woensdag, januari 16, 2019

Kaft van het boek Wereldgeschiedenis van NederlandIn de recente uitgave Wereldgeschiedenis van Nederland is een hoofdstuk gewijd aan de Oxfordgroep – de voorloper van Initiatives of Change. De auteur van het hoofdstuk noemt de geschiedenis van de Oxfordgroep wezenlijk om Nederland in de twintigste eeuw te begrijpen. ‘Omdat zulke losjes georganiseerde groepen niet in het beeld van orthodoxe religieuze “zuilen” passen, hebben ze in de geschiedschrijving over Nederland te weinig aandacht gekregen.’ Johannes de Pous las het boek en geeft een samenvatting van het hoofdstuk.

Vanaf de Neanderthaler tot 2017 de geschiedenis van Nederland beschrijven: dat probeert Wereldgeschiedenis van Nederland* in 750 pagina’s te doen. Steeds vaker wordt geschiedenis niet alleen maar vanuit nationaal perspectief beschreven, maar worden verbanden met andere landen er bij betrokken. Meer dan honderd onderzoekers op het gebied van geschiedenis en cultuur, beschrijven in dit boek hoe onze nationale identiteit internationale wortels heeft.

Boven ieder hoofdstuk staat een jaartal om op die manier de geschiedenis te duiden. Dat blijft natuurlijk riskant. Waarom dat jaar en niet een ander. Hoe dat ook zij, de jaren dertig van de vorige eeuw worden besproken in drie hoofdstukken. Een over 1932: de oprichting van Conimex (producent van Indische producten) en twee hoofdstukken met elk het jaar 1937 er boven. Het eerste 1937: Internationale jamboree: 28.000 padvinders van over de hele wereld kwamen samen in Vogelenzang. Het tweede jaar 1937 gaat over de Oxfordgroep (voorloper van Initiatives of Change en Morele Herbewapening) met als titel: Voorbij de “verzuiling”.
 

Voorbij de zuilen

De auteur, Peter van Dam, docent Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam schrijft: ‘Het succes van een ondogmatische vernieuwingsbeweging als deze maakt duidelijk waarom we Nederland in de twintigste eeuw niet als een “verzuild” land kunnen begrijpen. De geschiedenis van de Oxford Groep is geen voetnoot bij dat verhaal, maar wezenlijk om Nederland in de twintigste eeuw te begrijpen. Dit bredere plaatje wordt zichtbaar als we ons niet blindstaren op levensbeschouwelijke ‘zuilen’, organisaties met imponerende ledenaantallen en het vermeende unieke karakter van de Nederlandse situatie’.

Hij beschrijft hoe katholieken en orthodoxe protestanten in de tweede helft van de negentiende eeuw een keur aan eigen organisaties oprichten die, hoewel ze niet meer dan de helft van de bevolking vertegenwoordigden, een plaats in het hart van de maatschappij wisten te veroveren. De Eerste Wereldoorlog liet velen ontredderd achter. Mensen gingen op zoek naar een nieuw moreel fundament. Het streven naar geestelijk vernieuwing leidde meestal niet tot een afkeer van christelijk gedachtegoed, maar tot nieuwe interpretaties. Sommige vernieuwers propageerden orthodoxere invullingen van het christendom, andere, zoals de Oxfordgroep, liberalere, aldus Van Dam. ‘Omdat zulke losjes georganiseerde groepen niet in het beeld van orthodoxe religieuze “zuilen” passen, hebben ze in de geschiedschrijving over Nederland te weinig aandacht gekregen.’
 

Gevestigde kerken gepasseerd

Van Dam beschrijft hoe de charismatische Buchman in de jaren twintig te werk ging. Hij stelde persoonlijke bekering voorop. Hij organiseerde zogenoemde houseparties, bijeenkomsten waar mensen in een ongedwongen sfeer open en eerlijke gesprekken konden voeren. De Oxfordgroep sloeg aan. Dat culmineerde in een grote manifestatie in Utrecht in 1937 waarin de boodschap van bekering, eenheid en daadkracht centraal stond. Die bijeenkomst paste in de werkwijze van Buchman om op verschillende plekken in de wereld massabijeenkomsten op te zetten die een internationaal karakter hadden. In die bloeitijd van de Oxfordgroep was ruim veertig procent van de Nederlanders hervormd of gereformeerd, maar dat betekende niet dat er sprake was één protestantse zuil. De protestanten waren verdeeld. Volgens Van Dam propageerde de Oxfordgroep een christelijke boodschap, maar passeerde het bewust gevestigde kerken en christelijke organisaties. Op die manier zwengelde ze het debat over de plaats van eigen organisaties van orthodoxe protestanten, katholieken en sociaaldemocraten aan.
 

Kritiek

Er was in Nederland volop strijd over onderlinge verhoudingen en scheidslijnen en van Dam beweert dat deze strijd het beeld van vastomlijnde verhoudingen onderuit haalt. Dat bleek uit het enthousiasme voor de Oxfordgroep als ook uit de geërgerde reacties op de manifestatie in 1937 in Utrecht. Zo voelden de katholieken zich bedreigd doordat de manifestatie samenviel met de Nederlandse Katholiekendag, nota bene ook in Utrecht. De katholieke krant De Tijd hoopte dat haar lezers de beweging niet serieus zouden nemen.

Ook vanuit orthodox protestantse hoek kwam verzet tegen wat men noemde schijnbekeringen, hoogmoed en vrijzinnige opvattingen. Weliswaar vonden ze de kritiek (van de Oxfordgroep) deels terecht, maar ze waren van mening dat een religieuze gemeenschap niet zonder kerken kan overleven. Later, nadat de Oxfordgroep een programma voor een morele en geestelijke herbewapening had aangenomen, vond die inclusieve boodschap ook weerklank onder hooggeplaatste katholieken en orthodoxe protestanten. Met andere woorden, de zuilen bleken minder vastomlijnd dan gedacht. Aan het eind zegt Van Dam dat het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog er voor zorgde dat de hoop op ‘morele herbewapening’ werd gesmoord. De populaire idealen van eenheid en pragmatisch christendom leefden echter voort. ‘Terwijl deze beweging (Morele Herbewapening, JdP) zich in kleine kring terugtrok, groeiden haar idealen van christelijke beschaving, pragmatische samenwerking en inclusieve organisatie uit tot de norm’.

 

*Uitgegeven door het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Ambo/Anthos, € 39,95, 751 bladzijden.