REIKEN NAAR EEN NIEUWE WERELD
HOOFDSTUK 10

Hoofdstuk 10

Op weg naar verandering, verzoening, vrede...

Vrede wil iedereen, maar de weg ernaartoe is geplaveid met struikelblokken en wegversperringen. Zo wordt een mens ergens op die weg geconfronteerd met de noodzaak van een verandering in het eigen hart. We zien die noodzaak het scherpst bij anderen, maar het begin ligt bij onszelf. Dit zou wel eens de grootste wegversperring kunnen zijn, want verandering in het eigen hart vraagt een openheid en kwetsbaarheid die we niet altijd kunnen opbrengen. Woede, haat, verbittering en verontwaardiging kunnen een muur van zekerheid vormen waar we maar met moeite afstand van kunnen nemen, ook al maken deze gevoelens ons van binnen ziek. Daarnaast helpt de omgeving ook niet altijd. Dit ervaart Lou Reymen uit Hasselt (België) [1] wiens dochter Ann in 1988, 23 jaar oud, vermoord werd door haar ex-vriend. 'Het is vreemd,' zegt Reymen, 'Als ik ziek ben, komt iedereen met adviezen om me te genezen. Maar als ik ziek ben van haat, wil niemand me genezen. Integendeel, iedereen wakkert het vuur van de haat aan door te zeggen: "Als ik jou was, zou ik hem vermoorden."' Rond 1970 had Reymen via een radio-uitzending kennis gemaakt met Morele Herbewapening. Dit hielp hem in de jaren daarna zijn geloof in praktijk te brengen. Toen hij en zijn vrouw Mariëtte het ergste nieuws ontvingen wat ouders kunnen krijgen, vroegen zij zich af wat hun geloof in deze verschrikkelijke omstandigheid zou kunnen betekenen. Ze dachten aan de ouders van de moordenaar. Wat moest het voor hen ook vreselijk zijn. Via de plaatselijke pastoor lieten ze hen weten dat ze bereid waren hen te ontmoeten. Twee uur later ging de bel: de ouders van de moordenaar. De twee vrouwen huilden, vielen elkaar om de hals en troostten elkaar. Met zijn vieren baden ze voor hun kinderen.

De eerste stap

Terugkijkend zegt Lou Reymen dat hij dankzij deze stap vrij is gebleven van haat- en wraakgevoelens. In deze periode dacht hij terug aan twee vrouwen die hij jaren eerder in Caux ontmoet had en die voorbeelden voor hem waren. Een Ierse vrouw had hem verteld dat ze de moordenaars van haar zoon wilde ontmoeten. Een Zwitserse vrouw, die na een ernstig auto-ongeluk blijvend invalide was geworden, leerde hem nooit te vragen waarom iets in je leven gebeurt, maar hoe je kunt leren inzien waartoe iets in je leven gebruikt kan worden. Enige maanden na de dood van zijn dochter nam Lou contact op met de ouders van een vermoord kind in Leuven. Dat was het begin van de organisatie Ouders van een vermoord kind. De ouders ontmoetten elkaar om de beurt bij elkaar thuis, waar ze samen de maaltijd gebruikten. ‘Het praat gemakkelijker om de eettafel’, zegt Reymen. Iemand van het slachtofferhulpcentrum in Leuven zat bij de gesprekken. Hij hielp later met het schrijven van het boek Leven met een schaduw, dat de ervaringen van deze ouders bevat [2]. Het boekje heet zo omdat de vreselijke gebeurtenis de nabestaanden hun hele verdere leven vergezelt. 'Het is alsof het gisteren gebeurd is', zegt Lou. 'Ik huil niet meer zoveel als in het begin, maar de pijn blijft hetzelfde.' Er staan ook tal van aanbevelingen in, zoals het serieus nemen van preventie. Zijn dochter had bij herhaling, maar tevergeefs, bescherming gevraagd omdat ze met de dood bedreigd werd. Nu neemt de politie preventie een stuk serieuzer. Een andere aanbeveling die is opgevolgd, is dat er nu op de parketten justitieassistenten aanwezig zijn die de slachtoffers bijstaan. Het boek wordt in België gebruikt bij de politieopleiding. Door deze gebeurtenis, die zijn leven totaal veranderde ('Er is een leven vóór Ann en een leven na Ann'), had Lou gemakkelijk verteerd kunnen zijn door haat. Maar hij koos voor die andere weg, waar ergens ook het woord vergeving opduikt. Hij zou graag de moordenaar in een persoonlijk gesprek willen vergeven, maar zijn omgeving denkt hier vaak anders over. De anderen van de organisatie Ouders van een vermoord kind vinden dat hij met zijn praten over vergeving veel te ver gaat. Ook in twee optredens met lotgenoten in het Nederlandse televisieprogramma Lief en Leed, merkte hij dat hij helemaal alleen stond met zijn idee dat de weg van haat een doodlopende weg is. Menselijk gezien, heeft Lou gemerkt, is wreken en haten normaler, gemakkelijker, spontaner. Maar het leidt ook tot zelfdestructie. Je gaat er innerlijk aan kapot, terwijl de betreffende persoon soms niet eens weet dat hij gehaat wordt. Vergeven is niet iets gewoon menselijks en vanzelfsprekends. Lou Reymen voelt het als een genade dat hij heeft mogen vergeven. De eerste stap is volgens hem het belangrijkst. Deze geeft de intentie weer. Als de eerste stap eenmaal gezet is, moet de rest groeien. Het heeft hem geholpen dat hij over die eerste stap kon praten. Daardoor kon hij trouw blijven aan zijn overtuiging: geen haat, geen wraak, geen verbittering.

Loslaten van oud zeer

In november 1999 vond in het centrum van Morele Herbewapening in Den Haag een conferentie plaats over het thema 'De kunst van het ouder worden' [3]. Als een belangrijk onderdeel van die kunst kwam toen naar voren: het loslaten van oude pijn. Als je niet wacht tot je sterfbed, maar al veel eerder leert oud zeer, woede, frustraties, aversies, ja zelfs haat los te laten, komt de weg vrij voor iets nieuws. In een van de gespreksgroepen waren twee vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog geleden hadden onder de Japanners in Indonesië. Ze waren geheel vrij van haat. Hun levendigheid en positieve kijk op het leven vielen op. De twee vrouwen, Adrie Lindeijer-van der Baan en Else Lüning-Burger, vertelden later hun verhaal aan Geert-Willem Overdijkink, redacteur van Ander Nieuws [4]. Het betreffende nummer kwam uit aan de vooravond van het bezoek van de Japanse keizer Akihito, in het kader van de herdenking van de 400-jarige relatie Nederland-Japan. Een bezoek dat veel felle reacties uitlokte. Uit de verhalen van mevrouw Lindeijer en mevrouw Lüning spreekt een verzoeningsgezinde houding. ‘Ik ben door mijn gevangenschap heen gedragen door God’, zegt mevrouw Lüning. Als Zwitserse hoefde ze het kamp niet in, maar ze ging vrijwillig om haar schoonmoeder niet alleen te laten. Haar man, een Nederlander, werd te werk gesteld aan de Birmaspoorlijn. Ze vertelt over de verschrikkelijke ontberingen in het kamp, waarbij ze wel steeds God nabij heeft gevoeld. Ze kon het opbrengen niet de Japanners te haten maar hun systeem en ze is heel dankbaar dat ze niet met haat in haar hart rondloopt. In het interneringskamp waar Adri - toen nog Van der Baan - was, waren ook haar zuster Riek en haar vriendin Nel Lindeijer. Deze laatste stierf vlak voor het einde van de oorlog aan uitputting en liet vier kinderen na. Adrie en Riek ontfermden zich over hen en Adrie trouwde in 1946 met de vader van het viertal. Met de oudste van deze vier, Wim, is Adrie Lindeijer sinds de negentiger jaren actief bezig met verzoening tussen Nederlanders en Japanners. Verzoening overigens niet gebaseerd op het verdoezelen van het verleden, maar juist op het onder ogen zien van hoe het werkelijk was. En desondanks elkaar de hand reiken. Diverse bezoeken aan Japan hebben hun kijk op Japan veranderd. Wim Lindeijer zegt dat de haat die hij voelde tegen de Japanners de laatste jaren volledig verdwenen is. Hij voelt zich een bevrijd mens. Terugkijkend kan hij drie ervaringen aanwijzen die voor die bevrijding gezorgd hebben. Allereerst was er de afscheidsbrief van zijn moeder Nel. In die brief stond geen enkele aanklacht tegen Japan of de Japanners. Vlak voor haar dood zei ze dat er in een hart vervuld van haat geen plaats voor liefde is. Zij nam op een vredige manier afscheid van het leven en van haar kinderen, wat in het bijzonder op Wim, die toen negen jaar was, een onvergetelijke indruk maakte. Ten tweede was er het dagboek van de vader van Wim in de vorm van brieven die hij indertijd tijdens krijgsgevangenschap op Java en in Japan schreef aan zijn vrouw en kinderen, maar uiteraard niet kon versturen. Uit die brieven spreekt realisme, maar geen rancune. Ze ademen een geloof in God, en liefde en zorg voor zijn gezin. Wim maakte voor het eerst kennis met de brieven toen hij dertien was. Toen hij het veertig jaar later opnieuw las, bewerkte hij het dagboek, voegde er persoonlijke gegevens aan toe en gaf het aan zijn tweede moeder Adrie Lindeijer op haar tachtigste verjaardag. Het bewerken van dit boek heeft hem geholpen het verleden te verwerken. Hij vertaalde het in het Engels en het is nu in het Japans uitgekomen. Dit is de derde ervaring die het laatste restje haat tegen Japan deed wegsmelten: namelijk de reactie in Japan op het dagboek van zijn vader. Er blijkt welgemeende interesse, openheid, ja berouw over de oorlog. Het boek wordt gebruikt in Japan om te helpen de onwetendheid over het Japanse oorlogsverleden weg te nemen.

Gedenkteken in Mizumaki

In Mizumaki op het eiland Kyushu in Japan, waar ook veel krijgsgevangenenkampen waren, is een monument voor de achthonderdachtenvijftig Nederlanders die in kampen in Japan zijn omgekomen. Het gedenkteken is opgericht op initiatief van de Nederlandse ex-krijgsgevangene Dolf Winkler in samenwerking met een plaatselijk comité dat ook verantwoordelijk is voor het onderhoud. In de aanzet en realisering ervan heeft de boeddhistische leraar Y. Ashiba een belangrijke rol gespeeld. Dit is temeer van belang vanwege de kritiek op de houding van de Zen Boeddhistische scholen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kei’itsu Hosokawa, algemeen-secretaris van de Myoshin-ji School van het Rinzai Zen Boeddhisme, gaf in oktober 2002 een verklaring uit waarin hij namens zijn organisatie officieel verontschuldigingen aanbiedt voor de gedragslijn in de oorlog. Hij zegt te betreuren dat de Myoshin-ji School en de boeddhistische geestelijkheid in Japan niet alleen geen tegenstand heeft geboden, maar de oorlogsinspanningen zelfs actief heeft bevorderd [5]. Op 5 oktober 1997 sprak Wim Lindeijer bij de jaarlijkse herdenking in Mizumaki. Hij vroeg daar vergeving voor de haat die hij tegen Japan gevoeld had. Lindeijer gelooft dat zijn opstelling belangrijk is om tot verzoening te komen en anderen aan te moedigen zich te bevrijden van de gevoelens die ons van elkaar gescheiden houden en zich te bezinnen op verandering, verzoening en vrede. Hij heeft er begrip voor dat mensen genoegdoening, ook materiële, vragen en zelfs eisen. Maar hij gelooft ook dat die genoegdoening nooit genoeg zal zijn voor een hart dat niet bevrijd is van haat. De bevrijding van haat en rancune is voor hem zo bijzonder, dat hij niet kan nalaten ervan te getuigen. Zoals ook op de conferentie op 2 december 2000 in Elspeet, waar Nederlanders en Japanners zich in een open sfeer bezonnen op hun gezamenlijke geschiedenis, maar ook op het heden en de toekomst. Deze conferentie was een vervolg op een eerdere bijeenkomst dat jaar, die bijeengeroepen was ter gelegenheid van o.a. het verschijnen in Japan van het dagboek van zijn vader, en die ook in het teken stond van bewuste toenadering tussen twee volken in het licht van een pijnlijk oorlogsverleden. Sindsdien zijn er tot eind 2004 acht soortgelijke bijeenkomsten georganiseerd door de stuurgroep Dialoog Nederland-Japan [6].

Ogen geopend

Een van de drijvende krachten achter de ontmoetingen van de stuurgroep Dialoog Nederland-Japan is professor Takamitsu Muraoka, hoogleraar Hebreeuws en lid van de Japanese Christian Fellowship Church of the Netherlands. Sinds 1991 doceerde professor Muraoka aan de Universiteit van Leiden. Meteen na zijn aankomst hier merkte hij de vijandige houding tegenover Japan. De krans die de toenmalige premier van Japan, Kaifu, bij het Indisch Monument in Den Haag had gelegd, belandde later in het water. In 1996 reageerde Muraoka met een ingezonden brief op een negatief artikel over Japan in NRC Handelsblad. De brief werd gepubliceerd en leidde ertoe dat hij contact kreeg met dr. Lindeijer en zijn moeder. Muraoka redigeerde en verzorgde met hulp van drie Japanse dames de Japanse vertaling van het dagboek van Wim Lindeijer sr [7]. Muraoka’s contact met de slachtoffers van de Japanse agressie opende zijn ogen. Hij wist niet wat er in Indonesië gebeurd was. Hij vindt niet dat hij verantwoordelijk is voor wat de Japanse militairen in de Tweede Wereldoorlog gedaan hebben, maar hij schaamt zich er wel voor. Net zoals je collectief trots kunt zijn op je land, kan er ook sprake zijn van collectieve schuld, vindt hij. Professor Muraoka wilde zijn bijdrage leveren om die schuld enigszins te vereffenen door na zijn emeritaat in 2003 ieder jaar een maand zonder vergoeding te doceren in één van de landen die door Japanse agressie geleden hebben. Hij is begonnen met Zuid-Korea in 2003, Indonesië volgde in 2004 en Singapore in 2005. Ook in Nederland gaat hij onverdroten door zijn verzoenende hand uit te steken naar de voormalige slachtoffers van Japan. Zijn nederige en bescheiden opstelling ontwapent mensen. In december 2003 hield professor Muraoka in het centrum van MH aan de Amaliastraat een lezing over Verzoening tussen volken – wat één mens kan doen. Muraoka vond dat de vraag eigenlijk moet zijn: Wat één mens moet doen. Hij vond het motto van de Amaliastraatlezingen van toepassing op zich zelf: Een pionier te zijn voor een positieve verandering in de samenleving, te beginnen in eigen leven. ‘Dat is precies waarnaar ik streef’, zei hij, ‘vanuit mijn christelijke overtuiging.’ Een aankondiging in de Haagsche Courant bracht een aantal mensen naar de lezing die verbonden zijn met het Centrum ’45 in Oegstgeest, dat hulp biedt aan slachtoffers van Japanse interneringskampen. Een van hen organiseerde daarna een vervolgontmoeting met Muraoka en zijn echtgenote, die positief verliep. Een man die tijdens de lezing het niet had kunnen opbrengen de uitgestoken hand van de Japanner aan te nemen, kon dat bij de tweede gelegenheid wel [8]. Deze verhalen laten iets zien van verandering, verzoening en vrede. Het is een weg die je gaat, een proces dat nooit klaar is. Cruciaal is niet of je het bereikt, maar of je bereid bent die weg op te gaan. ‘Op weg naar verandering, verzoening, vrede…’ was het overkoepelende thema van de activiteiten van MH in 1998 en 1999.

Scharnierpunt

Het jaar 1998 was een scharnierpunt wat betreft deze activiteiten. Het begon allemaal met een kritische brief, die in oktober 1997 arriveerde op het kantoor van MH aan de Amaliastraat in Den Haag. De brief was van Jos Sterk, toen beleidsfunctionaris bij de Katholieke Bond van Ouderen. Al jaren zijn hij en zijn vrouw Yvonne betrokken bij het werk van Morele Herbewapening. Ze deden actief mee met het organiseren van de gezinsconferenties. Als babyboomers, komend uit een katholiek milieu, hebben ze de ontzuiling en de democratisering meegemaakt. Ze ontmoetten elkaar in een vormingscentrum voor werkende jongeren. Ze trouwden in de kerk, wat eigenlijk ‘not done’ was in deze kringen, vertelt Yvonne. Onder invloed van de heersende maatschappijkritiek zette Jos het katholicisme aan de kant. Maar aan het eind van de jaren zeventig liep hij, zoals hij zegt, op tegen de grenzen van de maatschappijkritiek. Hij kreeg behoefte aan persoonlijke levensverdieping. Hij verdiepte zich opnieuw in het christendom en het katholicisme, en het gedachtegoed van Morele Herbewapening hielp hem ook verder. Uiteindelijk besloot hij theologie te gaan studeren [9]. In het voorjaar van 2002 rondde hij deze studie af en hij werkt nu als parochiecatecheet in het bisdom Rotterdam. Yvonne zocht in een ietwat andere richting. Na een aantal jaren van grote belasting ontdekte ze dat ze de vermoeidheidsziekte ME/CVS had. Omdat de gewone geneeskunde haar niet kon helpen, wendde ze zich tot de alternatieve geneeskunst. Ze ontdekte het zelfhelend vermogen van haar lichaam en geest. Ze zegt over die ervaring: ‘Ik herkende daardoor in mezelf een innerlijke bron van vrede en geduld en ik hervond een evenwicht in mezelf. Ik ben na dertien jaar zo goed als beter. Ik ontdekte dat het geheel meer is dan de delen. Als de aparte onderdelen niet goed samenwerken word je ziek. Mijn lichaam/geest was in de war doordat er stukken waren overbelast en stukgegaan, samenwerking was daardoor onmogelijk. Door herstel en communicatie is de balans teruggekomen.’ Beiden gebruiken ze hun ervaringen om mensen om hen heen te helpen [10]. Halverwege de jaren negentig sloeg Jos Sterk de ontwikkeling van MH in Nederland met enige zorg gade en besloot hij die zorgen kenbaar te maken. ‘Ik heb de indruk’, schreef hij, ‘dat de kring van mensen die op de bijeenkomsten komen steeds kleiner wordt. Wat ik bemerk is dat de MH steeds een beweging naar binnen maakt. De ontmoetingsdagen krijgen steeds meer het karakter van bijeenkomsten van vaak dezelfde mensen met een programma, dat ook nog eens door dezelfde mensen wordt ingevuld. Vinden jullie zelf, dat het met de MH goed gaat in Nederland? Maken jullie eigenlijk ook elk jaar een werkplan voor de MH? Gewoon een notitie, waarin je een sterkte-en-zwakte analyse en evaluatie maakt en je een aantal plannen (wat wil je, voor wie, waarom en door wie?) aankondigt? Ik wil best in het maken van zo’n notitie meedenken. Zouden deze gedachten tot een nieuwe impuls voor de MH in Nederland kunnen leiden?’ De brief was geadresseerd aan mijn man en mij, maar eigenlijk was de brief ook bedoeld voor de anderen die zich in Nederland fulltime voor Morele Herbewapening inzetten. Wij gingen in op het aanbod van Jos Sterk en hadden op een avond een vruchtbaar gesprek met hem en zijn vrouw Yvonne. Uit deze confrontatie van ideeën ontstond het plan voor een nieuwe organisatiestructuur en in het voorjaar van 1998 kwam een gezelschap van zevenentwintig mensen van verschillende leeftijden een weekend bij elkaar om te brainstormen over het programma van MH. Een handjevol van dit gezelschap werkte op fulltime basis met MH. De meesten hadden andere banen en werkten in hun vrije tijd zoveel mogelijk mee. Iedereen werd gevraagd mee te doen aan een grondige evaluatie van de afgelopen jaren en ideeën te lanceren voor de toekomst. Welke activiteiten van MH hebben je het minst aangesproken, welke het meest en waar moet MH de komende tijd aandacht aan besteden? Er werden werkgroepen gevormd die plannen gingen maken voor de verschillende aandachtsgebieden [11]. Vanaf dat moment wordt in het voorjaar het programma voor het volgende seizoen bedacht. Dit klinkt niet wereldschokkend, maar voor het team van MH was het wel een flinke verandering. Het idee leefde namelijk dat activiteiten geïnspireerd moesten zijn en dat betekende, zo werd gedacht, vaak dat iets op korte termijn gerealiseerd moest worden. Het idee dat je ook geïnspireerd kon zijn over iets dat over een jaar zou gebeuren, betekende een omslag in het denken. Een tiental openbare evenementen, lezingen, cursussen, gesprekskringen en conferenties werd gepland en de gegevens afgedrukt in een folder, ontworpen door de kunstenares Hester Mila-Groeneweg. Dit bleek vele voordelen te hebben. Sprekers zijn makkelijker te boeken, er is beter publiciteit aan evenementen te geven en mensen weten waar ze aan toe zijn. Het jaarprogramma is gevarieerd; het bestrijkt alle terreinen waarop MH actief is, zoals ethiek in het bedrijfsleven, opvoeding en gezin, huwelijk en relaties, interreligieuze en interculturele dialoog/samenwerking, verzoening en vrede, de politiek vanuit een moreel/ethisch gezichtspunt bekeken, persoonlijke en geestelijke vorming [12]. Een nieuwe impuls voor het werk van Morele Herbewapening in Nederland, daar hoopte Jos Sterk op. Die is er inderdaad gekomen. Sinds 1998 laat de opkomst bij de verschillende evenementen een stijgende lijn zien. ‘Wat een geweldige opkomst en sfeer’, mailde iemand na afloop van een evenement. ‘Hoe krijgen jullie dat voor elkaar, wat een netwerk.’ Het groeiende netwerk komt ook door de website die in augustus 1998 online ging. Daarop worden sindsdien alle evenementen aangekondigd en van bijna alles verschijnt een uitgebreid verslag, en/of de integrale lezingen. De bedoeling van al deze activiteiten is een stimulans te zijn voor mensen die de samenleving willen verbeteren door hun persoonlijke inzet. Het blijkt niet moeilijk om ieder jaar weer een rij sprekers te vinden die voor die stimulans zorgen, bondgenoten, mensen die al jaren getuigen van zo’n inzet.

Actief voorbereiden op vrede

Edy Korthals Altes, oud-diplomaat, bleek zo’n bondgenoot te zijn. Hij vertelde op een grote nationale conferentie van Morele Herbewapening op 18 maart 2000 in Holiday Inn in Utrecht over zijn missie. Hij had uit onvrede met de wapenwedloop in 1986 zijn ontslag ingediend als ambassadeur van Nederland in Madrid en sindsdien heeft hij zich met hart en ziel ingezet voor een rechtvaardiger wereld. Verandering en verzoening zijn zekerder wegen naar vrede dan de verregaande militarisering, die nu zelfs de ruimte omvat. Volgens Korthals Altes is militarisering gebaseerd op een verouderd veiligheidsconcept, namelijk dat je je moet voorbereiden op oorlog als je vrede wilt. Integendeel, we moeten ons actief voorbereiden op vrede. Een geestelijke vernieuwing is nodig om het tij te keren, het tij van de almachtige economie, van het idee dat wij een oneindige behoefte zouden hebben aan materiële goederen. Korthals Altes stelde de onnadenkendheid aan de orde waarmee wij als kleine welvarende minderheid in de wereld op deze te grote voet doorleven. Het is een misvatting dat je er als enkeling toch niets aan kunt doen. Korthals Altes riep en roept mensen op een andere weg in te slaan, namelijk de weg die begint met persoonlijke verandering. Al deden we het alleen maar om de wereld voor onze kinderen en kleinkinderen niet tot een hel te laten worden, zegt hij [13]. Om dit uit te dragen gaat hij op hoge leeftijd onvermoeibaar door met lezingen geven in Nederland en in Europa.

In het ruisen van de wind

Om te werken aan verandering, verzoening en vrede heb je een lange adem nodig. Dit weet Amapon Jos Frans Marey als geen ander. Marey is Sera Bawa (letterlijk: grote vorst) van een adellijke familie in de stam van de Waropen die in het westen van de Indonesische provincie West-Papoea woont. Begin jaren zestig van de vorige eeuw was hij adviseur van staatssecretaris Bot van Binnenlandse Zaken toen Nederland onder druk van de Verenigde Naties en met name de Verenigde Staten, het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea moest afstaan aan Indonesië. In het New York Agreement, het akkoord over de overdracht, werd onder meer bepaald dat er een referendum onder de Papoea’s gehouden zou worden over de politieke toekomst, maar dat gebeurde pas in 1969. Bovendien werd er toen geen volksraadpleging gehouden, maar in plaats daarvan werden duizendzesentwintig mensen drie maanden opgesloten in barakken, waar ze onder dwang en met cadeaus werden overtuigd voor aansluiting bij Indonesië te kiezen, het zogeheten ‘musjawarah’, een Javaans systeem. De democratische traditie van de Papoea’s, en van heel Melanesië, waarbij een Raad van Ouderen beslist over allerlei zaken, werd zo genegeerd. In 1963 had Indonesië al de door de Papoea’s zelf gekozen vertegenwoordigende lichamen, de Streekraden en de Nieuw-Guinea-raad ontbonden. Vlak voor de overdracht vertrok Marey hals over kop met andere Papoea-leiders naar Nederland, omdat zij door hun nauwe banden met het Nederlandse bestuur hun leven in Irian Jaya niet meer zeker waren. Voor zijn komst naar Nederland was er echter iets gebeurd waardoor Marey het geweld had afgezworen en overtuigd was geraakt van het belang van vreedzame oplossingen. Samen met andere Papoea’s was hij, aangemoedigd door staatssecretaris Bot, naar een conferentie van Morele Herbewapening in Odawara, Japan gegaan. Voor de Papoea’s, die zeer hadden geleden onder de Japanse bezetting, was het een hele stap om naar Japan te gaan. In Odawara ontmoette Marey mensen die hem ervan overtuigden dat er met haat in je hart geen bruggen tussen mensen gebouwd kunnen worden. Mensen die met hun persoonlijke verhalen indruk op hem maakten waren Frits en Sylvia Philips, die geleden hadden onder de Duitse bezetting, Rajmohan Gandhi uit India die geworsteld had met zijn haat tegen de Engelsen en Chief Walking Buffalo die de Amerikanen vergeven had voor wat ze de indianen hadden aangedaan. Als Marey over Odawara vertelt noemt hij altijd deze namen. Door hen is hij de weg van verzoening opgegaan. Niet dat dat makkelijk was. Marey: ‘Tot op de dag van vandaag vraag ik me af of ik Nederland en het westen niet geholpen heb mijn volk te verkwanselen. Ben ik medeschuldig aan de moord op de honderdduizenden Papoea’s sinds de overdracht? Wat heeft de blanke broeder mij gebracht? Dit dilemma draag ik namens Nederland, en Nederland moet dit met de Verenigde Naties en de Verenigde Staten oplossen.’ Ondanks deze gewetensnood is hij al die tijd trouw gebleven aan het antwoord dat hij in Odawara kreeg op zijn gebed tot God waarin hij vroeg of hij moest vasthouden aan de haat en het verleden. In het ruisen van de wind kwam het antwoord: Zoek een nieuwe weg. In 2001 sprak Marey in Caux tijdens de conferentie Peace Building Initiatives over zijn persoonlijke dilemma, het dilemma van de Papoea’s en zijn zoektocht naar nieuwe wegen van verzoening en dialoog. ‘Ik geloof’, zei Marey, ‘dat er een dag komt dat de Indonesiërs de menselijke waardigheid van de Papoea’s zullen erkennen en dat beide partijen rond de tafel gaan zitten om een nieuwe toekomst te scheppen.’ In 2003 kwam op initiatief van Marey en in nauwe samenwerking met het team van IC in Nederland, een delegatie van zeven personen uit West-Papoea naar de conferentie voor vredesinitiatieven in Caux. Zij vertelden over het breed gedragen initiatief om van Papoea ‘een land van vrede’ te maken [14]. Zij zien de politieke dialoog met de Indonesische regering als enige reële weg. Maar het is evengoed nodig de eenheid tussen de Papoea’s onderling te bevorderen, net als de samenwerking met de Indonesiërs die er sinds de jaren zestig in grote getale zijn gaan wonen. Om op vreedzame wijze een betere toekomst voor de mensen van West-Papoea te bereiken hebben ze de steun van de internationale gemeenschap nodig, zei de Papoea-delegatie in Caux. Daarom waren ze dankbaar voor de belangstelling die er tijdens de conferentie was voor hun verhaal. Ook in Nederland, dat ze daarna aandeden en waar het geld voor deze onderneming bijeengebracht werd, was de belangstelling voor de ervaringen van de Papoea’s groot. En omdat vrede een weg is en niet een eindproduct, zeggen we ‘Wordt vervolgd’ [15].

Verzoening met het leven

Een van de moeilijkste dingen is je te verzoenen met het onvermijdelijke, bijvoorbeeld ziekte en handicap. In onze samenleving houden we daar helemaal niet van. We zouden het onvolmaakte het liefst helemaal uitbannen. Maar het opvallende is dat ziekte en handicap onvermoede krachten van liefde wakker kunnen roepen. Geert en Annemarie Geertsema ontdekten toen hun dochtertje Wendelien drie was, dat ze een vertraagde verstandelijke ontwikkeling doormaakte. Die ontdekking was het begin van een lange tocht door de wereld van de gezondheidszorg, waarbij ze veel steun gehad hebben van doktoren en hulpverleners, maar ook hun eigen inzicht volgden. Dit laatste heeft er o.a. toe geleid dat ze hun dochter gedurende een periode, waarin zij een ernstige gedragsstoornis vertoonde, uit het psychiatrisch ziekenhuis hebben gehaald - waar het bergafwaarts ging - en haar bijna een jaar lang thuis hebben verzorgd. In een uitgebreid interview met hen dat op 15 juli 1989 in Nieuw Wereld Nieuws verscheen, vertellen ze over de weg die ze tot dan met hun toen 14-jarige dochter hebben afgelegd. ‘Je staat er versteld van’, zei Annemarie, ‘hoeveel je voor je kind overhebt.’ En Geert: ‘Ik vraag niet: Waarom heeft God ons dit aangedaan?, maar: Waar ligt de kracht waar genezing gevonden kan worden?’ Die kracht vinden ze in hun geloof. Ook vonden ze veel steun in de gezinsdagen en weekenden in Nederland, en in de gezinsconferenties in Caux, waar ze ook Wendelien mee naar toe namen. In het eerder genoemde gezinsdiaporama (1977) spreekt Annemarie over de liefde en het geduld die je nodig hebt bij de opvoeding van de kinderen. En dat ze meer over liefde is gaan begrijpen, doordat ze in de bijbel zijn gaan lezen. Annemarie sprak deze woorden nog voor ze wist hoeveel liefde en geduld zij en Geert op zouden moeten brengen voor de begeleiding van hun dochter. Genezing vonden ze niet voor Wendelien, maar wel zelf de kracht om vol te houden. Wendelien is nu 30 jaar en haar ouders staan nog steeds achter hun uitspraak in 1989 dat hun leven door haar verrijkt is. Annemarie: ‘Ze geeft zoveel pure liefde terug, en je leert zoveel van haar. Ik zou haar voor geen goud willen missen.’ Wendelien woont sinds twaalf jaar in een antroposofisch huis, waar ze helemaal op haar plaats is en de zorg voortreffelijk, maar nog steeds houden haar ouders de vinger aan de pols. Er is wel iets wat ze anders hadden willen doen. De twee oudere broers steunden hun ouders in de zorg voor hun zusje - dat was hun loyaliteit. ‘Maar’, zeggen Geert en Annemarie nu, ‘door de aandacht die Wendelien vroeg, hebben wij ons onvoldoende rekenschap gegeven van de gevoelens en vooral gevoeligheden die bij de jongens leefden. Gelukkig hebben we hier later in alle openheid met elkaar over kunnen spreken en heeft het luisteren naar elkaar zelfs een bijdrage mogen betekenen aan de onderlinge verstandhouding’ [16]. De vraag waar we in onze samenleving voor staan is of we het ‘onvolmaakte’, het ‘abnormale’, de handicap, zo veel mogelijk willen uitbannen of kunnen accepteren. En wat is eigenlijk normaal? Ik hoorde daar een mooi antwoord op van Jean Vanier, de geestelijke vader van de Ark-huizen voor verstandelijk gehandicapten. In verband met de oprichting van deze huizen in Nederland gaf hij hier verschillende lezingen. Hij vertelde dat hij een keer een ‘normale’ man op bezoek kreeg in het Ark-huis in Trosly-Breuil in Frankrijk. Zijn gast had veel problemen waar hij over wilde praten. Vanier: ‘Ineens kwam onze huisgenoot Jean-Claude, een mongooltje, binnen met een stralende lach. Hij pakte de hand van mijn normale bezoeker, pakte mijn hand en liep vervolgens, nog steeds lachend de kamer weer uit. Mijn bezoeker keek me aan en zei: “Is het niet verdrietig zulke kinderen te zien?” Meneer ‘Normaal’ is blind. Hij kan niet zien hoe gelukkig Jean-Claude is’ [17]. Er is al jaren een maatschappelijke discussie gaande over prenatale diagnostiek [18]. Die gaat er eigenlijk maar ten dele over of we willen voorkomen dat kinderen met een handicap geboren worden. Ten diepste gaat die over de vraag wat voor een samenleving we willen. Toen Annemieke Kes-Windig in 1996 haar derde kind verwachtte was ze net 36. Er was een nieuwe regeling dat iedere zwangere boven de 36 een vlokkentest aangeboden zou krijgen. Annemiek zei dat ze eerst over dit aanbod na wilde denken. Bij het volgende bezoek deelde ze de vroedvrouw mee dat ze het niet zou doen. ‘Wat er in me groeit, is welkom hier.’ Na een moeilijke bevalling kwam Kier te wereld. Het bleek dat hij een aangeboren afwijking had en als lilliputter door het leven zou moeten gaan. Zes weken voor de bevalling overleed Annemieks vader. Op de avond na de begrafenis schreef ze een gedicht:

Het kindje dat ik in mij draag is een gedicht. Een nieuw lied dat gezongen wordt, God ter ere. Het is misschien niet zo als alle andere kinderen, maar het komt van dezelfde plek. Van God. Daar waar liefde woont, en die liefde draagt het in zich. Zoals het gras een lied zingt in de wind, zo zal dit kind zingen voor God.

Dit gedicht was na de geboorte van Kier een teken van troost. Annemiek heeft rond zijn geboorte heel duidelijk Gods aanwezigheid ervaren. Kier mag er zijn. Hij is nu acht jaar, een vrolijk en buitengewoon pienter jongetje. Hij begint moeite te hebben met het besef dat hij dingen niet kan, zoals bijvoorbeeld korfballen. Maar misschien zal hij wel goed kunnen skiën, denkt zijn moeder. Annemiek heeft de levenshouding dat als er problemen zijn, er ook een oplossing te vinden is. Al vanaf haar studententijd heeft ze de gewoonte iedere dag tijd uit te trekken voor een stille tijd. ‘Even een stil moment van luisteren, en dan weet ik het wel’, is haar uitgangspunt. Ze heeft echter ervaren dat het niet altijd zo makkelijk gaat. Er waren periodes dat ze hulp van buitenaf nodig had. Maar het idee om hulp te vragen en aan wie kwam toch weer in stilte. ‘De bijbel en stille tijd - dat is en blijft de basis’ [19]. Het niveau van onze samenleving is af te meten aan onze zorg voor de zwakken, vindt Geert Geertsema. Zij kunnen het beste in hun medemens naar boven halen. Dit was ook de teneur van de discussie na een lezing door Yvonne Timmerman-Buck, toen voorzitter van de CDA-fractie in de Eerste Kamer, in het centrum van Initiatives of Change in maart 2002. De lezing ging over abortus en euthanasie, over de beschermwaardigheid van het beginnende en eindigende leven. Het onderwerp was toen weer actueel omdat de euthanasiewet die het jaar daarvoor was aangenomen binnenkort in werking zou treden. En omdat er op dat moment een nieuwe embryowetgeving behandeld werd in de Eerste Kamer. Het bevreemde mevrouw Timmerman dat in tegenstelling tot de euthanasiewet het jaar daarvoor, er voor de nieuwe embryowet nauwelijks belangstelling was in de media, terwijl het over belangrijke ethische kwesties ging. De vraag is, en die werd toen besproken: Wie is er verantwoordelijk in dit soort ethische kwesties – de overheid of de burger? Mevrouw Timmerman: ‘De overheid kan niet in elke individuele situatie oordelen. Ze kan ook niet verder springen dan haar polsstok lang is, en haar polsstok is het ethische draagvlak. Daarom zou het goed zijn als bij de hele discussie over wat ethisch nog wel of net niet geoorloofd is, men zich afvraagt: Wat voor een samenleving willen we? Welke waarden zijn belangrijk? Wat bedoelen we met de kwaliteit van de samenleving?’ Iemand merkte toen op dat wat technisch mogelijk is, vroeger of later ethisch gelegitimeerd wordt. Tenzij we, en zo zou je het vervolg van deze discussie kunnen samenvatten, niet alles zo maar over ons heen laten komen, maar de ontwikkelingen beoordelen in het licht van de cultuur die ons voor ogen staat. Een cultuur, waar mensen zorg en liefde voor elkaar hebben, waar het eigen belang gerelateerd wordt aan het algemeen belang. Waar het gaat om humaniteit. Kortom, niet de techniek bepaalt de kwaliteit van onze samenleving, maar hoe we omgaan met de meest kwetsbaren [20]. En we zijn nog niet klaar met de discussie. Vorig jaar heeft de Gezondheidsraad het advies uitgebracht om alle zwangere vrouwen te screenen op het Downsyndroom en neurale buisdeffecten (open ruggetjes). Iemand die dit advies afwijst is professor Paul Cobben, hoogleraar geschiedenis van de moderne wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg. Op een gezinsdag in juni 2005 in het centrum van Initiatives of Change legde hij de bezwaren uit die hij heeft als filosoof èn als vader van een mongoloïde zoon. De Gezondheidsraad veronderstelt dat gemis aan autonomie leed veroorzaakt. Het kind zal leed kennen, want het is niet autonoom. De ouder ervaart leed door inperking van zijn autonomie. Cobben: ‘Mijn zoon is nu 22. Hij werkt bij een boer. Hij geniet van het leven. Ik douche hem elke morgen. Vaak zegt hij: Leuk hè, gisteren? en dan noemt hij iets dat hij gedaan heeft. Hij is geen onvolwaardig mens. Hij is wel gehandicapt.’ Volgens Cobben gaat de Gezondheidsraad uit van een andere opvatting van autonomie dan die waarop onze samenleving gebaseerd is sinds de Franse revolutie. De rechtsorde bepaalt dat allen gelijk zijn, ongeacht kenmerken of eigenschappen. Autonomie heeft te maken met de vrijheid om gewetensvolle keuzes te maken. Is het een gewetensvolle keuze om het leed uit te bannen (wat we toch nooit zullen kunnen), of om jezelf en de ander te accepteren als volwaardig mens en te doen wat in je vermogen ligt, met de capaciteiten die je hebt? Hopelijk blijven we over deze zaken nadenken en discussiëren, opdat we niet op een dag wakker worden in een samenleving die we helemaal niet willen [21].

Bruggenbouwers

Voor het werken aan vrede wordt vaak de metafoor ‘bruggen bouwen’ gebruikt. Al decennia leefde in het team van MH de overtuiging dat het nodig was bruggen te slaan tussen verschillende bevolkingsgroepen. Er zijn vele werelden die naast elkaar leven in Nederland, die volledig los staan van elkaar. Pogingen van MH/IC die werelden met elkaar te verbinden waren niet altijd succesvol. Af en toe werd er een brug geslagen bijvoorbeeld met Indonesische en Surinaamse studenten, Molukkers en immigranten uit verschillende landen. In Utrecht ontstond een goede samenwerking met enkelen van hen. Hamzeh Zeid Kailani, Palestijn, kwam in 1964 als vertaler in Nederland werken. Door de oorlog met Israël kon hij niet teruggaan. In 1974 voegde zich zijn echtgenote Zahera bij hem met hun dochter. In Utrecht werd hun tweede dochter geboren. Hamzeh werd imam en deed veel werk in gevangenissen en politiebureaus. Als moslim zet hij zich al jaren in voor dialoog met christenen. Voor zijn talrijke spreekbeurten doorkruist hij per trein onvermoeibaar het land. Ook richt hij zich op jonge moslims die hem vragen in het Nederlands met hen te spreken over de islam en hen te helpen als moslims in een moderne samenleving te leven. Sinds zijn pensionering doet hij dit met extra inzet. Vaak neemt hij ook samen met andere Nederlanders deel aan conferenties van Morele Herbewapening in Caux en elders en hij is een van de trouwste deelnemers aan de Utrechtse gespreksgroep [22]. Mohamed Sini kwam in 1972 op 15 jarige naar Nederland als zoon van een gastarbeider uit Marokko. Hij werd o.a. een van de directeuren van het Regionaal Opleidingscentrum (ROC) Utrecht, gemeenteraadslid van de PvdA en voorzitter van de landelijke stuurgroep Islam & Burgerschap. Hij trad ook op als voorzitter van het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) in oprichting dat na jaren van overleg in 2004 officieel werd geïnstalleerd. Vanuit zijn ervaring heeft hij in Nederland en ook op een MH-conferentie in Caux kunnen bijdragen om bruggen te slaan en inzicht te geven in de kansen en problemen waar immigranten uit Marokko mee te maken krijgen. De Marokkaanse cultuur botst vooral met de individualisering en verzakelijking in Nederland, denkt Sini. Voor een Marokkaan is het sociale verband belangrijk. Hier ligt een oorzaak van de problemen van Marokkaanse jongens. (De meisjes hebben hier minder last van.) De stuurgroep Islam en Burgerschap probeert hier iets aan te doen door de ouders en andere opvoeders zoals de imams en moskeebestuurders in te schakelen. In Nederland is opvoeden vooral onderhandelen en niet ‘je doet dit omdat ik het zeg’. In Marokko werkt dat laatste vooralsnog (als de welvaart toeslaat zal dat ook veranderen, zegt Sini) omdat ouders, leraren en politie dat allemaal zo doen. Sini: ‘Daar word je niet als individu aangesproken, maar als groep. Het externe geweten is ontwikkeld: zolang je de groep maar niet benadeelt. Hier valt de groepscontrole weg en word je aangesproken op je interne geweten. Die individuele vrijheid leidt tot problemen. Bijvoorbeeld: een kind moet rekening houden met zijn familie, maar als z’n familie niet ziet dat hij steelt, dan is het geen probleem.’ Mohamed Sini gelooft dat je de Islam niet mag gebruiken om culturele gewoontes te verdedigen die niet passen in deze maatschappij, zoals eerwraak, meisjes thuis houden, veelwijverij, het niet aanvaarden van verschillen in seksuele geaardheid en het niet aanvaarden van de scheiding tussen kerk en staat. Maar wat dat laatste betreft zou hij één uitzondering willen maken. De Nederlandse overheid zou subsidie kunnen geven voor moskeeën en in Nederland opgeleide imams kunnen helpen door ze parttime aan te stellen als geestelijk verzorger in bijvoorbeeld ziekenhuizen. Dit om te voorkomen dat men hiervoor afhankelijk is van steun uit Saoedi-Arabië of Afghanistan met alle gevolgen van dien. Goed opgeleide, Nederlands sprekende imams kunnen een positieve rol spelen bij de integratie van moslims, vindt Sini. ‘Het gaat er in het geloof vooral om het goede te doen, solidair te zijn en vrijwilligerswerk te bevorderen. Naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zullen allochtonen minder in hun eigen groep blijven en zullen er meer ontmoetingen met autochtone Nederlanders plaatsvinden. Dit alles vraagt tijd en goed onderwijs.’ Aldus Sini, die zelf hier een voorbeeld van is [23]. Uit Suriname kwam in 1971 wijlen Sew Rambocus die in Nederland in het onderwijs ging werken. Hij was directeur van de Hindoestaanse welzijnsstichting Lalla Rookh die de belangen behartigde van Hindoestaanse Surinamers, gemeenteraadslid voor het CDA in Utrecht en jarenlang tot aan zijn overlijden begin 2004 voorzitter van het door de regering ingestelde Surinaams Inspraakorgaan. Rambocus: ‘Bij de onafhankelijkheid van Suriname kwamen heel veel Surinamers naar Nederland. Onder hen bevonden zich 60.000 Hindoestanen. Zij werden opgevangen in 120 opvangcentra. Steekproeven wezen uit dat ze gekomen waren voor het onderwijs van hun kinderen en dat ze daarna terug wilden gaan. Maar toen we na een aantal jaren weer een steekproef deden, bleek dat ze niet van plan waren terug te gaan. Want ze konden toch hun kinderen en kleinkinderen niet in de steek laten?’ Toen is Rambocus met zijn stichting begonnen een beroep te doen op hun achterban om van Nederland hun land te maken. ‘Ik ben aandeelhouder van de NV Nederland’, was een stelling van hem. Hij doeg bij aan het slaan van bruggen naar anderen en was een van de verantwoordelijken voor een conferentiedag van Morele Herbewapening in het Utrechtse centrum ‘Oase’ in 1994 met het thema ‘We wonen naast elkaar – leven wij ook met elkaar?’ [24]. Een bruggenbouwster in Den Haag is Asha Angoelal. In 1966 kwam ze met haar gezin uit Suriname naar Nederland. Ze vertelt graag over de Bhagavadgita, die veel voor haar betekent. Toen ze in 1970 in aanraking kwam met Morele Herbewapening ontdekte ze daarin tot haar vreugde veel overeenkomsten met haar eigen hindoegeloof. In 1974 ging ze naar Caux met een bus vol Nederlanders. In 1975 nam ze haar moeder, zuster en dochters Lita, Radha en Monique mee. ‘Caux,’ zegt ze, ‘ is de hele wereld in het klein. Je ontmoet zoveel mensen en hoort zoveel wijze woorden. Ik leerde in Caux over stille tijd en maatstaven. ’ Ze herinnert zich dat Frits Philips in Caux tegen haar zei: ‘We zijn allemaal één familie.’ ‘Moet je voorstellen, een witte man die dat zegt! Dat vond ik ontzettend goed. Ik zie de wereld ook zo,’ zegt Asha. Toen ze in 1976 weer naar Caux ging, deze keer met haar oudste dochter Geeta, was dat met een zwaar hart. Haar man, die intussen een vriendin had, wilde haar verlaten. Door de warme hartelijke sfeer in Caux vond ze mensen met wie ze haar verdriet en zorgen kon delen. Dat was bijzonder, want ‘in onze cultuur doe je dat niet zo gauw’. Een paar jaar geleden ging haar dochter Radha Baldewsing met haar man en vier kinderen naar Caux, omdat ze wilde dat haar kinderen, net als zij destijds, een Caux ervaring zouden hebben. In het najaar van 2000 verzorgde Asha een avond op de Amaliastraat 10 met verhalen uit de Bhagavadgita. Ze is een ervaren en levendig verhalenvertelster. Al jaren is ze een veel gevraagd spreekster op onder meer scholen, in kerken en bejaardentehuizen Recentelijk sprak ze voor een jongerengroep in de Haagse Kloosterkerk. Pas was ze ook in een psychiatrische inrichting. Ze sprak daar met Hindoestanen. Ook spreekt ze geregeld voor Hindoestaanse ouderen, omdat ‘die vaak in de put zitten’. Ze vertelt ze dan hoe ze moed kunnen vatten uit hun eigen heilige boeken (de vier Veda’s, waarvan de essentie in de Bhagavadgita vervat is). Asha heeft dat zelf ervaren in de moeilijke periodes in haar leven, toen haar man haar verliet en toen haar geliefde jongste dochter Monique stierf [25].

Een wij-gevoel

Namens Morele Herbewapening ben ik sinds 1998 lid van het Interreligieus Beraad (IB), een landelijk netwerk van organisaties die gericht zijn op de interreligieuze en interlevensbeschouwelijke dialoog. Het Interreligieus Beraad is een initiatief van Frans Ootjers en Peronne Boddaert [26]. Toen Peronne Boddaert mij uitnodigde lid te worden van het IB, voelde ik enige aarzeling. De aarzeling had te maken met het feit dat het interreligieuze slechts één aspect van het werk van MH is, terwijl de andere leden van het Interreligieus Beraad het interreligieuze als hoofdthema hebben. De mogelijkheid mee te helpen bruggen te bouwen tussen vertegenwoordigers van verschillende levensbeschouwingen gaf de doorslag. En ook de toenemende overtuiging om samen te werken met mensen en organisaties die vergelijkbare doelen nastreven. De samenwerking in het Interreligieus Beraad resulteerde in 2003 in een grote conferentie over veiligheid op 17 mei in de Geertekerk in Utrecht, die IC samen met de World Conference on Religion and Peace, de International Association for Religious Freedom en de United Religions Initiative organiseerde [27]. Tegelijkertijd waren ook in andere landen mensen van MH bezig met interreligieuze dialoog, zoals in Engeland, Duitsland, Zwitserland en Zweden. Uit een ontmoeting begin 2000 van Edy Korthals Altes en mijzelf met Andrew Stallybrass [28], secretaris van het interreligieuze platform in Genève en medeverantwoordelijk voor het MH-conferentiecentrum in Caux, ontstond het idee om interreligieuze conferenties te organiseren in Caux, waar al een traditie van informele ontmoetingen bestond. Dit resulteerde in de zomer van 2002 in een tweedaagse conferentie getiteld ‘De spirituele factor in een seculiere samenleving’, met een vervolg het jaar daarop ‘Kunnen religies partners zijn in het stichten van vrede?’. Aan beide conferenties nam een aantal leden van het eerder genoemde Interreligieus Beraad deel. Het bleek heel vruchtbaar ervaringen uit te wisselen met mensen uit andere delen van Europa. Tussen de Nederlanders en de Zweden groeide een band, die tot gevolg had dat de Zweden ons, leden van het Interreligieus Beraad, mede namens de Lutherse kerkenraden van Spånga (multiculturele wijk van Stockholm) en Linköping uitnodigde voor een werkbezoek van vijf dagen in april 2004 [29]. De aanslagen van 11 september 2001 in de VS, de oorlog in Irak, het voortdurende en escalerende conflict in het Midden-Oosten, de aanslagen in Madrid op 11 maart 2004, de moord op Theo van Gogh op 2 november 2004 en de aanslagen in Londen op 7 juli 2005 hebben overal in Europa de verhoudingen op scherp gezet. Er is angst over en weer. Veel moslims voelen zich niet prettig meer in Nederland, in het westen is er angst voor ‘het islamitisch gevaar’ en het antisemitisme neemt toe. Meer dan ooit zijn er bruggenbouwers nodig. Dialoog, een uitgestoken hand, kennis nemen van wat de ander beweegt, dit is nodig om van het onverzoenlijke standpunt af te stappen en de middenweg van de nuance te zoeken [30]. Na de moord op Theo van Gogh werden er overal in Nederland dialoog bijeenkomsten gehouden. Zo ook op de Amaliastraat 10. Het doel van deze bijeenkomst was tekenen van hoop te zoeken in de gespannen situatie van het moment. De ruim zestig aanwezigen, waarvan eenderde moslim was, konden samen veel van die tekenen naar voren brengen. ‘Er heerst hier een wij-gevoel’, zo vertolkte een der aanwezigen het gevoel van velen. We staan voor de uitdaging de verschillende culturen en levensovertuigingen die ons land en ons continent rijk zijn, een plaats te geven. Een gemeenschappelijk doel kan ons samenbrengen. Of we nu al generaties in deze streken wonen, of dat we Europa relatief kortgeleden als woonplaats hebben uitgekozen, een bezield en solidair Europa is in ons aller belang. En dat is ook in het belang van de rest van de wereld.

Noten

[1] Zie ook hoofdstuk 8. Het hier opgetekende verhaal van Lou Reymen is gebaseerd op gesprekken en correspondentie die ik met Lou Reymen gevoerd heb in de loop van 2000 en 2001. Een artikel hierover staat in Ander Nieuws, 2000, nummer 4. Dit verhaal komt ook voor in Forgiveness - breaking the chain of hate door Michael Henderson. Uitgave BookPartners, 2002, Wilsonville, Oregon (VS).

[2] Leven met een schaduw - ervaringen van ouders van een vermoord kind; redactie: Ivo Aertsen, Centrum Slachtofferhulp Leuven, Standaard Uitgeverij, Antwerpen.

[3] Ander Nieuws, 2000, nummer1

[4] Ander Nieuws, 2000, nummer 2.

[5] De hele verklaring is afgedrukt in Nieuws Magazine van de Stichting Japanse Ereschulden, april 2003.

[6] Dit verhaal is gebaseerd op diverse gesprekken en in verkorte vorm eerder verschenen in Ander Nieuws, 2002, nummer 6 .

[7] Ander Nieuws, 2002, nummer 6.

[8] Uit een toespraak van professor Muraoka in het IC-centrum in Den Haag, december 2003. Ander Nieuws, 2004, nummer 1 en op basis van gesprekken naderhand.

[9] Dit was de studie theologie M.O.-B aan de Fontys Hogescholen in Amsterdam. Titel van zijn eindscriptie was: ‘De Kracht en de Heerlijkheid. De betekenis en waarde van de evangelische wondergenezingsverhalen voor de volwassenencatechese.’ Zijn belangstelling voor de evangelische wonderverhalen kwam voort uit zijn ziekte. Jos Sterk kreeg begin jaren zeventig de ziekte van Bechterew, waardoor hij geleidelijk steeds krommer en stijver werd. Door een vreemde samenloop van omstandigheden loopt hij nu weer kaarsrecht. In 1988 kreeg hij door een auto-ongeluk een breuk in zijn wervelkolom. De chirurg in Nijmegen die hem daarna opereerde herstelde niet alleen de breuk, maar maakte ook wonderlijk genoeg zijn rug weer recht. Dus hij was na het ongeluk beter af dan daarvoor. Een nieuw mens, zegt hij zelf. Interview met Jos Sterk in Ander Nieuws 2002, nummer 3.

[10] Jos en Yvonne vertelden hierover in een gezamenlijke lezing tijdens een bezinningsweekend in Stoutenburg in het kader van het jaarprogramma van IC mei 2005. De lezing ging over hun persoonlijke ontwikkeling en groei in het licht van de tijd waarin we leven.

[11] De werkgroepen in 1998 waren de gezinsgroep, de themagroep, de PR-groep, de jongerengroep, de Vonk-groep. Deze laatste had interne begeleiding en toerusting tot doel. In 2003 werden de werkgroepen omgevormd tot aandachtsgebieden, met ieder een contactpersoon.

[12] Een overzicht van de jaarprogramma’s vanaf 1998 is te vinden op de website www.iofc.nl. Daar zijn ook van nagenoeg alle programma’s, lezingen, verslagen en volledige teksten te vinden. En ook de nieuwsbrief Ander Nieuws.

[13] Meer hierover in Heart and Soul for Europe – an essay on spiritual renewal door Edy Korthals Altes, uitgave Van Gorcum, 1999. In 2001 kwam dit boek in het Nederlands uit onder de titel Europa Ontwaak! met een voorwoord door Bob Goudswaard, uitgave Damon.

[14] Zie voor meer informatie: www.hampapua.org/skp.

[15] Ander Nieuws, 2000, nummer 6; 2002, nummer 3; 2003, nummer 5; toespraak in Caux op 2 augustus 2001 en in het IC-centrum in Den Haag 17 april 2002: ‘Gaat het Papoeavolk ten onder of zijn er nieuwe wegen te vinden?’.

[16] Het interview in NWN van 15 juli 1989 heb ik samen met Sia Windig afgenomen. De Geertsema’s vertellen dat ze dit nog steeds gebruiken als mensen belangstelling hebben voor de geschiedenis van Wendelien. Verder: interview met Annemarie Geertsema-van der Griend op 16 juni 2005.

[17] NWN, 1990, nummer 2. Zie ook hoofdstuk 9.

[18] Op 10 april 1993 schreef Yvonne Timmerman-Buck in CD/Actueel een artikel over het voorgestelde prenatale bevolkingsonderzoek: ‘De technische en maatschappelijke ontwikkelingen voorkomen dat de beschermwaardigheid van het ongeboren leven van de politieke agenda gehaald wordt.’ Zij vraagt zich af of de overheid wel een vergunning moet verlenen voor een bevolkingsonderzoek, waarbij abortus provocatus de enige interventiemogelijkheid is. In het rapport van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA ‘Genen en grenzen’ (mei 1992) wordt uitvoerig op dit soort vragen ingegaan. Mevrouw Timmerman, die toen bij dit instituut werkte, was secretaris/rapporteur. Zij is sinds 2003 voorzitter van de Eerste Kamer.

[19] Interview met Annemieke Kes-Windig op 7 juni 2005; Artikel van Annemieke Kes in Ander Nieuws getiteld ‘Als de wind in het graan’. Interview met Annemiek Windig in NWN van 27 oktober 1984, getiteld ‘Stille tijd in de praktijk’.

[20] Verslag ‘Leven: begin en eind’ Ander Nieuws, 2002, nummer 2.

[21] Verslag van de gezinsdag met de lezing van professor Cobben door Anneke van Nouhuys –de Pous in Ander Nieuws, 2005, nummer 4. Thema van de dag was: ‘Alles onder controle?’

[22] Interview met Hamzeh Zeid Kailani en zijn vrouw Zahera in Ander Nieuws 2001 nummer 6 ‘Wat te doen met de koof?. Interview staat ook op www.iofc.nl. Zahera overleed enkele maanden na dit interview op 9 januari 2002. Over de gespreksgroep, zie hoofdstuk 8, Sociaal Democraat en hoofdstuk 9, Grote steden.

[23] ‘Leven in twee culturen’, interview met Mohamed Sini, Ander Nieuws 2001 nummer 5. (ook op www.iofc.nl) Dit interview kwam uit net na de aanslagen op 11 september 2001. Meteen na de aanslagen gaf Sini als voorzitter van de Stuurgroep Islam en Burgerschap samen met de voorzitters van 13 islamitische organisaties een verklaring uit waarin ze de aanslagen categorisch afwijzen. ‘Geen enkel doel kan deze verschrikkelijke slachting wettigen’, schrijven zij. Tegelijkertijd hopen ze dat het terrorisme geen aanleiding zal vormen voor reflexreacties die slachtoffers zouden kunnen maken onder andere onschuldige volkeren in de wereld. Dit zou slechts bijdragen aan de verwoestingen die reeds hebben plaatsgevonden.’

[24] In NWN, 1994, nummer 6 staat een verslag van vijf pagina’s over deze conferentiedag, waaraan ook werd bijgedragen door commissaris Hans Papeveld van de Utrechtse politie.

[25] Interview met Asha Angoelal op 1 juli 2005

[26] Ds. Peronne Boddaert is Remonstrants predikante en tevens voorzitter van de Nederlandse afdeling van de International Association for Religious Freedom (IARF). Frans Ootjers is milieuadviseur in Rotterdam en studeert organisatiekunde. Hij is vrijzinnig boeddhist. Lid van dit netwerk zijn een tiental landelijke (inter)religieuze organisaties en een groeiend aantal plaatselijke interreligieuze organisaties. Dit zijn de plaatselijke raden voor levensbeschouwing en religie. Doel is niet naast elkaar, maar met elkaar te werken. Het Interreligieus Beraad is op 1 november 1997 opgericht op initiatief van de International Association for Religious Freedom (IAFF), Interreligio, Spiritueel Café Nederland (SCN) en de World Conference on Religion and Peace (WCRP). Het IB komt twee keer per jaar bij elkaar. Website: www.interreligieus.nl

[27] Verslag in Ander Nieuws, 2003, nummer 3. Hiervoor werkten we samen met Peronne Boddaert voor de IARF, Wite Carp voor de WCRP en Ari van Buuren voor de URI (United Religions Initiative). Ds.Van Buuren is de voorzitter van de Nederlandse afdeling van de URIxen hoofd geestelijke verzorging in het Utrechts Medisch Centrum.

[28] Andrew Stallybrass was in Nederland om in het kader van het jaarprogramma van IC een lezing te houden over ‘The other religion, group or culture – a threat or an enrichment?

[29] De Nederlandse delegatie van zeven personen was in allerlei opzichten gemengd: katholiek, hervormd, remonstrants, boeddhist, bahai, twee moslims (Turks en Palestijns); vier mannen en drie vrouwen; komend uit Rotterdam, Den Haag, Amsterdam en Utrecht. Ander Nieuws, 2004 nummer 3. Een verslag van het bezoek staat op www.iofc.nl

[30] Professor Nasr Abu-Zayd, hoogleraar Islamitische studies aan de Universiteit van Leiden en hoogleraar islam en humanisme aan de Universiteit voor humanistiek in Utrecht, gaf hier een voorbeeld van op een openbare lezing in het IC-centrum in Den Haag in februari 2004 over ‘Islam en moderne waarden’. Een verslag is te vinden in Ander Nieuws, 2004, nummer 2; volledige teksten op www.iofc.nl. Hij sprak ook op de conferentie voor vredesinitiatieven in augustus 2004 in Caux. Hij bekleedt in Utrecht de Ibn Rushd stoel en hij nam deze 13de eeuwse Moorse wijsgeer, ook wel genaamd Averroës, als voorbeeld, omdat die een brug sloeg tussen de Griekse, Arabische en westerse filosofie. ‘We moeten Averroës’ voorbeeld volgen en bruggen bouwen tussen de religies. De ander, ook de andere religie, kan een spiegel voor ons zijn. We hebben de ander nodig om onszelf te begrijpen… In alle geloofstradities moeten we de strijd aangaan tegen de fundamentalistische interpretaties en op zoek gaan naar de universele waarheden, de diepere boodschap in al onze geloofstradities, die van vóór de dogma’s.’ Ander Nieuws, 2004, nummer 5.