hij polio. Hij zegt hier zelf over: ‘Tijdens de reis door Nigeria toen ik gezondheidsklachten kreeg, maar de goede diagnose nog niet was gesteld, werd ik een keer ’s nachts wakker en kreeg ik heel duidelijk de gedachte “het kan zijn dat je verlamd raakt”. Toen daarna de diagnose van polio kwam, had ik het gevoel dat God me gewaarschuwd had en me kracht gaf het te doorstaan. Volgens de dokter die me behandelde herstelde ik naar omstandigheden goed. Veel andere patiënten raken in de put en dat heeft volgens deze dokter een negatief effect op het herstel. We waren overtuigd dat God voor ieder mens een plan heeft. In je leven moet je proberen te ontdekken wat dat plan voor je is en dat volgen en dit wordt niet belemmerd door je gezondheid. Dit heeft me geholpen mijn handicap te accepteren en me niet uit het veld te laten slaan.’ Aad Burger komt uit een sociaal-democratisch nest met een christelijke achtergrond. In de jaren zestig gebeurde er iets wat hem deed besluiten actiever in de politiek te worden. Enkele mensen in de PvdA keerden zich toen tegen de ideeën van MH - of wat ze dachten dat die waren. Een Amsterdamse PvdA-afdeling diende een motie in voor een landelijk congres waarin het gedachtegoed van MH werd bekritiseerd en de partij gevraagd werd zich daartegen uit te spreken. Op voorstel van het partijbestuur werd de motie niet behandeld omdat de PvdA als traditie had geen standpunt ten aanzien van godsdienstige of geestelijke stromingen in te nemen. Maar het gevolg hiervan was wel dat sommigen van het team van MH die lid waren van de PvdA of er op stemden, besloten actiever in de partij te worden. Burger was een van hen. Hij zegt hierover: ‘We wilden nadenken hoe de ideeën van MH ook op het terrein van de politiek beter te verwoorden, niet alleen in de PvdA, maar ook in contacten met de christelijke partijen, de VVD enz. Ik vond het van belang voor de maatschappij dat het ideeëngoed van MH en praktisch toegepast christendom ook het socialisme en de sociaal-democratie zou helpen haar idealen beter te verwezenlijken. Ik vond dit overigens geen eenvoudige taak en ik wist ook niet goed hoe ik er mee moest beginnen. Ik ben er van uitgegaan dat ik de mensen en situaties die op mijn weg kwamen open tegemoet moest treden, vrienden kon maken en oplossingen kon helpen zoeken voor de problemen in de maatschappij en het resultaat over te laten.’ In die tijd schreef hij ook regelmatig bijdragen voor het blad Tijd en Taak, onafhankelijk blad voor evangelie en socialisme, uitgegeven door de Woodbrookers te Bentveld. In Utrecht heeft Aad Burger een aantal bestuurlijke functies in de PvdA vervuld. Vele jaren is hij ook namens het gewest Utrecht lid van de partijraad geweest en hij was vijftien jaar gemeenteraadslid voor de PvdA. Mede vanuit dit werk is hij actief betrokken geraakt bij Hope in the Cities, een van de internationale programma’s van Morele Herbewapening. In 1968 is Aad Burger getrouwd met Josiene, dochter van Dirk de Loor, toen burgemeester van Delft. Zij kwam ook uit een christelijk en sociaal-democratisch nest. Josiene had een aantal jaren fulltime met MH in het buitenland gewerkt, vaak als lid van een internationaal koor. Daarna was ze teruggekeerd in het onderwijs, laatstelijk als hoofd van een kleuterschool. Na hun huwelijk nam ze ontslag om met Aad samen te kunnen werken. Met de kennis die ze had door haar opleiding als kleuterleidster hielp ze Digna Hintzen om de opvang en begeleiding van kinderen in Caux zo professioneel mogelijk te maken. Het was een grote slag toen ze heel onverwachts in september 1997 overleed. Digna Hintzen zei op haar begrafenis: ‘Als je voor kleine kinderen zorgt moet je betrouwbaar zijn: ouders en kinderen moeten van je op aan kunnen. Dat was Josiene in hoge mate, trouw en betrouwbaar. Ze was een grote steun op ons kantoor aan de Amaliastraat. Haar dienende aanwezigheid bracht licht en vreugde’ [13]. Begin jaren tachtig waren Aad en Josiene een gespreksgroep begonnen met mensen uit Utrecht en omgeving. Ze wilden persoonlijke contacten leggen en bruggen bouwen tussen Nederlanders en migranten. Ze hadden het idee dat je langs de problemen in de wereld heenloopt als je alleen met autochtone Nederlanders spreekt. Aad Burger vertelt dat ze dan ook actief hun best gedaan hebben mensen met verschillende achtergronden bij deze gespreksgroep te betrekken. Ook na het overlijden van Josiene heeft Aad de gespreksgroep voortgezet [14]. Op 29 mei 2004 werd Aad Burger, bij bevordering, benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Burgemeester Brouwer-Korf van Utrecht zei bij de uitreiking van de onderscheiding o.a.: ‘Kijken naar de wereld. Kijken naar jezelf, daar de conclusies uit trekken en daarnaar handelen. U behoort tot het zeldzame soort mensen die dat nu al bijna een halve eeuw met grote overtuiging en consequentheid doet.’ Ze wees op Burgers betrokkenheid op ‘nationaal en internationaal niveau bij de Stichting Morele Herbewapening, die sinds 2001 Initiatives of Change heet.’
Huis met een hart voor de wereld
Na de verbouwing in 1972 werd het mogelijk het pand Amaliastraat 10 ook te bewonen. Dit is sindsdien onafgebroken gebeurd. Zowel zij die er woonden als zij die er werkten, maakten dat dit huis altijd meer was dan het centrum van MH in Nederland. Door de contacten met andere landen en werelddelen was het een huis met een hart voor de wereld. Eerder schreven we al over de betrokkenheid van Peter en Digna Hintzen met Latijns-Amerika. Anderen hadden contacten met Afrika of Azië. Dick en Agathe van Tetterode bijvoorbeeld, de eerste bewoners van de Amaliastraat na de verbouwing, hielden nauw contact met Indonesië. Van Tetterode, die opgeleid was tot arts, heeft zijn hele leven fulltime met MH gewerkt, waar hij vaak wel gebruik heeft kunnen maken van zijn opleiding. Na zijn tijd in het leger, werkte hij met vele anderen in Duitsland. Hij was erg onder de indruk van het boek Médecine de la personne van de Zwitserse arts Paul Tournier over de psychologische oorzaken van ziektes [15]. Van Tetterode hoopte hier meer over te leren door met mensen samen te werken in het kader van MH. Door zijn keuze heeft hij geen eigen praktijk kunnen opbouwen. Het bracht hem wel naar een aantal andere landen in de wereld, doordat hij geregeld gevraagd werd als arts mee te reizen met internationale gezelschappen die landen in Europa, Azië en Afrika bezochten om door middel van toneelstukken het gedachtegoed van MH uit te dragen. Reeds vanaf de middelbare school wilde hij eigenlijk als zendingsarts in Indonesië gaan werken, maar de verwikkelingen daar vlak voor en na de soevereiniteitsoverdracht maakten dat onmogelijk. In 1970 kreeg hij alsnog de kans Indonesië te bezoeken. Als medisch begeleider reisde hij samen met zijn vrouw mee met de Europese show Anything to Declare in Azië. Tussen de bezoeken aan Maleisië en Australië door brachten ze een bezoek van drie weken aan Indonesië. Dit was het begin van een langdurige relatie met dat land. Tussen 1970 en 1998 brachten zij er een zevental bezoeken, variërend van drie tot acht maanden. Mensen die zich wilden inzetten voor de gedachten van MH probeerden ze te steunen en bemoedigen. Er konden geen openlijke activiteiten plaatsvinden, omdat Soekarno, die bevreesd was voor buitenlandse invloed en vrijheid en democratie geen kans gaf, een verbod op MH had uitgevaardigd. Soeharto liet deze ban in stand en het is niet duidelijk of de ban later is opgeheven. Maar desalniettemin hebben de Van Tetterodes er vele vrienden, met wie ze tot vandaag toe contact houden. Tussen die reizen door woonden ze van 1972 tot 1976 in het centrum Amaliastraat 10 [16]. In 1976 woonden Jan en Anneke van Nouhuys [17] voor een jaar op de Amaliastraat 10 en in 1977 namen mijn echtgenoot en ik er onze intrek. Onze drie kinderen zijn er geboren en opgegroeid. Het kon dus niet anders of ze kwamen andere mensen tegen die er werkten of er voor kortere of langere tijd logeerden, vaak ook uit andere landen en werelddelen. Over het algemeen hebben ze het als een pluspunt ervaren, een verrijking zeggen ze, dat de wereld bij ons over de vloer kwam en vaak het gespreksonderwerp aan tafel was. Onze dochter zei eens, nadat we een vrouw uit Sri Lanka op bezoek hadden gehad, die zich met het vredesproces in haar land bezig hield, dat ze van de avond met haar meer geleerd had dan van heel wat lessen op school. Lotty Wolvekamp, de dochter van Bert en Biny Wolvekamp, woonde er van 1990 tot 2000. Toen Lotty geboren werd, werkte haar vader niet meer fulltime. Maar haar ouders waren nog wel betrokken bij MH en ze herinnert zich de vele filmvertoningen bij haar thuis in Roosendaal. Op 13-jarige leeftijd deed ze al mee met Sing-Out Nederland en een jaar later met de Hollandse Kermis. De dood van haar broer Peter toen ze veertien was, maakte diepe indruk op haar. De manier waarop hij met zijn ziekte was omgegaan, had haar belangstelling voor MH vergroot. Op verschillende momenten in haar leven heeft ze een roepstem gehoord, die zo duidelijk was dat ze dacht dat er iemand achter haar stond. Die roepstem vertelde haar om God te dienen en later om een opleiding tot internationaal secretaresse te doen. Op een onafhankelijke manier heeft ze binnen het werk van MH altijd haar overtuiging kunnen volgen. Die bracht haar onder andere naar Argentinië, waar ze de omwenteling van dictatuur naar democratie meemaakte. Ze is hervormd opgevoed en in 1990 overgegaan tot het rooms-katholieke geloof. Ze beschouwt deze kerk als haar geestelijk thuis, dat ze nodig heeft om haar werk goed te kunnen doen. Vanuit het kantoor op de Amaliastraat hield en houdt ze zich vooral bezig met de internationale organisatie van MH.
Jongeren in actie
Om de jongerenactiviteiten op meer regelmatige basis te organiseren begonnen mijn echtgenoot en ik in 1978 op de Amaliastraat openhuis avonden te organiseren. Deze vonden om de veertien dagen op zaterdagavond plaats, later elke maand. Ze gingen over onderwerpen als relaties, vrede, vrijheid en keuzes maken. Soms ook over de actualiteit, zoals na de staatsgreep in Suriname [18]. Af en toe werden de jongerenbijeenkomsten bij de deelnemers die in verschillende plaatsen woonden en/of studeerden gehouden. Er was een hechte groep jongeren die behoefte had zo nu en dan wat langer bij elkaar te zijn. In 1979 bijvoorbeeld vond, na vijftien jongerenavonden in het voorgaande seizoen, een Pinksterkamp plaats op een natuurkampeerterrein in Zelhem in de Achterhoek. Er waren twee besprekingen per dag en voor de rest was er tijd voor wandelen, sporten, muziek¸ van het buiten zijn genieten, en natuurlijk moest er ook eten klaargemaakt worden. Het was in de tijd van de energiecrisis en de vraag wel of geen kernenergie was actueel. Ook in het Pinksterkamp werd daarover heftig gediscussieerd [19]. Als je de uitnodigingen voor de openhuis avonden en het pinksterkamp bekijkt, valt op dat ze allemaal verluchtigd waren met geestige illustraties. Die waren gemaakt door Marjan Klaasen, in die tijd psychologie studente in Utrecht. Marjan was via een vriendje geïnteresseerd geraakt in MH en kwam in 1974 voor het eerst in Caux. Ze vond het fantastisch hoe mensen daar met elkaar omgingen. Die zomer in Caux bleek vrij ingrijpend. Ze was al aangenomen op de Kunstacademie in Den Haag (na een moeilijk toelatingsexamen) en had er al een kamer. In Caux begon ze te twijfelen over het doel en de zin van kunst, mede doordat er de sfeer heerste dat kunst moest dienen om mensen te veranderen en niet louter om mensen esthetisch genoegen te verschaffen. Nu is ze ervan overtuigd dat kunstenaarsschap niet gerechtvaardigd hoeft te worden. Maar toen sloeg de onzekerheid toe en besloot ze een tussenjaar te nemen om er nog eens goed over na te denken. Dat jaar werd twee jaar, die ze voornamelijk in Tirley Garth, het conferentiecentrum van MH in Engeland, doorbracht. Ze hielp mee met de organisatie van de conferenties, werkte in de keuken en paste op kinderen. Het werk vond ze spannend, maar toch kijkt ze met gemengde gevoelens terug op die twee jaar. Ze bleef het idee hebben dat ze niet goed genoeg was, dat ze meer moest veranderen. Het idee van de kunstacademie had ze inmiddels laten varen en ze besloot psychologie te gaan studeren. Tijdens de vier jaar studie in Utrecht raakte ze langzamerhand verwijderd van MH. Ze zegt daar nu over: ‘Morele maatstaven vond ik wel goed, maar de verplichting erop uit te trekken om mensen te veranderen, wilde ik niet meer. Ik ontmoette zoveel mensen die oprecht waren, die hoefde ik niet te veranderen. Ik ben niet beter dan zij. Toch heb ik er lang een schuldgevoel over gehad. Ik heb een roeping gehad, maar ik ben niet de hele weg gegaan.’ Achteraf denkt ze dat ze zich wellicht teveel wilde aanpassen aan de mores in Tirley Garth en niet genoeg zichzelf is gebleven. ‘Ik ben net een kameleon, dat ik zo lang in iets mee kan gaan.’ Na haar huwelijk in 1980 vertrok ze voor vier jaar ontwikkelingswerk in Peru. Daar had ze plezier van de eigenschap zich makkelijk te kunnen aanpassen [20]. De jongerenactiviteiten gingen door. In 1980 was er weer een Pinksterkamp, mede als voorbereiding op een zomerconferentie voor jongeren te Caux met het thema: ‘De toekomst – onze verantwoordelijkheid’. Omdat het Pinksteren was, werd de vraag besproken wat de Heilige Geest betekent. Een van de jongeren merkte op: ‘Met de maatstaven van eerlijkheid, reinheid, onzelfzuchtigheid en liefde en je geweten kun je logisch nadenken over wat je moet doen. De Heilige Geest betekent voor mij dat God me op de schouders tikt en ik krijg gedachten die niet van mezelf zijn. Door de Heilige Geest maakt God mij iets meteen duidelijk wat een psychiater er misschien na twintig gesprekken uit had gekregen.’ Een ander concludeerde: ‘Als we niet doen wat we eigenlijk weten dat we zouden moeten doen, dan onthouden we andere mensen en onszelf iets, en dat is een hele verantwoordelijkheid.’ Een bezinningsweekend voor jongeren in februari 1981 ging over de vraag wie Jezus Christus is/was. Als begeleider voor de gesprekken was pater Ben Bot uitgenodigd, die actief meewerkte in het team van MH. Als Jezuïet zorgde hij voor de nodige verdieping. Wie was die Jezus, wiens geboorte door een groot deel van de wereld als het keerpunt in de jaartelling aangehouden wordt. ‘Hij is mijn voorbeeld’, zei pater Bot, ‘en hij helpt me ook zijn voorbeeld te volgen.’ Tijdens de Paasdagen van 1984 was er een internationale jongerenconferentie in het conferentiecentrum Woudschoten in Zeist, met als onderwerp: ‘Waarvan wil ik vrij zijn en waartoe?’. Er waren honderdvijftig jongeren uit achttien landen. De conferentie was voorbereid door groepen uit Frankrijk, Engeland, Zwitserland, Scandinavië en natuurlijk Nederland. Een groep Scandinaviërs voerde een wervelende revue op waarin ze de draak staken met het langs elkaar heen leven en de egocentriciteit en opriepen te leven, te hopen en te werken…voor een nieuwe wereld [21]. De conferentie stond in het teken van Pasen, het feest dat staat voor een nieuw begin. Een hoogtepunt was de paasviering met ds. Jaap Windig en pater Ben Bot, waar in vier talen gezongen werd. Een ander hoogtepunt was de opvoering van het toneelstuk ‘Everywoman’ van de Engelsman Hugh Williams door studenten aan de lerarenopleiding te Delft. Hugh Williams was verbonden met het Westminster Theater in Londen en heeft vele toneelstukken voor MH geschreven. Eerder was het stuk opgevoerd in het Waagtheater in Delft en in de Engelse kerk in Den Haag. Everywoman gaat over een succesvolle zakenvrouw die moet kiezen tussen macht en integriteit, en die na confrontatie met de dood een nieuw mens wordt. Het initiatief voor de opvoering was genomen door Annemiek Windig, die studeerde aan de lerarenopleiding en zelf de hoofdrol speelde. De regisseur was Michael Pugh, haar leraar Engels. Annemiek, de dochter van Jaap en Rinske Windig-de Boer, was opgegroeid met de ideeën van MH. Maar het werd echt iets van haarzelf toen ze in 1978 met haar nichtje Johanna de Boer een jongerenconferentie in Tirley Garth meemaakte. Dat was een heel goede conferentie, vertellen ze beiden. Veel plezier en muziek, en heel veel jongeren. Allebei hebben ze daar besloten hun leven aan God te geven. Annemiek: ‘Het ging over relaties en wie of wat er tussen jou en God stond. Toen ik besloot mijn leven aan God te geven, voelde het eerst aan als een grote leegte. Het was pijnlijk, alsof mijn hart uit mijn lijf werd gerukt. Maar die leegte betekende ook ruimte voor iets nieuws, een opgeruimd, opgelucht gevoel. En die leegte vulde zich ongemerkt op met iets nieuws.’ ‘Dit is een keuze die de rest van mijn leven gekleurd heeft’, zegt Johanna. ‘Ik denk dat als ik die keuze niet gemaakt had, ik een heleboel minder plezier in het leven zou hebben gehad. En ook een heleboel bijzondere ervaringen minder. En ik zou niet zijn waar ik nu ben (in Frankrijk, met een Franse man, vier kinderen en aan het lesgeven in Engels en Nederlands). Het is niet altijd makkelijk, maar dat vakje had ik ook niet aangevinkt’ [22].
Commune avant la lettre
Al die jaren was, naast het centrum Amaliastraat 10, ook het huis in Wassenaar aan de Berkenlaan, een integraal onderdeel van de activiteiten van MH in Nederland. In hoofdstuk 5 schreef ik dat Charlotte (Lotty) van Beuningen dit huis speciaal met dit doel gekocht had. In 1955 besloot zij het huis te schenken aan de Nederlandse Stichting van MH - vanaf dat moment betaalde zij huur voor de twee kamers die zij bewoonde, wanneer zij tenminste niet op reis was! Het huishouden op ‘de Berkenlaan’ was een bont gezelschap. Je zou het een commune avant la lettre kunnen noemen. Zo’n tien personen, vaak een echtpaar, soms met kinderen, soms ook buitenlanders, van alle mogelijke verschillende achtergronden, leefden er samen als één familie. ‘Eten jullie dan ook samen?’ was vaak de verbaasde vraag van buitenstaanders aan de leden van deze leefgemeenschap. Het antwoord was ‘ja’; er werd gezamenlijk gekookt en afgewassen. Natuurlijk was het niet altijd makkelijk. Alleen dankzij het eerlijk uitspreken van onderlinge kritiek en door in een tijd van stilte het gezamenlijk doel weer duidelijk voor ogen te krijgen, kon het een vruchtbare leefgemeenschap zijn waar gelukkig ook veel gelachen werd. Er werden regelmatig diners en recepties gegeven, vaak met Nederlandse sprekers of rondom buitenlandse bezoekers, van Braziliaanse havenarbeiders tot leidende figuren, zowel zwart als blank uit Zuid-Afrika. Een van die bezoekers was wel heel opmerkelijk: een Boeddhistische abt uit Thailand, die bij zonsopgang zijn ontbijt kreeg en om half twaalf zijn middagmaal, om dan de rest van de dag te vasten. Toen in 1975 bleek dat er een dringende renovatie nodig was, was Lotty van Beuningen zelf voorstander van het plan het oude, onderhoudsbehoeftige huis te vervangen door een nieuw te bouwen moderne woning op een gedeelte van de grote tuin. Deze nieuwbouw kon bekostigd worden door de rest van de grond te verkopen. Zij heeft wel het begin maar niet meer de voltooiing meegemaakt. In 1976 is zij overleden, 95 jaar oud. Zij wordt door velen met groot respect en waardering herdacht. In 1977 werd het nieuwe huis geopend en ingewijd door dr. A. Simonis, toen nog bisschop van Rotterdam. Het was nog steeds zeer geschikt voor ontvangsten en kleinere conferenties, bijvoorbeeld voor jongeren of gezinnen. Tussen de bedrijven door kon er dan lekker worden uitgewaaid in de duinen of op het strand. Een voorbeeld was de gezinsdag op 1 juni 1980 waar ruim honderd ouders en kinderen uit Nederland en België aan deelnamen [23]. Peter Hintzen organiseerde op de Berkenlaan in de jaren tachtig vijf rondetafelgesprekken op hoog niveau. Daar werden onderwerpen besproken zoals in 1989 de verhouding Noord-Zuid met betrekking tot handel en economische ontwikkeling en de noodzaak van wederzijds respect en ethische maatstaven. Bij het rondetafelgesprek over de verhouding tussen Europa en de Verenigde Staten op 3 november 1986 voerde mr. Hans van den Broek, toen minister van Buitenlandse Zaken, het woord. Een jaar eerder leidde de toenmalige Amerikaanse ambassadeur Paul Bremer III (die in 2003/4 de hoogste vertegenwoordiger van de VS in Irak zou worden) het gesprek in over de waarden die Amerika en Europa verbinden. Ook de Duitse ambassadeur Otto von der Gablentz en Edward Cassidy, de pauselijke nuntius, waren sprekers bij deze gelegenheden. Deze laatste hield een inleiding over de informele diplomatie, de zogenaamde ‘track-two diplomacy’ [24]. Het is niet mogelijk over de Berkenlaan 1 te schrijven zonder Tjits Hoekstra te noemen. Deze verpleegkundige uit Groningen heeft er vanaf het begin gewoond en was de steun en toeverlaat van Charlotte van Beuningen. Tjits Hoekstra was in 1948 toen ze in het ziekenhuis in Groningen werkte via haar predikant in aanraking gekomen met MH. Zij zat in een gesprekskring, die hij leidde, over het zoeken naar de leiding van God in je leven. Later toen ze in het diaconessenhuis in Eindhoven werkte, leerde ze meer over Morele Herbewapening. Met name het idee dat God een plan voor je leven en voor de wereld heeft, sprak haar aan. Als verpleegkundige zag ze het als haar roeping om mensen te helpen genezen. Ook toen ze in 1956 fulltime met MH ging werken, bleef ze deze roeping trouw, al ging het toen meer om de genezing van andersoortige wonden, die mensen in het leven oplopen, door teleurstelling, haat en bitterheid. Omdat het op den duur zowel financieel als anderszins bezwaarlijk bleek er twee centra op na te houden, werd in 1991 besloten de Berkenlaan te verkopen. Tot de verkoop van het huis aan de Berkenlaan was Tjits Hoekstra, eerst samen met Lotty van Beuningen en na haar overlijden met wisselende medebewoners, het hart van dit huis [25].
Samen vanwege de nood in de wereld
In en vanuit de centra aan de Amaliastraat en de Berkenlaan werden tal van activiteiten ontplooid. Meestal waren die gericht op speciale doelgroepen, zoals de industrie, gezinnen, jongeren, vrouwen. Begin jaren tachtig groeide het idee om iets met elkaar te organiseren waar iedereen welkom was. Er waren immers altijd mensen die niet bij een van de doelgroepen hoorden en dus buiten de boot vielen. Maar de belangrijkste reden om samen iets te ondernemen was de nood in de wereld. In een notitie van mijzelf van 1981 lees ik de motivatie hiervoor. ‘We leven in een angstaanjagende wereld. Het meest angstaanjagend is de dreiging van een kernoorlog. Maar ook dat we onze vrijheid verliezen. Onze wereld wordt ontwricht door terreur, dictaturen, armoede, onrechtvaardigheid. De stroom vluchtelingen is niet afgenomen ook al heeft het de aandacht van de wereld niet meer zo. Bijna anderhalf keer de bevolking van Nederland is ontheemd. En Nederland is van top tot teen verdeeld, dat wisten we ook zonder verkiezingsstrijd wel…’ Dit besef leidde tot een aantal nationale conferenties om te beginnen in maart van dat jaar in het conferentiecentrum Woudschoten in Zeist. ‘Hoop in een verbijsterde wereld – door luisteren komt een antwoord’ was het thema. Het verslag van deze conferentie begint met een zin die nu geschreven had kunnen zijn ‘We leven in een verbijsterende, angstaanjagende wereld.’ Het vervolg: ‘In de vredige, bosrijke omgeving van het conferentieoord Woudschoten waren de honderdzestig deelnemers zich van dat feit terdege bewust. Toch was er hoop gebaseerd op het feit dat we kunnen luisteren, kunnen leren, kunnen veranderen.’ De verdeeldheid in Nederland sloeg kennelijk ook op de arbeidsverhoudingen, gezien het feit dat er tijdens deze conferentie een forum was over vruchtbaar overleg in de industrie [26]. Verder waren de jongeren actief en waren er gezinnen met kinderen. Aan de Woudschoten conferentie het jaar daarop, thema ‘Hoe rusten we ons toe voor de wereld van morgen’, deed een groep jongeren mee die de cursus ‘Tien maanden in een wereldperspectief’ volgden. Een aantal jaren, van 1979 tot 1982, konden jongeren tien maanden lang meewerken met MH in Europa en zo zowel de theorie als de praktijk van dit werk leren kennen [27]. Dit tien maanden programma werd mede geleid door Christa Meijer, die na haar verpleegstersopleiding, fulltime met MH ging werken. Zij had ook een ‘Tirley ervaring’ gehad. Voor haar verpleegstersopleiding had ze een jaar in het conferentiecentrum in Engeland gewerkt. Ze heeft daar een fijne tijd gehad, maar de overgang van de wereld in Tirley Garth naar die van de verpleging vond ze heel moeilijk. ‘Eigenlijk’, zegt ze nu, ‘ stond de Tirley gemeenschap erg ver van de werkelijkheid, bijvoorbeeld hoe jongens en meisjes met elkaar omgingen. We zaten aan verschillende tafels te eten! Ik had geleerd in Tirley stille tijd te houden en ik heb geprobeerd dat vol te houden in de verpleging, maar ik vond het moeilijk me staande te houden. Iedereen droeg minirokken en ik een lange rok. In het tienmaanden programma probeerden we net als in Tirley als gemeenschap de nieuwe wereld gestalte te geven. Maar vooral in Tirley was er soms iets wat je een positieve dictatuur zou kunnen noemen, namelijk veel druk. Je was niet echt vrij om kritiek te uiten.’ Toch vindt ze dat ze in die periode veel geleerd heeft waar ze nu wat aan heeft. Bijvoorbeeld dat je niet alleen rekening houdt met je eigen kleine programma, maar ook met dat van anderen. Van het leven in een gemeenschap heeft ze geleerd kritiek te accepteren en ook anderen, als dat nodig is een spiegel voor te houden. Ze heeft geleerd verantwoordelijkheid te nemen voor dingen buiten het gezin en als iets niet goed gaat te proberen er iets aan te doen. En de moed te hebben een afwijkende mening te uiten [28]. In 1987 was het vijftig jaar geleden dat honderdduizend mensen met Pinksteren in de groentehallen in Utrecht bijeenkwamen voor de actie ‘Nieuw Nederland loopt van stapel’. De herdenking, die de titel ‘Vijftig jaar bruggen bouwen’ kreeg had een bescheidener omvang. ‘Honderdduizend konden we niet op de been brengen. Dat was iets van de dertiger jaren.’ schreef Digna Hintzen in Nieuw Wereld Nieuws. Maar toch was het belangrijk een gebeurtenis die voor talloze mensen een koersverandering in hun leven heeft betekend, te herdenken. De pers dacht er kennelijk ook zo over. Veel dagbladen schonken aandacht aan deze gelegenheid. Naast de bijeenkomst, workshops, videovoorstellingen en een receptie was er in het Jaarbeurscongrescentrum een tentoonstelling over Utrecht-1937. De buitenlandse gasten werden samen met enkele Nederlanders ontvangen door de commissaris van de koningin jhr. drs. P.A.C. Beelaerts van Blokland [29].
Oecumenisch karakter
Als je de evenementen van de jaren tachtig bekijkt en door de tweewekelijkse Nieuw Wereld Nieuwsen bladert, valt het op dat dit nog voor de tijd was dat MH intensief dialoog zocht met niet-christelijke godsdiensten en levensbeschouwingen. Af en toe was er een bijdrage over de islam van een abonnee uit Indonesië, maar verder was het referentiekader christelijk, hoewel niet kerkelijk. Pater Bot, die al eerder genoemd is, werkte nauw samen met de hervormde predikant Jaap Windig. Vanaf 1986 verzorgden zij om en om de rubriek ‘Voedsel voor de stille tijd’ in NWN. Bij de eerste aflevering legde pater Bot nog eens uit, waarom het houden van een ‘stille tijd’ nodig is voor de geestelijke gezondheid. ‘Stille tijd is eigenlijk een geestelijke maaltijd, een laven aan de eeuwige bron. Niet alleen bidden, maar ook luisteren. Niet alleen grote waarheden in je opnemen, maar ook nadenken hoe die in je allerdagelijkse leven toe te passen. Niet alleen inzicht krijgen in wat te doen, maar ook de kracht ervoor ontvangen' [30]. Vaak naar aanleiding van bijbelteksten gaan pater Bot en dominee Windig in de rubriek bijvoorbeeld in op de betekenis van stille tijd, morele maatstaven en bidden. Vanaf begin 1988 neemt Bas Woltjer als lid van de redactie deze rubriek over. Hij zette dit voort tot aan het einde van Nieuw Wereld Nieuws in 1996. Op de hierboven genoemde nationale conferentie in het conferentieoord Woudschoten in 1981 hield pater Bot een openingstoespraak over ‘luisteren’. Hij noemde tal van grote voorbeelden van mensen die een innerlijke antenne hadden, zoals Mozes, Boeddha, Mohammed, Jezus, Paulus, en dichter bij onze tijd mannen en vrouwen, een indrukwekkende reeks van luisteraars die de diepste signalen van het menselijk hart wisten op te vangen en zo verantwoordelijke leiders waren voor de mensheid. Om dit luisteren te beoefenen hoef je niet gelovig te zijn. Ieder mens is daartoe geroepen, aldus pater Bot. Terwijl de Oxfordgroep oorspronkelijk in protestantse bodem wortel had geschoten, kreeg Morele Herbewapening dus steeds meer een oecumenisch karakter. Om te beginnen bestond er in de katholieke kerk wel een zekere huiver dat door het houden van stille tijd mensen teveel op hun eigen geweten zouden afgaan, zonder tussenkomst van de kerk in de persoon van de priester. In België, waar het Nederlandse team veel contacten had, hebben de mensen die zich inzetten voor Morele Herbewapening veel last gehad van het boekje van kardinaal Suenens 'Wat moeten we denken van Morele Herbewapening?' [31]. Twee van hen, de Vlaming Lou Reymen, in die tijd administrateur op een middelbare school in Hasselt en de Waal Fernand Maton, toen landmeter in Namen, hebben naar aanleiding daarvan op 11 februari 1976 een onderhoud gehad met kardinaal Suenens. De twee vertelden de kardinaal wat de kennismaking met Morele Herbewapening voor hen betekende en hoe dit hen sterkte in hun katholieke geloof. Ze spraken hun overtuiging uit dat Morele Herbewapening een brug kon zijn die de toenadering tussen Walen en Vlamingen mogelijk kon maken. De twee vrienden Reymen en Maton waren zelf een voorbeeld van die toenadering. Er werd ook van gedachten gewisseld over de uitdrukking ‘Gods leiding’. De kardinaal was zelf in Caux geweest en vond dat daar te pas en te onpas een beroep gedaan werd op Gods inspiratie. Zijn kritiek, die hij verwoord heeft in zijn boekje, kwam erop neer dat Morele Herbewapening zich wel op godsdienstig terrein beweegt, maar in feite een te algemene visie heeft die, aldus de kardinaal: ‘wij niet kunnen beamen vanuit katholiek standpunt. Het volstaat immers niet voor ons aan een ieder te zeggen “Wees betere christen of betere mohammedaan” om te beantwoorden aan de zending die Christus gaf aan de zijnen: “breng mijn boodschap aan allen” [32]. Ondanks deze reserves heeft het werk van MH met name in Hasselt een aantal hoogtepunten gekend. In 1975 bracht een zestigtal leden van de musical Song of Asia een succesvol bezoek aan Hasselt. Er vonden gespreksavonden plaats in een grote katholieke middelbare school in Hasselt op initiatief van de directrice zuster Marie-Christine. Er was in deze periode veel contact tussen Den Haag en Hasselt. Vanuit Hasselt kwamen verschillende keren groepen naar het centrum van MH in Den Haag, een keer kwam een bus met vijftig leerlingen van de school van zuster Marie-Christine. Omgekeerd ging er meerdere keren een groep uit Nederland naar Hasselt, bijvoorbeeld om in deze school klassen toe te spreken over MH. In dezelfde school organiseerde het Belgische team in oktober 1977 een conferentie met meer dan zestig deelnemers, ook uit Nederland en Frankrijk. De verdeeldheid tussen Walen en Vlamingen was een van de onderwerpen. Nog voordat hierover een woord gevallen was, gaven de Vlaming Lou Reymen en de Waal Fernand Maton een demonstratie van eenheid door samen de conferentie te openen. Reymen draaide de nationale spreuk van België ‘Eenheid maakt macht’ om en zei: ‘Waar halen we de kracht vandaan om eenheid te vinden?’. En Maton zei: ‘Voordat ik Morele Herbewapening ontmoet had, wilde en durfde ik geen Nederlands te spreken. Het geeft je een gevoel van meer te zijn als een ander jouw taal spreekt. Het was het eerste punt van verandering voor mij om Nederlands te spreken. Ik vind het een mooie taal en ik spreek het graag. Ik ben er cultureel rijker op geworden.’ Overigens kwamen de deken en de hulpbisschop van Hasselt naar een filmvoorstelling die onderdeel was van deze conferentie [33]. In Nederland waren de katholieke autoriteiten minder kritisch. De karmeliet pater dr. A. van der Wey was ervan overtuigd dat de ontmoeting met MH ook voor katholieken heilzaam kon zijn en heeft dat in artikelen en toespraken uitgedragen [34]. Langzamerhand groeide in de katholieke wereld de overtuiging dat de ontmoeting met MH mensen niet van het eigen geloof afbracht, maar er juist dichter bij. Die toenadering blijkt niet alleen uit de inzet van pater Bot, maar ook uit het feit dat dr. Simonis, toen hij nog bisschop was van Rotterdam, zowel de opening van het centrum in Wassenaar verrichtte als ook een nationale conferentie in Zeist toesprak. Ook zijn opvolger in Rotterdam, bisschop Bär, sprak een conferentie van MH toe in Bunnik [35]. De verbeterde verstandhouding bleek ook uit een gezamenlijk project in 1982 van de Algemene Kristelijke Kunstenaarsvereniging (AKKV), de Franciscaanse Samenwerking en Morele Herbewapening. Het was de uitvoering van de éénmansshow ‘Un soleil en pleine nuit’ over het leven van Franciscus van Assisi. Deze MH-productie die geschreven is door de Engelsman Hugh Williams en gespeeld werd door de Franse mimeartiest Michel Orphelin, laat zien hoe een hedendaagse Franciscus reageert op de uitdagingen van onze tijd. De uitvoeringen in Den Bosch en Nijmegen werden goed bezocht. In Nijmegen kwamen nogal wat Fransiscaanse religieuzen en in Den Bosch bevonden zich de commissaris van de koningin J.D. van der Harten en bisschop Bluyssen van Den Bosch onder het publiek. Lotty Wolvekamp, die namens MH bij de organisatie betrokken was, bewaart goede herinneringen aan de samenwerking met de AKKV en de Franciscanen [36]. De positieve houding van de eerder genoemde nuntius in Den Haag, kort daarna benoemd tot kardinaal, Edward Cassidy, en van kardinaal Franz König, aartsbisschop van Wenen hebben ook bijgedragen tot een beter begrip over en weer. Sinds 2000 werkt MH samen met de katholieke lekenbeweging San Egidio. De oprichter van San Egidio, Andrea Riccardi, sprak in 2004 tijdens de zomerconferentie in Caux een van de zogeheten Caux-lezingen uit. Dit hoofdstuk begonnen we met de Amaliastraat. Wea Driessen hoopte altijd dat er een vervolg geschreven zou worden op 33 jaar Amaliastraat 10. Uit dit en de volgende hoofdstukken blijkt hoezeer de Amaliastraat 10 het brandpunt van de activiteiten bleef. Dit centrum van MH is inmiddels de vijftig gepasseerd. Het vervolg wordt nog dagelijks geschreven.
Noten
[1] In de oorlog was er geen kantoor of huis van waaruit het werk van MH georganiseerd werd. Omdat daar na de oorlog weer behoefte aan was, boden de Amsterdamse zakenman Ton Dake en zijn vrouw Lena hun zomerhuis in Blaricum aan Bert en Biny Wolvekamp aan om er te wonen en als kantoor te gebruiken. De familie Wolvekamp woonde er van 1947 tot en met 1950. Biny vertelt dat ze er veel gasten ontvangen hebben en dat Heleen Dake, dochter van Ton en Lena, regelmatig kwam om te helpen.
[2] Een ander meetbaar effect: Dankzij ontmoetingen en afspraken binnen de jute-industrie werd in 1965 via de FAO een wereldverdrag gesloten over prijsstabilisatie van jute. Tijdens moeizame onderhandelingen, waarbij veel wantrouwen overwonnen moest worden, werd uiteindelijk het prijsvoorstel van de Pakistaanse gedelegeerde aanvaard dankzij bemiddeling van Robert Carmichael, destijds voorzitter van de beroepsorganisatie van de Franse en Europese jute-industrie en nauw betrokken bij Morele Herbewapening. Robert Carmichael, par lui-même, uitgave Les Editions de Caux, 1975.
[3] Interview met Bas en Joos Woltjer-Dorgelo op 11 juni 2004.
[4] Het begon met het echtpaar Rokker dat na een verblijf in Caux in 1951 vond dat er in Den Haag een kantoor van MH moest komen. De heer Rokker nam het initiatief om de parterre verdieping aan de Amaliastraat 10 voor dit doel te huren. Wea Driessen, 33 jaar Amaliastraat 10, Den Haag, december 1985.
[5] NWN, 1972, nummer 22.
[6] Wea Driessen, 33 jaar Amaliastraat 10. Den Haag, december 1985.
[7] Idem. In een hoofdstuk getiteld ‘Werk en werkers’ probeert Wea Driessen een zo volledig mogelijk beeld te geven van wie er allemaal hun beste vrijwillige krachten gaven in die 33 jaar. Voor het financieel beleid en de administratie daarvan waren dat: Albert de Brauw (die ook de eerste voorzitter van de stichting, opgericht in 1948, was), Aad Stoop, Johan van der Veen en Sophie de Bordes. Zij hielden ook de kasboeken bij, werk dat later werd overgenomen door Paul Flemming, Hens Burger sr, Trudes Voorhoeve, Jan in’t Veld en Wiep van der Zee. Aan de algemene administratie werkten behalve Wea Driessen zelf in verschillende periodes mee: Lisa Warmenhoven, Elly Roetemeijer, Henriëtte Lohman, Bas Woltjer, Toos Siraa, Nella de Kiefte, Claar Naudin ten Cate, Annie in ’t Veld, Coby Bijl, Maggie Jeltes, Aad Steinfort. Voor de abonnementenadministratie werd Wea Driessen geholpen door Willemien Boissevain, die het later van haar overnam. Van de dames die de adressen schreven, noemt Wea Driessen: Addy Stoop, Renira van Heeckeren, Gusta Voorhoeve, Jo Flemming, Ans Jansse, Henriëtte Lohman, Annie Sillem en Loukie Beels (zij had het mooiste handschrift). En van de secretaresses: Ineke van Randen, Greet Hoekstra, Fien Driessen (haar dochter), Agathe van Tetterode en Anneke de Pous, later van Nouhuys. Zij werkte ook als redactielid van NWN. Zeer gewaardeerd waren de gastvrouwen die beurtelings de lunches verzorgden: Henriëtte Lohman, Jo Burger, Jo Flemming, Claar Naudin ten Cate, Ans Jansse, Gusta Voorhoeve, Joy Ife, Nona de Brauw, Renira van Heeckeren, Annelou Teixeira, Anneloes Tonckens en Riek de Boer. De boeken en brochures werden verzorgd door Johannes de Boer en Romo Gunning, en later door Jan Bijl, Jo Siraa en Willemien Boissevain. Deze laatste heeft ook met hulp van Jan Bijl en Bas Woltjer het boekenarchief aangelegd. De boekbestellingen deed Aat Dekker. Het fotoarchief was samengesteld door Nona de Brauw en Leni de Haan. Ans Jansse hield het krantenarchief bij.
[8] Dat was nodig omdat het beleid hier bijna geheel bepaald werd door Engeland, vergelijk begin hoofdstuk 7.
[9] Duitsland - bewogen hart van Europa, Uitgeverij SUN, Nijmegen, 1996. Andere boeken van Peter Hintzen: Een idee waarvoor de tijd gekomen is, Uitgave Nieuwsdienst Morele Herbewapening, 4e druk 1987; Spoorloos in Bengalen, Omniboek, Den Haag; Het verleden spreekt mee. Rondgang door de vaderlandse galerij, Uitgeverij Kok, Kampen, 1986; Rotterdam en de eeuw van het goede geweten, Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1989; Spaans-Amerika. Onbekend - onbemind - onbegrepen, Uitgeverij Kok, Kampen, 1992.
[10] Verslag hiervan in NWN, 1996, nummer 9 door Aad Burger. Professor Lademacher was directeur van het Zentrum für Niederlande-Studien van de universiteit van Münster. De bijeenkomst was belegd door het Instituut Clingendael samen met de Stichting ter Bevordering van Duitslandstudiën In Nederland.
[11] NWN, 1993, nummer 3.
[12] NWN, 1993, nummer 4.
[13] Afscheidswoorden van Digna Hintzen-Philips bij de begrafenis van Josiene Burger-de Loor op 22 september 1997.
[14] Interview van Jonneke Burger met Aad Burger, augustus 2003
[15] Dr. Paul Tournier, Medecine de la personne. In Nederland uitgekomen onder de titel Radicale Therapie, Uitgeverij W. Ten Have N.V., Amsterdam, vierde druk 1950. Tournier heeft dit boek opgedragen aan Dr. Frank N.D. Buchman, ‘wiens boodschap een diepgaande invloed op mijn persoonlijke leven uitoefende en mij tot nadenken dwong over de eigenlijke zin van mijn roeping’.
[16] Interview met Dick en Agathe van Tetterode-van Walré de Bordes op 7 juni 2004. Zie ook Ander Nieuws mei/juni 1998.
[17] Zie ook hoofdstuk 9. Jan van Nouhuys trouwde in 1976 met Anneke de Pous, dochter van Cor en Sijtje de Pous.
[18] V.S. Badal van de Stichting voor Surinamers sprak op 12 april 1980 over de toestand in Suriname die geleid heeft tot de grote uittocht naar Nederland, over de staatsgreep en de situatie van Surinamers in Nederland. NWN, 1980, nummer 6.
[19] Voor een verslag, zie NWN, 1979, nummer 12.
[20] Interview met Marjan Klaasen op 31 maart 2005
[21] De Noren uit deze groep, die nu zelf gezinnen hebben, zijn degenen die in 2003 begonnen zijn weer gezinsconferenties in Caux te organiseren.
[22] Interview met Annemieke Kes-Windig op 7 juni 2005 en met Johanna Jaulmes-de Boer op 16 juni 2005.
[23] NWN, 1980, nummer 11 en nummer 12.
[24] Aantekeningen en correspondentie van Peter Hintzen.
[25] Interview met Tjits Hoekstra op 9 juni 2004.
[26] Zie hoofdstuk 7 ‘Initiatieven in het bedrijfsleven’; NWN, 1981, nummer 11.
[27] Tussen 1981 en 1986 waren er 4 meerdaagse conferenties in conferentiecentrum Woudschoten, in 1984 en 1988 waren er conferenties in een hotel in Bunnik en in 1989 was er een conferentie in een congrescentrum in Wageningen.
[28] Interview met Christa Bräckle- Meijer op 24 juni 2005.
[29] De volgende dagbladen schreven hierover: De Volkskrant, Telegraaf, Utrechts Nieuwsblad, Binnenhof, De Gooi- en Eemlander en De Stem. Peter Hintzen werd geïnterviewd door de VPRO. Zie ook NWN, 1987, nummer 13.
[30] NWN, 1986, nummer 4.
[31] Kardinaal Suenens, Wat moeten we denken van Morele Herbewapening?, Antwerpen, 1953.
[32] Uit het verslag van het onderhoud op 11 februari 1976 door F. Maton en L. Reymen dat is goedgekeurd en aangevuld/verduidelijkt door L.J. kardinaal Suenens op 23 maart 1976.
[33] NWN, 1974, nummer 14 en 18; 1975, nummer 2; 1977, nummer 18.
[34] Herinneringen van Pater dr. A. van der Wey O. Carm. , Cahier 4 in de Memoreeks – herinneringen aan personen en gebeurtenissen uit het katholieke leven, uitgave van het katholiek documentatiecentrum/Nijmegen 1976. In een aantal artikelen in De Bazuin verdedigt pater Van der Wey Morele Herbewapening en levert hij kritiek op het boekje van ds. A. van der Heuvel Aanbidding van de Status Quo: ‘Dit geschrift geeft een mistekend beeld van de Morele Herbewapening, put hier en daar uit troebele bronnen en bevat vele onjuistheden’, aldus Van der Wey.
[35] NWN, 1984, nummer 4.
[36] NWN, 1981, nummer 18; 1982, nummer 21.








