donderdag, november 26, 1998

Hoe zoeken we oplossingen in de politiek en in de samenleving als geheel? Door Aad burger, 26 november 1998.

Het is een eer en een genoegen hier vanmiddag het woord te kunnen voeren. Wanneer ik de zaal rondkijk zijn er vooral ouderen, maar dat sluit ook goed aan bij mijn eigen leeftijd. Ik ben blij dat er ook een paar jongeren zijn. Weet u wanneer je ouder wordt, komen er drie problemen. Het eerste is dat je vaker dingen vergeet ... De andere twee ben ik vergeten. Jongeren vergeten ook allerlei, maar dat komt - vertelt men mij - omdat ze het zo druk hebben. Dat ging al een beetje over theorie en praktijk, maar we zullen nu proberen er iets ernstiger over te praten. Deze zomer in het internationale conferentiecentrum voor Morele Herbewapening in Caux, boven Montreux aan het Meer van Geneve, werden drie workshops gehouden over 'Europa en zijn moslim gemeenschappen - op zoek naar gemeenschappelijk welzijn'. Denkend aan de kloof tussen de moslims in Europa en de christenen en andere niet-moslims, zei een van de initiatiefnemers van deze workshops, een Engelsman: 'De grootste opgave van deze tijd, van het komende milennium, is de kloof tussen theorie en praktijk te overbruggen.' 'Dat is een open deur intrappen,' zult u misschien denken. Maar laten we er toch eens naar kijken. Waarom is het overbruggen van de kloof tussen theorie en praktijk belangrijk en waarom kwam dit aan de orde in deze context: de verhoudingen tussen mensen die zich als echte Europeanen beschouwen - echte Nederlanders, Fransen, Engelsen, Duitsers enzovoort - aan de ene kant, en aan de andere kant de recente immigranten en hun kinderen en kleinkinderen, die vaak nog banden onderhouden met de landen waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen. De reden is wellicht dat we geneigd zijn de ander, de anderen, te beoordelen naar zijn of haar praktijk en onszelf naar onze theorie; de anderen naar hoe zij zich gedragen, naar hun soms kwalijke praktijken, maar onszelf naar ons goede geloof, onze fraaie idealen en opvattingen. Hun wangedrag, zo denken en zeggen we heel gemakkelijk, laat zien hoe ze echt zijn, wat ze echt geloven; ons wangedrag - dat toch maar zelden voorkomt - is maar een ongelukkig incident dat weinig of niets afdoet aan onze redelijkheid en voortreffelijkheid. Nu doet zich dit verschijnsel heel vaak voor, het is heel menselijk. Maar in onze gezinnen, onze vriendenkring, ons werk proberen we daar wat aan te doen. Anders gaat het gewoon niet. De scherpe kantjes worden er vanaf geslepen. Maar tussen bevolkingsgroepen, heel actueel tussen autochtone Nederlanders en allochtone migranten, ligt het wat anders. Veel Nederlanders hebben weinig of niets met de genoemde 'buitenlanders' te maken, behalve in het straatbeeld of in een winkel. Ze hebben geen kans hen beter te leren kennen en hebben daardoor ook geen dwingende reden verkeerde opvattingen, kleine of grote vooroordelen te corrigeren of op te geven. En dat is wederzijds. Het is gevaarlijk omdat we op die manier muren bouwen tussen onszelf en anderen, tussen onze godsdienst of levensbeschouwing en die van anderen, tussen 'onze' mensen en 'die' mensen, en zo kan je doorgaan. Het kan ook gemakkelijk leiden tot zelfingenomenheid en collectieve gezapigheid, eigenschappen die door professor Karel van Wolferen onlangs als de grote gevaren van onze politieke beschaving werden aangeduid.
 

Is die kloof tussen theorie en praktijk een probleem of vooral een kans?

Je kunt op verschillende manieren tegen die kloof aankijken. Allereerst: Je kan er heel realistisch en wat cynisch over opmerken: die kloof zal er altijd blijven. Zo is de mens nu eenmaal en daar moet je niet verder over zeuren. Die kloof zal er inderdaad altijd blijven omdat we niet volmaakt zijn, maar deze opvatting gaat voorbij aan de vraag hoe groot die kloof is en of het mogelijk is die te versmallen; zij laat ook de vraag liggen of het de moeite waard is, persoonlijk en maatschappelijk, die kloof steeds weer te verkleinen en te overbruggen. Een tweede mogelijkheid is, dat je er heel ernstig, heel serieus en gespannen over doet. De kloof zal en moet overwonnen worden. Bij onszelf, maar vooral ook bij anderen; door te dreigen met hel en verdoemenis, met overreding en als dat niet lukt, met geweld. In extreme vorm lag dat ten grondslag aan de inquisitie, aan het fascisme en het communisme waarbij ieder middel dat het geloof en de vooruitgang diende geoorloofd was. Maar in mildere vorm vinden we deze houding soms ook terug in onze democratische maatschappij. Maar een derde manier is dat je het ook ontspannen en met vertrouwen kan benaderen. Daar zou ik voor willen pleiten. Die kloof tussen theorie en praktijk is dan niet alleen een probleem, maar vooral een kans. Gelukkig dat we die kloof hebben en hem ook zien. Dan kunnen we er iets aan doen. Als we dat proberen is dat een kans om zelf te veranderen en een kans om een impuls te geven aan verandering in de samenleving. We hoeven het ook niet alleen te doen, maar we kunnen het samen met anderen doen. We hoeven het ook niet alleen uit eigen kracht en met eigen inspanning te doen. Als we veel of een beetje in God geloven, kunnen we een beroep doen op Zijn hulp; en anders kunnen we steunen op ons eigen geweten, op onze 'innerlijke stem', op ons bewustzijn, of hoe we het ook onder woorden willen brengen. We hoeven dan geen Atlas zijn die op zijn eentje de aardbol torst, of een Sysiphus die zich uit de naad sjouwt maar iedere keer van vorenaf moet beginnen, maar een Volgeling die een avontuurlijke weg volgt die hem gewezen wordt. We zitten inderdaad met een kloof tussen theorie en praktijk, maar het gaat erom die steeds weer te overbruggen en - om een ander beeld te gebruiken - er niet in te vallen. Graag wil ik aan de hand van enkele voorbeelden uit de praktijk en mijn persoonlijke belevenissen hier dieper op ingaan.
 

Voorbeelden uit de praktijk

Door een samenloop van omstandigheden ben ik in de politiek actief geworden. Na mijn studie rechten in Leiden, heb ik een jaar full time met Morele Herbewapening gewerkt, als vrijwilliger, om meer ervaring op te doen in de maatschappij op terreinen die in Leiden niet altijd aan bod kwamen. Tegenwoordig wordt dat co-worker genoemd. We werkten toen met een team vooral in Rotterdam, onder en met havenarbeiders en mensen die in de scheepswerven werkten. Dat jaar werd verlengd en ik werd uitgenodigd met een internationaal team naar Afrika te gaan. We vertrokken in december 1952 naar Rhodesië, nu Zimbabwe, naar Zuid-Afrika, Nigeria en Ghana. Met enkele anderen bleef ik wat langer in West-Afrika. In 1954 werd ik ziek, bleek polio te hebben en moest terug voor behandeling in een revalidatiecentrum, 1954-1955. Toen ik weer een beetje was opgeknapt, maar wel gehandicapt bleef, ben ik met Morele Herbewapening blijven werken. Het was een spannende en rumoerige tijd, met op de achtergrond de Koude Oorlog. In Rotterdam werkten we nauw samen, zoals ik eerder noemde, met mensen die in de haven en de scheepsbouw werkten, de meeste van hen actief in de vakbeweging en lid van de PvdA. Sommigen van ons stemden daar al op en werden zelf ook lid, maar we waren binnen de partij niet erg actief bezig. We hadden onze handen vol met het werk van MH waardoor we vaak op reis waren of in het buitenland verbleven, o.a. door de conferenties in het Zwitserse Caux. Op een gegeven ogenblik, in de 60-er jaren, kreeg het werk voor Morele Herbewapening grotere bekendheid o.a. door pagina-grote advertenties met als achtergrond de Koude oorlog. Daarin kwam aan de orde hoe de westerse democratieën zich weerbaar konden maken tegenover de uitdaging van de communistische ideologie die uit was op wereldoverheersing, en hoe wij in de westerse landen zelf zouden moeten veranderen door ons eigen geloof en onze eigen normen en waarden beter in praktijk te brengen: door bij ons de kloof tussen theorie en praktijk te overbruggen. Die grote publiciteit en daarmee gepaard gaande acties met films, bijeenkomsten, radio- en televisieprogramma's leidde ook tot controversen, tegenstellingen, aanvallen op Morele Herbewapening en ook wel tot verwarring wat de kern van MH was en hoe dat in praktijk gebracht kon worden. Sommigen van ons die lid waren van de PvdA werden in die tijd ook geconfronteerd met enkele mensen in die partij die zich tegen de ideeën van Morele Herbewapening - of wat ze dachten dat die waren - keerden. Een keer waren we als mensen van Morele Herbewapening uitgenodigd door een leraar die actief kaderlid van de PvdA was om op een school in Amsterdam iets over MH te vertellen en daar met de leerlingen over te discussieren. Maar toen dat gebeurd was stelden enkele Amsterdamse gemeenteraadsleden van de PvdA vragen aan het College van B&W, hoe dat nu kon op een openbare school, of dat geen eenzijdige propaganda was en of dat niet verboden moest worden. De PvdA-wethouder van onderwijs liet het uitzoeken en het College schreef in zijn antwoord dat het een open discussie was geweest op initiatief van een leerkracht die zelf geen voorstander van MH was en dat er geen aanleiding was maatregelen te nemen. Maar het schetst natuurlijk wel de sfeer die bij sommige mensen heerste. Een vervolg was dat een Amsterdamse PvdA afdeling voor een Congres van de PvdA een motie indiende waarin het gedachtengoed van MH werd bekritiseerd en de PvdA gevraagd werd zich daartegen uit te spreken. Het is eigenlijk daardoor dat sommigen van ons, in overleg met anderen, besloten actiever in de PvdA te worden en ons in te zetten dat een dergelijke motie niet zou worden aangenomen en bovendien dat in het algemeen meer gedaan moest worden om de ideeën van MH op het terrein van de politiek beter te verwoorden, niet alleen in de PvdA maar ook in contacten met de christelijke partijen, de VVD enz. Wat de PvdA-motie betreft was snel handelen nodig. We beseften namelijk al te goed, dat het aannemen van de motie niet alleen in Nederland, maar ook internationaal gebruikt zou kunnen worden om een tegenstelling te suggererenn tussen de ideeën van de sociaal-democratie en die van Morele Herbewapening. Maar die ontwerp-motie tegen MH was ook een kans. Het gaf een concrete reden met allerlei mensen te spreken. Met name noem ik hier Willem Drees met wie we al eerder allerlei goede contacten hadden gehad en die nu het partijbestuur liet weten dat het volgens hem onjuist zou zijn als een politieke partij als de PvdA, met leden van zeer verschillende kerkelijke en levensbeschouwelijke achtergrond, zich inhoudelijk over een levensbeschouwelijke beweging zou uitspeken. Ook mijn latere schoonvader, Dirk de Loor, toen burgemeester van Delft en lid van de PvdA Eerste Kamerfractie - ook bestuurslid van de Nederlandse stichting voor Morele Herbewapening - en andere leden van de PvdA, ik denk aan Kees en Annie Tolk die sommigen van u kennen, schreven aan het partijbestuur of spraken erover in hun afdeling. Het resultaat was dat het partijbestuur bij monde van de de voorzitter, oud-minister Ko Suurhof, het congres voorstelde de motie niet in behandeling te nemen en van de agenda af te voeren. Dat werd met algemene stemmen door het congres besloten. Mede hierdoor ben ik actiever geworden in de PvdA, omdat ik het van veel belang vond voor de samenleving dat het ideengoed van MH en het christendom ook de sociaal-democratie zou helpen haar idealen beter te verwezenlijken en de kloof tussen theorie en praktijk, die iedere politieke partij bedreigt, te helpen overbruggen. Je kan je overigens voorstellen dat dit geen eenvoudige opgave was en dat ik ook niet goed wist hoe ik dit zou moeten doen. Ik ben er van uitgegaan dat ik niet meer hoefde te doen, dan de mensen en situaties die op mijn weg kwamen, open tegemoet te treden, vrienden te maken, oplossingen te zoeken en het resultaat over te laten. Toen ik in de afdeling Utrecht actiever werd, werd ik al snel gevraagd voorzitter te worden van afdeling 5, een van de 9 Utrechtse afdelingen. Ik heb toen direct mijn werk met Morele Herbewapening naar voren gebracht en dat ik vaak verplichtingen had buiten Utrecht. Maar dat werd aanvaard en ik werd tot voorzitter gekozen. Kort daarna sprak Den Uyl op een vergadering in Utrecht en ik zat in een panel dat hem vragen stelde. Hij kwam na afloop naar me toe en vroeg wat mijn werk was, zodat Morele Herbewapening ook bij hem direct ter sprake kwam. Dat was het begin van een contact met Den Uyl dat voor mij veel heeft betekend. Ik kwam hem kort daarna weer ergens tegen en toen zei hij dat hij bij een paar linkse jongeren in Utrecht had nagevraagd hoe zij tegen mij aankeken en dat hij van hen een positieve reactie had gekregen. Een tijdje later kreeg ik het verzoek van de voorzitter van de PvdA-federatie, een overkoepeling van de 9 afdelingen in de stad Utrecht, of ik hem als voorzitter kon opvolgen. Ik benadrukte tegenover hem nog eens mijn werk in Morele Herbewapening en dat ik vaak verplichtingen buiten Utrecht had, maar hij bleef bij zijn verzoek en zei dat hij het met het hele bestuur zou bespreken. De boodschap kwam dat bestuur unaniem mijn kandidatuur steunde en ik heb toen gezegd dat ik ertoe bereid was. Op de jaarvergadering waarop het nieuwe bestuur gekozen moest worden, gebeurde er echter iets heel onverwachts. Vlak voor de vergadering kwamen de jonge socialisten met een tegenkandidaat. Volgens de reglementen kon dat toen, maar het was tegen de afspraken in het bestuur en het stond dus ook niet op de uitnodiging voor de jaarvergadering. Niemand was er op voorbereid behalve de jonge socialisten die hun eigen leden hadden opgetrommeld om naar de vergadering te komen. Ik voelde me dus wel bedreigd, maar kon niet veel anders doen dan mijn ouders die ook PvdA-lid waren, maar thuis waren gebleven, op te bellen. Samen met een kennis kwamen ze alsnog naar de vergadering om mij wat steun te geven. Bij de verkiezing van voorzitter ontspon zich een fel debat. De woordvoerde van de JS, Willem van de Zandschulp, nu lid van de Eerste Kamer, stelde de tegenkandidaat en gaf als uitleg dat zij niets tegen mij persoonlijk hadden en tegen mijn functioneren in de afdeling, maar dat ze het onaanvaardbaar vonden dat iemand die "propagandist van Morele Herbewepaning" was, voorzitter van de afdeling zou worden. Het bestuur verdedigde mijn kandidatuur en ik kreeg ook de kans iets te zeggen. Ik vertelde iets over Morele Herbewapening en over mijn eigen achtergrond, dat voor mij persoonlijk MH en PvdA in elkaars verlengde lagen, terwijl dat voor andere mensen in MH natuurlijk anders kon zijn. Ik beriep me ook op het beginselprogramma van de PvdA waarin uitdrukkelijk was vastgelegd dat mensen van verschillende kerkelijke en levensbeschouwelijke achtergrond samen in één partij konden samenwerken en daartoe ook de vrijheid en ruimte hadden. Allerlei mensen namen aan het debat deel, waarbij ik o.a. steun kreeg van het Tweede Kamerlid Sake van der Ploeg, een bekende figuur die toen voorzitter van de landbouwarbeidersbond van het NVV was. Er werd gestemd en ik werd met een grote meerderheid gekozen. De volgende dag kwam de Utrechtse editie van Het Vrije Volk uit met een pagina-brede kop: PvdA Utrecht kiest Morele Herbewapening voorzitter. Kort daarna kwam ik Den Uyl tegen in de stationsrestauratie in Groningen. Hij zei dat hij het had gelezen en dat hij blij was dat iemand van Morele Herbewapening tot afdelingsvoorzitter gekozen kon worden. Het leek dus allemaal prima en ik dacht dat de zaak daarna voor mij persoonlijk ook af was. Maar het voorval bleef me achtervolgen. Elke keer dat ik Willem van de Zandschulp ergens zag, draaide ik in mijn hoofd een filmpje af van die vergadering. Ik besefte dat ik ondanks het succes boos en bitter was. Op een morgen toen ik stille tijd hield en dit punt weer naar voren kwam, kreeg ik de gedachte: 'Je moet dit uitpraten, Van de Zandschulp vergeving vragen voor je verbittering en voor het feit dat je het niet direct met hem hebt uitgepraat.' Ik vond dat niet zo'n gemakkelijke gedachte, maar toen ik kort daarna tijdens een bijeenkomst naast hem kwam te zitten, kon ik in de pauze zeggen wat ik op het hart had. Zijn reactie was: 'Dank je wel. Wij hebben achteraf tegen elkaar gezegd dat wat we gedaan hadden, niet door de beugel kon, dat we het niet weer zullen doen. Ook vinden we dat je het de afgelopen paar maanden als voorzitter democratisch en open hebt gedaan en op de volgende jaarvergadering zullen we je steunen.' Het gevolg was niet dat we het politiek altijd eens waren, maar de angel was eruit. Later was hij het nota bene die mij kandidaat stelde voor de gemeenteraad en me aanmoedigde dat ook inderdaad te gaan doen. Hij woont nu bij mij in de straat en nu en dan praten we nog over dingen die in de politiek aan de orde zijn. De les die ik eruit leerde, was dat je altijd zelf de eerste stap kan doen om de kloof tussen mensen te overbruggen en dat het vaak erom gaat bij jezelf eerst de kloof tussen theorie en praktijk aan te pakken. Een soortgelijke ervaring had ik met een vrouwelijke wethouder in Utrecht, die jarenlang lijsttrekker van de PvdA in Utrecht was en later ergens anders burgemeester werd. Met haar deed zich na de verkiezingen in 1978 waarbij ik net niet gekozen werd, een incident voor dat voor mij en haar pijnlijk was. Ik zal u de details besparen, maar dit werd ook bijgelegd doordat ik een eerste stap deed en mijn excuses aanbood. Maar het hielp maar half en haar onbegrip ten aanzien van MH bleef aanwezig, hoewel ze tegenover mijn vrouw Josiene extra aardig probeerde te zijn. Maar jaren later, toen de VPRO MH behandelde in het programma OVT, Onvoltooid Verleden Tijd, zat ik met haar in een bijeenkomst van ouderen in de PvdA, en volkomen onverwacht zei ze tegen me, terwijl alle aanwezigen meeluisterden, dat ze het programma had gehoord, veel beter had begrepen wat MH door de jaren heen had proberen te doen en dat het haar speet dat ze zich daar altijd zo negatief tegenover had opgesteld. Maar hoe gaat het met concrete projecten, waarbij persoonlijke verhoudingen niet zo op de voorgrond lijken te staan? Recent in de periode juni 1997 - april 1998 toen ik als invaller weer lid was van de Utrechtse gemeenteraad, waren er twee concrete kwesties waar ik als woordvoerder van de PvdA moest optreden: Het Utrecht Centrum Project en het verkeer en vervoer in de stad. Beide hadden een lange voorgeschiedenis en bij beide ging het erom dat er nu eindelijk keuzen moesten worden gemaakt en knopen moesten worden doorgehakt. Ik had het voordeel dat ik het een paar jaar wat op afstand had kunnen volgen en daardoor misschien iets vrijer was in mijn opstelling, aan de andere kant was ik natuurlijk met mijn fractie gebonden aan allerlei afspraken en standpunten die eerder waren ingenomen. Het Utrecht Centrum Project (UCP) betreft het gebied van Hoog Catharijne - bij velen van u wellicht bekend - het Centraal Station en de Jaarbeurs. De opzet is het hele gebied veiliger te maken voor de mensen die daar winkelen en werken of daar gewoon langs komen op weg naar het station, ruimte te scheppen voor het snel toenemend aantal mensen die in dat gebied komt - dat naar schatting zal verdubbelen - en het tegelijk moderner en aantrekkelijker te maken voor de komende 20 tot 50 jaar. Met veel tegengestelde belangen, bijvoorbeeld tussen de grote ondernemingen die willen groeien en goed bereikbaar willen zijn en de bewoners van omliggende wijken die zich bedreigd voelen door grote kantoorgebouwen en toenemend autoverkeer. Ik heb daar natuurlijk maar een klein steentje aan kunnen bijdragen. Door nauw samen te werken met een ander raadslid, Hans Spekman, die nu in de nieuwe raadsperiode fractievoorzitter is, heb ik de prioriteiten goed in de gaten kunnen houden. Hij is veel jonger, 32, maar ondanks dat heb ik vaak met hem overlegd, ook toen ik niet in de raad zat. Dat maakte het de 9 maanden dat ik weer gemeenteraadslid werd veel gemakkelijker en daardoor konden we in raadscommisie Verkeer, Vervoer en Milieu, waar ook het UCP onder viel, heel goed samenwerken. Er bleek dat de oorspronkelijke doelstelling om het gebied leefbaarder en vooral veiliger te maken, steeds meer naar de achtergrond schoof. Over alles en nog wat kwamen dikke rapporten uit, maar over de veiligheid maar een klein document. En dat, terwijl iedereen moest toegeven dat juist die veiligheid een heel moeilijk punt was en essentieel om het hele project met al zijn gebouwen en wegen een succes te maken. Uiteindelijk was dat door onze gezamenlijke inzet het enige punt waarop de officiële besluitvorming in de gemeenteraad aangepast werd. Alles moet natuurlijk nog handen en voeten krijgen, maar dit was één punt waarop de kloof tussen theorie en praktijk heel groot dreigde te worden en waarop actie ondernomen kon worden om die te overbruggen. (Bij Verkeer en Vervoer zijn heel veel zaken aan de orde geweest, maar heel dicht bij huis was het een experiment met een zg Fietsstraat in de Burgemeester Reigerstraat, tussen de Maliebaan en het Wilhelminapark. Sommigen van u kunnen dat misschien lokaliseren en enkelen hebben misschien al door die Fietsstraat gereden. Het probleem was dat door een niet erg brede winkelstraat, die bovendien onderdeel vormde van een stedelijke fietsroute tussen de binnenstad en het universiteitscentrum De Uithof, niet alleen veel fietsers moesten, maar ook grote stadsbussen en auto's, en dat in twee richtingen. Andere routes waren niet of nauwelijks beschikbaar. Na lang praten kwam een groep deskundigen, winkeliers en omwonen-den tot het voorstel een experiment met een Fietsstraat. Dat wilde zeggen dat de fietsers over enkele honderden meters absoluut voorrang hadden en dat bussen en auto's de fietsers niet mochten inhalen. Om dat ook fysiek onmogelijk te maken, werd de straat in twee delen gedeeld door een hoge betonnen middenberm. Ondanks de waarschuwing dat een Fietsstraat met zoveel bussen en auto's niet kan, werd toch tot een proef besloten. Helaas ging er bij de uitvoering heel veel mis. De parkeerplaatsen voor de winkels waren te krap, zodat de bus tegen de autospiegels aanreed. Wanneer een vrachtauto en winkel moest bevoorraden, kon niemand er meer langs. Soms gingen de buspassagiers maar verder lopen, omdat de bus 10 minuten of langer oponthoud had. Ook auto's die van buiten de straat inreden, zagen geen duidelijke borden die hen waarschuwden voor de volkomen afwijkende situatie waarin ze terechtkwamen. Fietsers die niet snel genoeg konden opschieten, gingen over de trottoirs rijden, waar de voetgangers in het nauw kwamen. Het regende klachten. Er kwamen wel enkele verbeteringen, maar het kwaad was geschied en nu wordt binnenkort de oude toestand grotendeels hersteld. Hier was ook sprake van een grote kloof tussen theorie en praktijk, maar terug naar af is nog geen oplossing. Ook als wijkbewoner heb ik erg geprobeerd een oplossing te vinden in overleg met de mensen in de omgeving en het wijkbureau van de gemeente. Als plaatsvervangend lid van de officile wijkcommissie Oost zal ik daar verder aan werken.)
 

Tot slot wil ik iets meer zeggen over de kloof tussen bevolkingsgroepen

Een van de grote uitdagingen waar we in de wereld voor staan is de kloof tussen bevolkingsgroepen van verschillende etnische achtergrond en verschillende cultuur en geloofsovertuiging. In het begin heb ik daar al iets over gezegd. We zien dat in Azië, Afrika, het Midden-Oosten, Bosnië, Noord-Ierland, maar ook in Nederland. Op de vorige lunch heeft Jeroen Gunning daarover heel indringend gesproken ten aanzien van de Politieke Islam en de Gazastrook. Ook in Nederland worden we geconfronteerd met wederzijdse onkunde en onbegrip, angst en vooroordelen die soms eeuwen teruggaan. Verschillen in huidskleur, waardoor mensen opvallen en in een vakje gestopt kunnen worden, verergeren dat. Ondanks het imago van tolerantie en gastvrijheid dat Nederland heeft, komt er in de praktijk vaak weinig van terecht. De overheid heeft daar een taak, denk aan de immigratiedienst, de politie, het gemeentebestuur. Maar er ligt ook een grote taak voor bedrijven, vakbonden en andere organisaties, kerken en individuele mensen. Ook hier is er sprake van een kloof tussen theorie en praktijk. Om die kloof te overbruggen is in de eerste plaats eerlijkheid nodig over wat er in jezelf omgaat. Ik heb er mooie theorieën over, maar ik betrapte me erop dat als ik een te zwaar beladen auto langzaam over de snelweg vóór mij zie rijden, dat er voordat ik kan zien wie erin zit, de gedachte door mijn hoofd schiet: dat zullen wel buitenlanders of zigeuners zijn. Soms is dat waar, soms niet - en in elk geval is het helemaal niet relevant. Ik heb zo'n negatieve reactie soms ook als ik word ingehaald door een te snel rijdende Mercedes met een Duits nummerbord. Een eerste punt is eerlijkheid over je eigen reacties. En dus niet zó verbaasd zijn, als anderen die ook hebben en uiten. Een tweede punt is natuurlijk dat je besluit je niet door je eerste reacties te laten leiden, er waar nodig korte metten mee maakt en je hart en geest open stelt voor mensen uit andere landen en culturen. Ten derde komt dan: wat doe je dan? Vaak hoor ik: ik ken niemand van die andere groepen, ik kan ze toch niet zomaar op straat aanspreken e.d. De ervaring van ons als gezin is, dat er zich soms concrete mogelijkheden voordoen en dat het er dan om gaat er op in te gaan. Bij ons was dat bijvoorbeeld toen onze predikant in de kerkdienst 17 jaar geleden melding maakte van Vietnamese bootvluchtelingen die in Utrecht werden opgevangen, maar die behoefte hadden aan begeleiding en hulp. We gaven ons op en kregen een jong gezin toegewezen met 4 kleine kinderen. Ze spraken alleen Chinees en Vietnamees, zodat we met handen en voeten met elkaar moesten leren omgaan. Tussen twee haakjes: In één generatie hebben ze de achterstand overbrugd: alle vier kinderen studeren nu aan een universiteit. Het gezin is inmiddels verhuisd naar Reeuwijk, maar we zijn al die jaren met elkaar in contact gebleven en vrienden geworden. Wij hebben zeker zoveel van hen geleerd als zij van ons. Vooral omdat het niet van korte tijd was, maar iets dat we van beide kanten hebben vastgehouden. Een van de jongens heeft een tijdje bij ons in huis gewoond, toen hij als student niet direct een studentenkamer kon vinden. Twee weken geleden zijn mijn kinderen Rutger en Jonneke, en ik, nog bij hen in Reeuwijk op bezoek geweest en hebben we ervaringen over de studie en waar je je met je studie voor gaat inzetten, kunnen uitwisselen. Wat mij toen bijzonder trof was dat zij in hun eigen denken waren afgestapt van een zo'n zeker mogelijke baan met een zo hoog mogelijk inkomen en eerder dachten aan een beroep waarmee ze anderen konden helpen. Datzelfde is gebeurd met enkele anderen die op onze weg kwamen. Ik heb geleerd dat het niet gaat om vluchtige contacten, maar om iets blijvends. Als we dat proberen te doen en als dat zich uitbreidt tot een netwerk dat geen grenzen kent, kunnen we samen de kloof tussen theorie en praktijk zien te overbruggen. Het is een proces. Een kwestie van vallen en opstaan. Ook een kwestie van niet ontmoedigd raken en snel weer opstaan als er iets mis gaat. In deze tijd is een belangrijke kwestie de verhouding tussen moslims en niet-moslims in Europa. Het houdt veel mensen bezig. Wederzijds is er onkunde, vaak ook vooroordelen en angst. Moslims die in Europa een kleine minderheid vormen en vaak als immigranten in een achterstandspositie verkeren, voelen zich door de grote blanke meerderheid ondergewaardeerd en soms bedreigd. Dat gebeurt op persoonlijk niveau, maar ook door de media. In Engeland heeft de Runnymede Trust in 1994 een commissie gevormd, waarin joden, christenen en moslims zaten en ook journalisten en vertegenwoordigers van de seculiere samenleving om hiernaar een onderzoek in te stellen en na te gaan wat vermeende en wat echte tegenstellingen waren en wat daaraan gedaan kon worden in het belang van de samenleving als geheel. Bij dat onderzoek kwam naar voren dat er sprake is van een nieuw verschijnsel, 'islamofobie' genoemd, waar mensen en media heel snel de schuld geven aan de islam en heel snel het etiket 'islam' plakken op iets dat als gevaar wordt gezien. Voorbeelden zijn: de bomaanslag in Oklahoma in de Verenigde Staten, waarin door de media direct werd gezegd dat het een aanslag van moslims zou zijn, terwijl later bleek dat rechtsradicale blanke Amerikanen de daders waren. Toen Pakistan vorig jaar een kernbom tot ontploffing bracht, kwam een grote Britse krant met de kop 'Muslim Bomb', terwijl de pers niet gewend is de vele kernproeven die door westerse landen de afgelopen jaren zijn gehouden, als 'Christelijke Bom' te beschrijven. Ook in de Nederlandse media zijn er voorbeelden van vooroordeel en moslims die in Nederland niet in één verband georganiseerd zijn, vinden het moeilijk daarop adequaat te reageren. Imam Hamzeh Zeid Kailani die hier vanmiddag ook aanwezig is, heeft daaraan veel kunnen doen, ook omdat hij een van de weinig imams in Nederland is die het Nederlands machtig zijn. En paar jaar geleden hebben we samen met Peter Hintzen, die toen nog leefde, een paar keer met een groep mediamensen en wetenschappers overlegd wat we daaraan kunnen doen en in een enkel geval heeft dat ook effect gehad. Maar er moet op dit terrein nog veel gebeuren. Het kwam ook aan de orde in de drie workshops over Europa en de moslim gemeenschappen deze zomer op de internationale conferentie in Caux. Een van de onderwerpen die aan de orde kwam was de rol van de media. Wanneer daar een verkeerde voorstelling van zaken over de moslims wordt gegeven, moeten we de correctie daarvan niet alleen overlaten aan de betrokkenen zelf, maar als medeburgers zelf de pen of de telefoon gebruiken alsof het onszelf betrof. In die workshops werd een belangrijke en positieve rol gespeeld door twee Nederlandse politiefunctionarissen uit de regio Utrecht. Het waren commissaris Papeveld, directeur van het Expertise Centrum Politie & Allochtonen en brigadier Timmer, hoofd van het bureau islamitische gemeenschappen. Zij waren zo betrokken bij het onderwerp, dat ze officieel namens de politie naar Caux kwamen. Hun verhaal over wat er in Nederland door de politie wordt gedaan, werd door verschillende deelnemers uit andere landen als baanbrekend gekenschetst. In oktober zijn imam Kailani en ik in Engeland geweest om in het centrum Tirley Garth deel te nemen aan een overleg over 'Hope in the Cities' en de Moslims in Europa. Het vervolg daarop vindt van 26-28 februari 1999 plaats in Utrecht, waarbij het programma voor 27 februari verzorgd wordt door genoemde politiemensen. Er zijn in Nederland nog veel problemen te overwinnen en ook kansen te benutten, waarbij we niet moeten afwachten wat anderen al of niet doen, maar aanpakken wat we zelf kunnen doen, waar een deur geopend wordt. Mag ik het hier voor dit moment bij laten?

Aad Burger