dinsdag, maart 31, 2009

Eind januari vertelde Betty Gunning-Hintzen in Rotterdam haar levensverhaal. Haar huiskamer was zo ingericht dat de 20 aanwezigen er gemakkelijk in pasten. Een paar oudere vriendinnen, een vroegere student/huis-genoot, een Palestijn en een paar Turkse Nederlanders vormden haar aandachtig gehoor.

Betty kwam in 1923 ter wereld als derde in een gezin van acht kinderen. Het waren de jaren van de grote crisis, maar zij had een gezellige, veilige jeugd. Er was in het grote gezin altijd wel iemand om mee te spelen. Haar vader, bankier en atheïst, ontmoette in 1934 de Oxfordgroep. Dat gaf hem een heel nieuwe kijk op de wereld. Het maakte hem een ander mens. Dat raakte ook het leven van de kinderen. Ze mochten ’s morgens vroeg niet meer zomaar de slaapkamer binnen stormen. Want pappie en mammie hielden ’stille tijd’, luisterden samen naar God. Zo raakte de jonge Betty daarmee vertrouwd.

1937 was een bijzonder jaar vanwege de massale bijeenkomst van de Oxfordgroep in de Utrechtse groentehallen. Een golf van en-thousiasme ging door het land. Het tijdschrift ‘De vloed komt op’ werd overal verspreid. Ook op haar school. Kern van dat alles was vrede, die kon beginnen in je eigen hart. Maar de oorlog liet zich er niet door afwenden. Betty zat inmiddels op het gymnasium. Joodse klasgenootjes en joodse leraren bleven soms plotseling weg. De sfeer werd beklemmend. Op een dag gooide Betty haar nieuwe geschiedenisboek vol onwaarheid uit het raam. Ze nam zich voor dat later haar kinderen zouden leren wat er echt aan de hand was.

Ze raakte intussen betrokken bij verzetsactiviteiten. Als koerierster op de fiets, met zelfs een keer een stengun onder haar jas. Dat deed je gewoon. Hongerwinter. Extra soep naar ondervoede kinderen. Ze probeerde meisjes te helpen, die het gezelschap van Duitse soldaten opzochten met alle gevolgen van dien. Toen kwam de bevrijding, Canadezen, overal feest. Betty was 21. Het was een dolle, gekke tijd. Eindelijk vrij. Ze ging rechten studeren in Leiden. Nog steeds koestert ze de vriendschappen uit die tijd. Er was ook een jongeman. Verliefd, verloofd, maar hij was niet de juiste. Verloving verbroken en even er tussen uit met haar ouders naar Caux in Zwitserland.

Het was 1948. De conferentie ging over de wederopbouw van Europa. Ook Duitsers waren uitgenodigd om mee te werken aan een nieuwe geest, waarin dat kon gebeuren. De conferentie maakte diepe indruk op haar. Mensen van haar eigen generatie vol verwarrende herinneringen aan de oorlog, soms cynisch en in gewetensnood door wat ze hadden ervaren aan het front, in kampen of in het verzet. Ze merkte hoe velen van hen visie en hoop kregen voor een nieuw begin en besloten alles te geven voor een andere wereld. Zelf besefte ze dat ze niet altijd die brave dochter was die ze leek. Daar eerlijk over zijn betekende voor haar ook een nieuwe start. Betty nam een verstrekkend besluit: ‘God, hier is mijn leven. Wilt U mij leiden?’

Ze werd uitgenodigd naar Duitsland om daar door middel van o.a.een toneelstuk haar eigen moedeloze en verbitterde generatie te bereiken en nieuwe hoop te brengen. Dat was voor haar op dat moment belangrijker dan haar studie. Ze ging naar het Roergebied. Alles lag daar in puin. Er was armoede en honger. ‘Wij sliepen op de bank bij mijnwerkers thuis, hielpen bij de toneelvoorstellingen, ontmoetten een lange stoet van mensen met indringende verhalen.’ Het was een historische tijd, waarin het verlangen naar een nieuwe wereld overal tastbaar aanwezig was. Betty: ‘We geloofden daarin. Je probeerde te gehoorzamen aan iets in je eigen hart, waarvan je wist dat het goed was.’

Na Duitsland was Betty 7 maanden in India. Daarna voor langere tijd in Ame-rika. In het begin van de zestiger jaren, na 15 jaar reizen en ‘leven uit koffers’, keerde Betty terug naar Nederland vanwege de slechte gezondheid van haar vader. De laatste 7 maanden van zijn leven woonde ze thuis in Rotterdam. En toen ontmoette ze haar man, Karel Gunning, op verlof uit Marokko, waar hij arts was in dienst van de Marokkaanse regering. Een wetenschapper en een doener. Ze voelde de diepe rust en overtuiging, die van hem uit-gingen. Betty volgde hem naar Marokko. In oktober 1965 zijn Karel en Betty getrouwd. Een gave van onze lieve Heer, zegt ze vol overtuiging. Een jaar later, weer terug in Nederland, werd Jeroen geboren. Inmiddels waren ze ingetrokken bij haar moeder in het grote huis in Rotterdam, de ‘Ark van Noach’, waar altijd plek is voor iedereen, mens en dier. Wat voor 1 jaar begon, duurde 26 jaar! ‘We waren er toen mijn moeder ons nodig had in de laatste jaren van haar leven.’

Het grote huis

In het grote huis waren vele ontvangsten en conferenties. Oma Hintzen was er altijd, voor Jeroen en andere huisgenoten een vast ba-ken. Na haar overlijden werd het huis verkocht. Karel en Bety bouwden een kleiner en geriefelijk huis met genoeg ruimte om ons royaal en gastvrij te ontvangen met zelf gebakken gemberkoek. Iemand vroeg Betty wat ze ons wil meegeven. ‘Dat God je lief heeft en je duidelijk maakt wat je moet doen’. Nu ze alleen is, ziet ze elke dag nog meer als een uitdaging. Ze staat op tijd op, anders vloeit de dag weg. Het is een kwestie van discipline. Een beetje spijt heeft ze wel dat ze haar rechtenstudie later niet heeft kunnen afmaken. Ze is trots op haar zoon Jeroen, die met zijn vrouw Janet en hun 2 zoons in Wales werkt en woont. Jeroen is gepromoveerd op een studie over de Hamas, uiterst actueel. Hij is nu docent politico-logie aan de universiteit van Wales. Tot slot vertelde de oud student/huisge-noot spontaan wat Betty voor hem zo bijzonder maakte. (Hij had 7 jaar bij haar in huis ge-woond.) ‘Weet u wel, welke zegeningen er van u uitgingen?! U was uzelf. Van eenvoudige dingen kon u iets maken. U had zoveel belangstelling voor uw omgeving. Uw zorg en attentie, een bloemetje uit de tuin of iets lekkers voor een tentamen. Dat zal me altijd bijblijven.’

Marina Scheijgrond-Verhulst

Dit artikel is ingekort voor Ander Nieuws maart/april 2009, de langere versie vindt u hier