woensdag, november 19, 2008

In de serie Levensverhalen

Op een doordeweekse avond kwam een aantal mensen bij elkaar om te luisteren naar het levensvershaal van pater Johan Miltenburg. Het is het eerste levensverhaal in een serie van vier, die op verschillende locaties plaatsvinden. 

Op het eerste gezicht kregen we een prachtige tijdsopname voorgeschoteld uit het rijke roomse leven uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. In het dorp Houten waar hij opgroeide gingen protestanten en katholieken letterlijk via gescheiden wegen naar school. Johan was een van acht kinderen en zijn moeder was een van elf. Op het eerste gezicht… want al onmiddellijk bleek uit het verhaal dat het familie- en geloofsleven traditioneel was maar niet slaafs en dat er invloeden van buitenaf toegelaten werden die de verborgen hang naar avontuur al vroeg boven brachten bij Johan.

Tijdens een nierziekte bracht hij een half jaar door bij zijn oma en die had een piano. ‘En ze was niet eens dominee of notaris!’ Later kwam ze met piano bij hen wonen. Vele uren bracht de familie zingend door. Na de watersnood van ’53 gaf het gezin onderdak aan een Zeeuwse ongehuwde protestantse vrouw en haar dochter. Bij de maaltijd werd toen om en om protestants of katholiek gebeden.

Toen Johan negen jaar oud was brandde de boerderij van zijn vader af. Zijn vader zei toen tegen de kinderen ‘jongens, ga de wereld in, want ik kan jullie niet meer onderhouden.’ En zo vonden de kinderen van het gezin onderdak bij verschillende gezinnen. Iemand uit Indonesië nam Johan mee en leerde hij van sambal te genieten. En zo werden al vroeg de zaadjes gestrooid die toegang gaven tot een wereld die veel wijder was.

De kinderen uit de katholieke boerengezinnen van die tijd gingen, als ze niet het boerenbedrijf in konden, veelal naar de missie. Johan groeide op met de verhalen die neven en nichten mee terug brachten. Johan zelf ging naar het internaat/ seminarie van de Witte Paters in Sterksel en toen naar Santpoort en het gymnasium in Driehuis. Daar waren Haarlem en Amsterdam binnen fietsbereik en ontdekte hij de theaters en de musea. Na zijn eindexamen in 1966 ging hij studeren in Tilburg en woonde met een aantal medestudenten in een huis waar ze als buren Turkse gastarbeiders hadden. Hij verdiende bij door met de Turken samen in de leerlooierij te werken. Daar zetten hij en medestudenten een protestactie op tegen de slechte lucht in de looierij. Veel arbeiders kregen last van hun luchtwegen. Samen met een arts lukte het hun om een verbetering af te dwingen.

In Leuven studeerde hij Arabisch en islamologie. Na een verblijf van twee maanden in Tunesië had hij het Arabische alfabet onder de knie. Het was een voorschot op zijn studie in Rome. Daar kwam hij de wereld tegen. In totaal bracht hij vanaf dat moment 35 jaar buiten Nederland door. In 1970 besloot hij Witte Pater te worden. De Witte Paters passen zich aan waar zij wonen en werken aan taal en cultuur, leven naar het gewoonterecht en werken aan de vorming van een kader. Zo begon hij zijn novitiaat in Fribourg in Zwitser-land. Als sociale actie begeleidde hij een halve dag per week een blinde. Na drie jaar theologie in Engeland volgde in 1974 zijn priesterwijding en in 1975 vertrok hij naar Soedan. Daar hield hij zich bezig met stedelijke vluchtelingen, maar na twee jaar werd zijn verblijfsvergunning niet verlengd.

Zo kwam hij terecht in Burkina Faso (toen nog Opper Volta), een land met, zoals hij het noemt, een ‘gentleman cultuur’. Als jong kapelaan werkte hij onder een inlandse priester. Elf jaar lang was hij de enige blanke. Hij leerde daar zijn ‘vak’ als priester, de taal en de gewoontes. Al gauw was hij als een vis in het water. Maar na elf jaar was er geen uitdaging meer.

De volgende stap kwam toen hij als vrijwilliger naar Niger ging, een land dat 95% moslim was. Twee jaar lang was er frustratie: een nieuwe taal, een andere mentaliteit en cultuur, veel meer confronterend en agressief. Na tien jaar was het gevecht gewonnen om de eredienst in het Haussa te mogen houden.

De kerk in Afrika is verschillend van Europa: men behoort graag bij een kerk, inclusief met kaart en stempel. Gedwongen huwelijk, vrouwenbesnijdenis, hij heeft het allemaal meegemaakt, en waar mogelijk zijn steentje bijgedragen om stap voor stap kleine veranderingen mogelijk te maken. Het was niet een kwestie van ‘ik moet mij aanpassen’, nee, het was zaak om hen te begeleiden op een voor hen vaak moeilijke en frustrerende weg.

Na 35 jaar keerde Johan terug naar Den Haag. Daar was hij nodig en vond hij zijn plaats in de Schilderswijk. Al zijn ervaringen met vreemde culturen komen hier van pas. Vaak nodigt hij een paar mensen bij hem thuis uit voor een maaltijd, die dan weer op hun beurt elkaar uitnodigen met weer iemand erbij. Contacten weven.

Over twee jaar hoopt hij weer de wereld in te gaan. Wat hem al die jaren heeft gedragen zijn de wekelijkse vergaderingen met zijn team, de uitdagingen die ze elkaar continu gaven, en het besef dat dit vertrouwen en alles wat ter tafel kwam binnenskamers bleef.

Johan Miltenburg noemt geloof een twijfelachtige zaak. ‘Je wordt later niet geoordeeld op je geloof, maar op je commitment, op je leven met naastenliefde’.

Lotty Wolvekamp

Uit Ander Nieuws november/december 2008