woensdag, mei 6, 2009

Op Java, aan de voet van de vulkaan de Cerimei, ligt het bergdorp Linggarjati. Hier is het Museum Perundingan Linggajati / Museum van de Linggadjati Onderhandelingen gevestigd. Nederland en Indonesië dragen beide bij aan de instandhouding en het onderhoud van het museum, dat gezamenlijk cultuurbezit is. In dit huis van de onderhandelingen kwamen in november 1946 samen: een Nederlandse commissie-generaal onder leiding van oud-premier Schermerhorn met lt. gouverneur-generaal Van Mook en een Indonesische delegatie o.l.v. premier Sjahrir met president Soekarno en Mohammad Hatta. Onder het voorzitterschap van de Britse Lord Killearn, voerden zij onderhandelingen over vernieuwingen in de staatkundige relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië/Indonesië, die leidden tot een concept akkoord, dat in maart1947 ondertekend werd als het Akkoord van Linggarjati (1947).

Tot de bezetting van Nederlands-Indië door Japan, maart 1942, was Indië ruim honderdtwintig jaar een Nederlandse kolonie geweest en Nederland wenste het bestuur over Indië te hervatten, nu na de capitulatie van Japan de Tweede Wereldoorlog ook in Azië was beëindigd. Het gebied viel sinds 15 augustus 1945 onder het militaire overgangsbestuur van Engeland, dat eisen stelde aan Nederland alvorens over te gaan tot bestuursoverdracht. De situatie in Indië was namelijk grondig gewijzigd. Net als in India streefde de Indonesische bevolking naar onafhankelijkheid en op 17 augustus 1945 hadden Soekarno en Hatta eenzijdig de onafhankelijkheid van de republiek Indonesië geproclameerd. Met de terugkomst van duizenden geïnterneerden uit de Jappenkampen, het vertrek van de duizenden Japanse militairen en de aanwezigheid van honderden revolutionaire Indonesische jeugdgroepen, die de Europeanen en de hun-welgezinde minderheidsgroepen vijandig gezind waren, was terugkeer naar de vooroorlogse situatie niet te verwachten. Het Verenigd Koninkrijk drong aan op onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek voor een akkoord over de toekomstige staatkundige / volkenrechtelijke verhoudingen. Nederland weigerde aanvankelijk met vertegenwoordigers van de Republiek te onderhandelen. Hatta en Soekarno kwamen niet in aanmerking voor gesprekken, omdat zij gecollaboreerd hadden met de Japanners. Een eerste onderhandelingsronde met een Indonesische delegatie op de Veluwe werd geen succes, behalve dat Nederland de Republiek de facto erkende. Tenslotte werd minister-president Sjahrir benaderd, die niet met de Japanners had samengewerkt en juist daardoor een geschikte delegatieleider kon zijn. Afgesproken werd dat de onderhandelingen gehouden zouden worden op republikeins grondgebied, halfweg tussen Batavia (Nederlands-Indisch bestuurscentrum) en Djokjakarta (Republikeins bestuurscentrum).

In tegenstelling tot eerdere berichten in Nederland over algemene onveiligheid op Java trof de commissie-generaal in deze periode een situatie van ordehandhaving door het republikeinse leger aan, waarvan zowel De Britten als een Nederlandse onderzoekscommissie en zijzelf een zeer positief beeld hadden. Ook hadden zij waardering voor de wijze waarop de Indonesiërs de taak van de Engelsen hadden overgenomen bij de opvang en het vervoer naar veilig gebied van de terugkerende geïnterneerden uit de Japanse kampen. Hetzelfde gold voor het vertrek en vervoer van de Japanse militairen. Het ging om tienduizenden mensen en de Indonesiërs vervulden deze logistieke taken goed.

In het huis van de onderhandelingen waren de besprekingen niet gemakkelijk, maar zij verliepen in een respectvolle en vriendschappelijke sfeer. Na tweeënhalve dag waren de delegaties ver gevorderd en enkele dagen verder kon het conceptakkoord in Batavia worden ondertekend. Afgesproken werd, dat de Republiek (bestaande uit Java, Sumatra en Madura) een zelfstandige staat zou worden in een federatie van Indonesische staten. Deze federatie zou met Nederland, Suriname en de Antillen samengaan in een Unie, aan het hoofd waarvan de Nederlandse Kroon zou staan. Ook stonden er bepalingen in over de overgangsperiode en de mogelijkheid voor arbitrage. Vervolgens moest het akkoord nog door de wederzijdse parlementen worden goedgekeurd. Bij de Indonesiërs ging dit niet zonder weerstand, maar toch werd het akkoord aanvaard. Aan Nederlandse zijde duurde dat vijf maanden langer. Er kwamen heftige protesten uit het Nederlands-Indische bedrijfsleven en van de legertop (‘De commissiegeneraal had het koninkrijk verkwanseld’). De KVP was voor het eerst leidende regeringspartij en had sterke ambities maar weinig tot geen ervaring op het terrein van Overzeese Gebiedsdelen. Dit leidde in Nederland tot langdurige kamerdebatten en tenslotte tot eenzijdige wijzigingen in de tekst van het Linggadjati-akkoord door de motie Romme-van der Goes van Naters. Het vertrouwen onder de Indonesiërs in de Nederlandse intenties was inmiddels tot een dieptepunt gedaald en daarmee verdween ook het draagvlak voor de aanvaarding van het akkoord.

Toen het ‘aangeklede akkoord’ uiteindelijk op 25 maart 1947 door beide delegaties ondertekend werd, waren er dus twee interpretaties in omloop, die vervolgens aanleiding gaven tot voortdurende bestandsschendingen aan weerszijden en een toenemend onderling wantrouwen. De Nederlandse regering besloot daarop de orde en veiligheid door middel van een politionele actie te herstellen. De staatskas moest dringend gevuld worden, liefst met opbrengsten van het bedrijfsleven in Indië. Voor het hervatten van de productie was dan wel garantie van de orde en veiligheid noodzakelijk. Nederland wenste deze taak niet te delen met het Indonesische leger. De Nederlandse politionele actie werd een grootscheepse militaire operatie op Java en Sumatra, waaraan 100.000 militairen deelnamen onder leiding van Generaal Spoor. De weg van de diplomatie was hiermee verlaten, wat een definitieve breuk in de verhouding tussen Nederland en de Indonesische regering in Djokjakarta betekende. Operatie Product verliep snel en met succes, maar bracht Nederland internationaal geen politieke winst. De Indonesiërs slaagden erin door een even snelle bliksemactie de internationale opinie voor hun zaak te winnen. Een resolutie van de Veiligheidsraad keurde het Nederlandse optreden af en riep op tot een staakt het vuren. Vooral de komst van Sjahrir met een Indonesische delegatie naar de raad leverde de Republiek goodwill op. Sjahrir wist zijn toehoorders ervan te overtuigen, dat de Republiek juridisch en financieel een zelfstandige staat was en internationale erkenning genoot van diverse andere staten. De ‘Winds of Change’, zoals Harold McMillan het wereldwijde dekolonisatieproces later zou noemen, waren ingetreden en Nederland, waar dit besef nog onvoldoende leefde, werd hier onaangenaam mee geconfronteerd. Het zou nog drie jaar duren en een tweede politionele actie kosten, vóór Nederland op 27 december 1949 aan Indonesië soevereiniteit zou verlenen.

Sinds 1918 hadden diverse Nederlandse regeringen aan het Nederlands-Indische bestuur beloften gedaan voor overleg over grotere zelfstandigheid van Indië. In tegenstelling tot Engeland, dat met de Government of India Act van 1935 India gelegenheid gaf zelfstandige provincies te starten met eigen bestuur en democratische verkiezingen, bleef dit in Nederlands-Indië geheel uit. Ook het antwoord van Nederland op het opkomend Indonesisch nationalisme (begin jaren dertig vorige eeuw) was ronduit repressief. De leiders van de non-coöperatieve nationalistische partijen wachtte gevangenschap en ballingschap. Ook Sjahrir, Hatta en Soekarno werden in hun jeugdjaren verbannen naar verre oorden. Sjahrir en Hatta kwamen zelfs enkele jaren terecht in concentratiekamp Boven-Digoel in de binnenlanden van Nieuw-Guinea. Na negen jaar ballingschap konden zij hun maatschappelijk leven op Java en Sumatra pas door tussenkomst van de Japanners weer opnemen. Toen de Japanse bezetter Soekarno en Hatta vervolgens uitnodigde om samen het Indonesische nationalisme verder te ontwikkelen, namen beiden dit dankbaar aan. Sjahrir deed dit niet, omdat hij niet wenste samen te werken met het fascistisch regime. De kadervorming van zijn achterban organiseerde hij ondergronds.

De revolutie in Indonesië bracht tot uitdrukking dat het geloof in een geleidelijke groei naar onafhankelijkheid bij de Indonesische elite en bij grote delen van de Indonesische bevolking zeer klein was geworden. Onderling waren de Indonesische leiders hier verdeeld over. Sjahrir sloot samenwerking met Nederland niet uit, ook omdat hij vond, dat de Indonesiërs, en vooral de Indonesische jeugdgroepen, opvoeding in democratie nodig hadden en hierin geleid moesten worden. Soekarno’s kracht lag vooral in het mobiliseren van de massa’s, door hun onvrede en ongeduld te temperen en te bespelen. Terwijl de Nederlandse en de Indonesische delegaties elkaar in Linggarjati welwillend tegemoet traden, waren aan beide zijden de achterbannen hier nauwelijks toe genegen. Dit vroeg veel van de inzet en doortastendheid van de delegatieleden en later van hun leiderschap.

Eerder, vlak na de proclamatie van de onafhankelijkheid van Indonesië door Soekarno en Hatta, had Sjahrir een brochure uitgebracht, waarin hij zijn visie gaf op de Indonesische vrijheidsstrijd. Sjahrir toonde zich hierin voorstander van een democratische revolutie. Elk fascistisch element moest daar vreemd aan zijn en daarom deugde de opvoeding niet, die de jeugd van de Japanse bezetters had genoten. Wat deze jeugd miste en dringend nodig had, was onderwijs en opvoeding tot het dragen van verantwoordelijkheid. In plaats daarvan was de jeugd slechts getraind in blinde gehoorzaamheid. In combinatie met vreemdelingenhaat leidde deze blinde gehoorzaamheid tot vernietiging en zelfvernietiging. De haat tegenover minderheden en vreemdelingen vormde, vond Sjahrir, een verborgen factor in de nationalistische strijd, die vooral tot uiting kwam, wanneer deze minderheden en vertegenwoordigers van andere volkeren een geprivilegieerde positie innamen, zoals het geval was bij vreemdelingen, Indo-Europeanen en Indo-Aziaten, Christenen, Ambonezen, Menadonezen. Sjahrir veroordeelde deze houding en vond, dat de Indonesische houding en politiek tegenover deze groepen dringend moest veranderen.

“Elke nationalistische beweging die zich door vreemdelingenhaat laat meeslepen en bedwelmen en daaruit haar kracht wil putten, zal tenslotte de gehele wereld en de gehele mensheid tegenover zich vinden. De nationale hartstocht, die oorspronkelijk een krachtbron voor de beweging kan zijn, zal op dood spoor komen om tenslotte onder te gaan in een roes van zelfvernietiging.”

Vervolgens zette hij uiteen in wat voor richting dan wel gezocht moest worden:

“ Onze kracht moet bestaan in het kweken van gevoelens van rechtvaardigheid en menselijkheid. Alleen een nationalisme, dat gedragen wordt door deze gevoelens van rechtvaardigheid en menselijkheid, kan ons in de wereldgeschiedenis vooruit brengen.”

In de brochure trok hij deze visie op het nationalisme vervolgens door naar het internationale vlak:

“Want tenslotte moeten alle volkeren hun eindbestemming vinden in één mensheid, die de gehele wereld als één familie overdekt, een mensheid, die leeft in verhoudingen, gebaseerd op rechtvaardigheid en recht, niet langer begrensd door bekrompen gevoelens, die de mensheid onderling verdelen door verschil van huidskleur of afstamming. “

Met deze beschrijving gaf Sjahrir aan voor welke opgaven hij zich gesteld zag in zijn leiderschap. Dit werd hem door veel Indonesiërs niet in dank afgenomen. De publicatie van zijn brochure riep de woede op van de jeugdgroepen, die hem vervolgens ontvoerden en waarvan hij pas enkele dagen later, door bemiddeling van Soekarno, werd bevrijd.

Met zijn analyse en toekomstvisie wilde Sjahrir de tegenstellingen overbruggen, die het kolonialisme had geslagen in de houding van de Europeanen tegenover de Aziatische bewoners van de Indonesische archipel en omgekeerd. Dr. Jo Verkuyl, die jarenlang als missionair predikant in Nederlands-Indië woonde en werkte en de Indonesische samenleving door en door kende, zag de oorzaken van de crisis in de sociaal-psychologische verhoudingen tussen de bevolkingslagen. Vóór de Tweede Wereldoorlog werd de houding van de Europeaan in Indië sterk bepaald door superioriteitsgevoel gepaard aan onwetendheid, onmacht en onwil. Iedere Europeaan stond op een voetstuk, wat diens superioriteitsgevoel versterkte. Tegelijkertijd was de Indonesische wereld moeilijk voor hem te doorgronden. Door gebrek aan kennis van de taal, adat en cultuur van de ander, stond hij met lege handen. Daarbij was de Europeaan niet ontvankelijk voor enig initiatief uit de Oosterse wereld. De houding van de Indonesiër tegenover de Europese wereld werd weer veelal bepaald door wrok, wantrouwen en ergernis. Krenkingen, niet-ingeloste beloften en gebrek aan werkelijke interesse van de Nederlander waren daar de oorzaak van.

Toen het Nederlandse bestuur in Indië in maart 1942 zonder noemenswaardige verzet tegen de Japanse inval, wegviel en de Nederlandse en Nederlands-Indische bevolking massaal in Japanse kampen werd geïnterneerd, bleek hoe broos de koloniale constructie was; alles behalve een Mont Blanc in de Alpen, zoals Colijn het in 1928 in zijn boek ‘Koloniale vraagstukken van heden en morgen’ had voorgesteld . Het besef van een broze Nederlandse constructie droeg er sterk toe bij, dat de Indonesiërs na de Japanse capitulatie geen vreemde overheersing meer wilden. En hoewel ook zij zwaar geleden hadden onder de Japanse bezetting - massale slavendienst onder barre omstandigheden, erger dan ooit onder Nederlands bestuur - realiseerden zij zich tezelfdertijd hoe ver het Westen afstond van de eigen cultuur. Japanse propaganda, met name gericht op de rekrutering en indoctrinatie van de Indonesische jeugd, versterkte de antiwesterse houding onder hen. Na de Japanse capitulatie vormden jongeren honderden spontane revolutiegroepen, die een groot deel van de Japanse wapens wisten buit te maken voor de bersiap (onafhankelijkheidsstrijd). Het nationalisme van de jongerengroepen werd opgeklopt door haatgevoelens. Voor de duizenden Europeanen en Indo-Europeanen, die in het najaar van 1945 terugkeerden uit de Jappenkampen ontstond daardoor een levensbedreigende situatie, waarbij zeker 5000 mensen vermoord werden. In de periode tot aan de soevereiniteitsoverdracht liep dit aantal op tot 20.000 burgerslachtoffers.

Pas na een tweede politionele actie, onder zware internationale druk en onder dreiging van de intrekking van de Marshallhulp was Nederland bereid de soevereiniteit aan Indonesië over te dragen. Binnen een jaar werd Indonesië een eenheidsstaat en ook de Unie hield niet lang stand. Met de overdracht van Nieuw-Guinea, dat buiten de akkoorden was gehouden, aan de Verenigde Naties was de dekolonisatie van Indonesië in 1962 een feit.

Achteraf kunnen we concluderen dat het Linggarjati-akkoord van november 1946 een gemiste kans was. Onder gegeven revolutionaire omstandigheden waren de Indonesische leiders meer dan de Nederlanders in staat geweest om de krachten in de Indonesische samenleving in constructieve richting te bundelen. Maar, Nederland was niet bereid hen het nodige vertrouwen te geven. De maanden die nodig bleken om een aangekleed akkoord te ondertekenen, leidden tot desastreus tijdsverlies en verlies aan geloofwaardig leiderschap. Partijpolitieke motieven en een legalistische benadering aan Nederlandse zijde zorgden voor blikvernauwing, waardoor de Indonesische kwestie met onvoldoende besef van urgentie werd behandeld als provinciepolitiek. In de besluitvorming tot de eerste politionele actie speelden twee factoren een rol: de aanwezigheid van een grote militaire macht op het grondgebied van Indië/Indonesië, en de financiële noodzaak om de schatkist te vullen. Daarna waren de verhoudingen grondig verstoord , gevolgd door een langdurige en onnodig pijnlijke en gewelddadige afwikkeling aan beide zijden.

Tot 2006 was er in Nederland weinig aandacht voor de onderhandelingen van Linggarjati.

De Stichting vrienden van Linggarjati wil in Nederland het besef van gezamenlijk Nederlands / Indonesisch cultuurbezit bevorderen. Materieel gaat het om de instandhouding en het onderhoud van het huis. Daarnaast is er een ideëel doel, dat dit huis waarden vertegenwoordigt, die belangrijk zijn voor de samenleving van de toekomst. Als plek waar mensen uit verschillende culturen, met verschillende religies en achtergronden, samen zochten naar duurzame oplossingen voor hun internationale conflict, is het Huis van de Onderhandelingen te Linggarjati een herinneringsplek voor bezinning.

Dit gezamenlijke Indonesisch-Nederlands cultuurbezit vertegenwoordigt als cultuuropdracht: het verspreiden van de geest van Linggarjati.

  • Het uitdragen van het geestelijk erfgoed van de onderhandelaars, in het bijzonder van Sjahrir, die, Nederlands opgeleid, zijn kennis integreerde in zijn Indonesische identiteit. Hij was de intellectuele vader van de PSI (sociaal-democratische partij) met een grote passie voor de vorming in democratie van het PSI-kader en van de Indonesische jeugd.
  • Als denker en leraar, partijleider en diplomaat, onderhandelaar met een scherp gevoel voor internationale ontwikkelingen was Sjahrir een bruggenbouwer. Maar, wat hem vooral tot bruggenbouwer maakte, was, dat hij als oosterling hield van de westerse cultuur, waardoor hij bruggenbouwer kon zijn van Indonesië naar Nederland en van Indonesië naar de internationale gemeenschap. Als kenner van het westen, heeft hij de Indonesische (Sumatraanse) stijl van onderhandelen en gemeenschapsorganisatie gemobiliseerd om voor Indonesië een plek te creëren in de internationale gemeenschap. Vanuit een universele mens- en toekomstvisie plaatste hij het Indonesisch nationalisme in de context van een evoluerende mondiale samenleving.
  • De balans die Sjahrir zocht tussen nationalisme en internationalisme biedt thema’s voor training en vorming. Internationale dienstbaarheid beoefenen en leren beoefenen is een taak voor het onderwijs, waarbij grondwoorden zijn: debat en dialoog, educatie, leiderschaps-training, onderhandelen en bemiddelen.
  • In zijn behandeling van de Indonesische kwestie had Sjahrir oog voor het explosieve mengsel van nationalisme en vreemdelingenhaat. Dit thema speelde in de koloniale samenleving en in de post-koloniale samenleving vlak na de Tweede Wereldoorlog, maar is wereldwijd nog altijd relevant in onze plurale en multiculturele samenlevingen van vandaag. Zijn brochure ‘Onze strijd’ biedt om die reden waardevolle inzichten voor de wereld van vandaag.
  • Nederland en Indonesië hebben, los van elkaar, maar ook elkaar bevruchtend, ieder een eigen traditie opgebouwd van overleg en onderhandelen. Deze overlegculturen vormen de basis voor ieders democratieontwikkeling.

Noch in Indië/Indonesië, noch in Nederland kregen de commissie-generaal en de Indonesische delegatie veel weerklank. Argwaan en fundamentele kritiek vielen de onderhandelaars ten deel. Tussen juli 1947 en december 1949 werd de weg van de diplomatie zelfs grotendeels verlaten ten gunste van de diplomatie met andere middelen. Maar, uiteindelijk bleek, dat het Linggarjati–akkoord internationaal wel de basis bood voor de uiteindelijke soevereiniteitsoverdracht van Nederland aan Indonesië.

De leden van de commissie-generaal en van de Indonesische delegatie hebben als pioniers gewerkt op het vlak van nieuwe internationale ontwikkelingen, aan de grens van het onbekende. Hun voorbeeld in Europees-Aziatische betrekkingen, de vruchtbare ontmoeting tussen Oost en West die ook in onze tijd om continuering vraagt, strekt tot cultuuroptimisme.

Dit is een speech van Monica Bouman die ze hield op 19 maart in Den Haag