woensdag, maart 1, 2000

Het bezoek van de Japanse keizer Akihito heeft veel, vooral negatieve reacties uitgelokt. Oudere Nederlanders die tijdens WOII in Nederlands-Indië door het Japanse leger werden gevangen gezet vinden het niet gepast dat een Japans staatshoofd naar Nederland komt zolang er vanuit Tokio geen excuses zijn gemaakt voor het oorlogsleed. Maar niet iedereen ziet om in wrok. In Ander Nieuws twee vrouwen die zich hebben verzoend met het verleden.

‘Ik ben door m’n gevangenschap heen gedragen door God,’ zegt mevr. Lüning uit Zwijndrecht. Ze is geboren Zwitserse en vertrok in 1936 vanuit haar geboorteland naar Nederlands-Indië, waar ze samen met haar man Emile op een rubberplantage ging werken. Toen de heer Lüning werd gemobiliseerd, in 1941, bleef z’n vrouw moederziel alleen achter op de onderneming. De dichtst bijzijnde buren woonden een uur lopen verderop. ‘Wekenlang zat ik daar alleen,’ vertelt mevr. Lüning, ‘en bij elk luchtalarm dan ging ik met m’n doosje geld en sieraden onder een boom liggen. Maar ik was niet bang. Ik had daar ook een tuin, dat hielp me er door heen,’ Tuinieren is niet alleen haar werk, maar ook haar lust en haar leven. De tuin achter het huis in Zwijndrecht ligt er ook nu prachtig bij.

‘Na een aantal weken kwam de buurman me halen, omdat hij het niet veilig vond voor mij alleen. We gingen vervolgens naar Soekaboemi, de stad in de buurt. Daar kondigden de Japanners aan dat we gevangen gezet zouden worden. Daarvoor werden we ingeschreven, maar mij wilden de Japanners niet hebben. Ik had een Zwitsers paspoort en ze waren bang dat ze door mij problemen zouden krijgen met het Rode Kruis. Mijn regering had ook geld gestuurd voor Zwitsers in Indië, je kon van dat geld in een hotel gaan zitten, mijn beste vriendin raadde me aan dat te doen, maar mijn schoonmoeder was er ook en ik kon haar niet alleen laten gaat, dat zou m’n man me later verweten hebben. Dus heb ik God gevraagd wat ik moest doen. Daarop ben ik vrijwillig het kamp in gegaan. Vanaf dat moment leek het wel alsof God zei dat hij me dan zou begeleiden.’

Ze vertelt als voorbeeld dat ze blindedarmontsteking kreeg. Zieken mocht het kamp niet uit, dat was verbodenm, maar een medegevangene die arts was ging naar de commandant en dreigde dat als hij me niet liet gaan hij een kopje kleiner gemaakt zou worden als de Japanners de oorlog eenmaal verloren hadden. Ook werd de commandant nog eens duidelijk gemaakt dat mevr. Lüning Zwitserse was. Toen mocht ze voor de operatie toch het kamp uit.

Na vier verschillende kampen werden de vrouwen overgebracht naar een gevangenis. ‘De reis was al verschrikkelijk. Ik bad tot God dat als ik deze reis zou overleven ik nooit meer ondankbaar zou zijn. Maar toen ik de gevangenis zag heb ik toch gevloekt. We zaten er een jaar en hebben erg honger geleden.’ Mevr. Lüning werd leider van de gevangenistuin, waardoor ze 120 vrouwen onder zich kreeg. Dat was de hele dag schipperen, want ze wilde de vrouwen niet te hard laten werkken, maar het gevolg was wel dat ze dan op het matje moest komen bij haar baas, die ze ‘de keukenjapanner’ noemt. ‘Ik gaf wel eens bloemen of bloeiende groenten aan vrouwen die jarig waren, maar dat werd me door de keukenjapanner verboden. Op een dag kwamen er twee Indische vrouwen die om wat bloemen voor hun moeder vroegen, en na lang aandringen gaf ik ze een bosje. Maar ze liepen zo langzaam door die grote tuin en voor ze weg waren kwam de keukenjap. Die pakte de bloemen af en sloeg de vrouwen er mee in hun gezicht. Ik had me voorgenomen dat ik nooit door een Japanner geslagen wilde worden. Nu stapte ik op hem af en zei: “Ik was fout”. Hij hief z’n zweep en ik dacht “nou komt het”, maar de zweep ging ook weer omlaag.’ 

Op een dag werd de gevangenis bezocht door een hoge generaal. Na dat bezoek werd er een gouden ring gevonden. Omdat je dat soort dingen niet mocht hebben, wilde de keukenjap weten van wie die was. De eigenaresse kreeg drie dagen de tijd om zich te melden. Dat gebeurde niet en toen moesten we voor onze straf kiezen: drie dagen niet eten of geslagen worden. ‘Omdat de ouderen drie dagen zonder eten niet zouden overleven kozen we slaag. We werden in een hoek gedreven en ik bad “God laat er telefoon gaan of laat die generaal terug komen”. Al een paar minuten later, de keukenjap had pas enkele vrouwen geslagen, ging de telefoon en kwam de generaal terug.’

‘Ik heb de Japanners nooit gehaat. Ik had een bijbel bij me, een boek over de Oxfordgroep en een boekje van een christelijke Japaneer die schreef: “Je moet niet een mens haten, alleen zijn systeem”. Ik moest van de commandant ooit toekijken hoe hij een vrouw aan een boom bond en afranselde, alleen omdat ze wat eieren had gestolen. Toen had ik het heel moeilijk en moest ik heel erg mezelf voorhouden “het is z’n systeem”.’

Tegen het eind van de oorlog werd de situatie in de gevangenis kritiek: iedereen was uitgehongerd. De arts gaf de vrouwen nog drie maanden, en vooral mevrouw Lünings schoonmoeder was er slecht aan toe. Haar vriendin wilde eten stelen voor haar twee tienerdochters, maar in plaats daarvan werd er eerst gebeden om eten. De volgende dag stonden er twee vrachtwagens met voedsel voor de poort. Kort daarop werden de vrouwen vrijgelaten en vond mevr. Lüning haar man terug, die in Thailand aan de Birmaspoorweg had moeten werken. Ook hij voelde geen haat tegen de Japanners.

Na de oorlog raakte het echtpaar verzeild in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Bij een aanval op de plantage werd Emile door een kogel geraakt, en bij een andere gelegenheid werd de directeur van de onderneming doodgestoken. ‘Eigenlijk begon de ellende voor ons pas na de oorlog,’ aldus mevr. Lüning. ‘Alleen had ik het niet gekund,’ zegt ze, ‘ik had God en een goede vriendin die ook gelovig was. Anderen hadden dat niet, en die hebben het nog steeds zwaar. Ik veroordeel ook niemand, maar het is zo belangrijk om niet rond te lopen met haat in je hart. Ik zou die mensen zo graag helpen. Dat is nu nog mijn enige wens: andere mensen blij maken.’

Mevr. Lüning werd bij terugkomst in Zwitserland ‘Gandhi’ genoemd, zo uitgemergeld was ze, en ze heeft door haar tijd in de kampen twintig jaar niet kunnen werken. Ze begrijpt dan ook dat er mensen zijn die geld van de Japanners willen. ‘Dat zou ik ook wel leuk vinden, maar ach. Mijn zoon doet inmiddels zaken met Japanse bedrijven. Twee jaar geleden was ik bij hem toen er ineens twee Japanse zakenrelaties van hem op de stoep stonden. Ik deed de deur open en kon toen met een vrij hart zeggen: “Welkom, leuk u te ontmoeten”.’

Geert-Willem Overdijkink
Uit Ander Nieuws maart/april 2000