dinsdag, februari 19, 2013

Op 23 januari jl. vertelde  Aad Burger (83) zijn levensverhaal, thuis in Utrecht. Onder de 17 aanwezigen waren zijn kinderen, zijn broer en schoonzuster.

Aad werd geboren in Groningen als tweede kind van Hens Burger en Jo Ophorst. Zijn vader werkte als inspecteur bij de Nederlandse Spoorwegen. Dat betekende in die tijd elke drie jaar  overplaatsing naar een ander district. Van Groningen naar Alkmaar, Amersfoort, Utrecht, Nijmegen en tenslotte weer naar Utrecht.  Steeds weer nieuwe leerkrachten, nieuwe vrienden, een ander huis en een andere stad. Ondanks de vele verhuizingen was Aad een vroege leerling. Hij sloeg de eerste klas over, deed als 17-jarige eindexamen op het Stedelijk Gymnasium in Utrecht en studeerde vervolgens rechten in Leiden, waar hij afstudeerde op zijn 21ste.

In 1934 kwamen zijn ouders in contact  met wat toen de Oxford Groep heette, later Morele Herbewapening en nu Initiatives of Change. Zij beleefden het als een goede manier om hun christelijk geloof in praktijk te brengen. “Als kinderen merkten we dat mijn ouders beter met elkaar konden opschieten, met ons opener gingen praten over opvoeding en gehoorzaamheid en dat ze soms eerlijk hun eigen fouten toegaven”.

Begin 1940 werd vader Burger overgeplaatst naar het Hoofdbureau van de Spoorwegen in Utrecht. Hun nieuwe huis stond op de Van Hogendorpstraat 11. Aad heeft daar  met enkele onderbrekingen tot 2008  gewoond, eerst met zijn ouders, zuster en broer, later met zijn vrouw Josiene en hun kinderen Rutger en Jonneke.

De oorlogsjaren hebben een sterk stempel op hem gedrukt. De eerste tijd op het Utrechts Stedelijk Gymnasium deed de bezetter het rustig aan. Maar toen kwamen de maatregelen tegen de Joden. Enkele Joodse leerkrachten werden ontslagen en Joodse leerlingen moesten naar een Joodse school. De rector en de leraren waren geen van allen NSB-ers, maar als er een leraar   vertrok, werd er een NSB-leraar benoemd. Ook andere oorlogsherinneringen kwamen ter sprake.

Na de bevrijding kreeg Aad de kans naar Zwitserland te gaan om te helpen een oud hotel in het plaatsje Caux boven Montreux klaar te maken voor de eerste naoorlogse conferentie van Morele Herbewapening.  

De tijd in Caux heeft in belangrijke mate zijn leven veranderd en bepaald.  Hij werd getroffen door de open sfeer, de eerlijkheid en de  goede samenwerking. “Ik moest denken aan ruzies thuis, met name met mijn zuster en over spanningen met mijn ouders. In mijn stille tijd drong het tot me door, dat ik eigenlijk jaloers was op mijn zuster en dat ik  niet eerlijk was geweest tegen mijn vader over mijn zakgeld. En dan was er het terechte verwijt van mijn moeder dat ik thuis als een hotel gebruikte om te slapen en te eten zonder iets aan het geheel bij te dragen. Voor al dat soort dingen moest ik vergeving vragen. Het waren mijn eerste stappen in het licht van de grote uitdagingen, die in Caux aan de orde kwamen: hoe voorkomen we een nieuwe wereldoorlog, hoe kunnen we de vrede blijvend maken, hoe kunnen de wonden van de oorlog in het leven van miljoenen mensen genezen worden en hoe kunnen we Europa weer opbouwen?

Na zijn studie en militaire dienstplicht als reserveofficier bij de Koninklijke Marechaussee, besloot Aad  met Morele Herbewapening te gaan werken als vrijwilliger zonder een vast salaris. Eerst in de Rotterdamse haven en van 1953-1955 in Afrika.   In Nigeria werd hij ernstig ziek. Het duurde geruime tijd voordat een arts de goede diagnose stelde:  Je hebt polio.  Dat was  een geweldige schok. Het merkwaardige was dat hij de nacht tevoren het voorgevoel had  verlamd te zullen raken. Hij had toen gebeden dat dit hem bespaard zou blijven, maar ook dat hij het met Gods hulp zou aanvaarden. Aad is ervan overtuigd, dat die aanvaarding van grote betekenis is geweest voor zijn latere herstel en zijn verdere leven.

Na drie maanden kon hij terug naar Nederland. Er volgde een jaar revalidatie voordat hij weer aan het werk kon. Het lopen blijft altijd moeilijk. Hij woonde met tussenpozen in het huis Berkenlaan 1 in Wassenaar, dat door mevrouw Charlotte van Beuningen-Fentener van Vlissingen ter beschikking was gesteld voor Morele Herbewapening. Daar leerde hij zijn vrouw Josiene de Loor kennen. In 1968 trouwden zij vanuit datzelfde huis.  Daar zijn ook Rutger en Jonneke geboren.

Mede door zijn contacten in de Rotterdamse haven besloot Aad in 1963 lid te worden van de PvdA.  Het duurde niet lang of hij werd ook bestuurlijk actief in die partij, lokaal en provinciaal, als lid van de landelijke partijraad en later als lid van de Utrechtse gemeenteraad. Ook in de politiek probeerde hij zijn ervaring met Initiatives of Change toe te passen, bv. door  integriteit niet alleen van anderen te eisen maar ook van  zichzelf, bij conflicten niet alleen te kijken naar de fouten van anderen, maar te beginnen bij zichzelf, zijn eigen groep, zijn eigen partij. Het lukte met vallen en opstaan.

In 1979 bleek Josiene ernstig ziek. Ze moest worden geopereerd maar na korte tijd kwam ze toch te overlijden. Ondanks de grote dankbaarheid voor wat ze voor hen betekend heeft en nog betekent, is het een verlies dat Aad en de kinderen nog dagelijks voelen.

Ook daarna, tot nu toe, is Aad zich blijven inzetten voor Initiatives of Change. Hij is ook nog altijd actief in de PvdA,  de Utrechtse ouderenbonden en de  Wilhelminakerk, waar hij als kind al heen ging en waar Josiene ouderling was.

Aad besluit zijn boeiende levensverhaal met de vraag naar de  rode draad in zijn leven: “In goede tijden en slechte tijden is bij mij het besef gegroeid dat ons leven in Gods hand rust en dat we, als we daarom vragen, leiding en inspiratie kunnen vinden voor ons leven, ons werk en de wereld. Daarbij beseffend dat we kleine mensenkinderen zijn, dat we een gebrekkig instrument zijn om die leiding te vinden en te begrijpen en dat er voortdurend een kloof is tussen theorie en praktijk, ook bij jezelf.  Maar we hebben ook dagelijks de mogelijkheid bij te dragen aan een betere samenleving en een betere wereld. Dat voel ik als een roeping en een kans.

Kees Scheijgrond