maandag, september 20, 2010

Winst op tweede plaats

R. Gopalakrishnan, directeur van Tata Sons in India, gaf op 13 augustus de zogeheten Caux lezing. In zijn veelomvattende lezing over kapitalisme, aandeelhouders, stakeholders, de WTO en de GATT, politiek en geschiedenis, doorspekt met luchtige en humoristische opmerkingen, legde hij zijn visie uit dat een bedrijf dat er in de eerste plaats op uit is iets bij te dragen aan de samenleving, automatisch ook winst zal maken. R. Gopalakrishnan aan het woordR. Gopalakrishnan aan het woord

Bedrijven die zich in de eerste plaats richten op winst ten behoeve van de aandeelhouders, redden het vaak niet. Van beide soorten bedrijven gaf hij voorbeelden. De bedrijven uit de Fortune 500 lijst hebben een gemiddelde levensduur van 40 jaar. Tata bestaat al ruim 140 jaar. Volgens Gopalakrishnan heeft dat te maken met het feit dat het doel van Tata is om aan de samenleving terug te geven wat het bedrijf verdient. ‘Het vurige verlangen van de grondlegger van Tata was om India en zijn bevolking zelfvoorzienend te maken. Winst maken kwam op de tweede plaats’.

Tata is een conglomeraat van bedrijven, waaronder Tata Steel, Tata Motors, Tata Chemicals, en verschaft werk aan zo’n 350.000 mensen. ‘Tata Steel pionierde de achturige werkweek, verlof met behoud van loon en een steunfonds voor de werknemers. De familie Tata spendeerde zoveel aan het opbouwen van een eerste klas infrastructuur voor de gemeenschap in de buurt van hun bedrijf dat mensen zeiden dat ze geld verkwistten.’

Gopalakrishnan vertelt over wat hem inspireerde toen hij twaalf jaar geleden bij Tata kwam werken. Overal waar hij bedrijven van Tata bezocht, merkte hij dat bedrijfspresentaties altijd eindigden met de vraag wat het bedrijf voor de directe omgeving deed. Hij was in het bedrijf nooit een handleiding tegengekomen waarin stond dat ze dat moesten doen, maar de mensen doen dat omdat ze er echt van overtuigd zijn dat zij winst maken ten behoeve van de gemeenschap. Dat overtuigde hem dat het hoofddoel van een bedrijf is om de samenleving te dienen.

Dat kan op verschillende manieren, aldus Gopalakrishnan. Het bedrijf kan maatschappelijk verantwoord bezig zijn. Het kan ook een product maken voor een grote groep mensen die tot dan toe geen toegang hadden tot dat product. Veel bedrijven richten zich op kapitaalkrachtige consumenten. Ze zouden zich ook moeten richten op de noden van diegenen die zelfs geen toegang hebben tot de basis-behoeftes. Het verschaffen van veilig drinkwater aan degenen die dat niet hebben is één van de grootste uitdagingen. Tata heeft de Tata Swach op de markt gebracht, een uniek en innovatief apparaat om water te zuiveren. Het is draagbaar, maakt gebruik van goedkope, natuurlijke middelen en kost ongeveer vijftig eurocent. Producten op de markt brengen ten behoeve van benadeelde groepen is zeker geen nieuw concept. Microfinanciering is een ander voorbeeld.

Gopalakrishnan zei dat Tata niet uniek is maar wel anders. De uitdaging voor de Indiase multinational is niet zozeer om zijn waarden aan anderen door te geven als wel om die waarden in het eigen bedrijf te handhaven. Met verwijzing naar het thema van de conferentie, noemde hij het gebrek aan vertrouwen één van de oorzaken van de huidige crisis.

Economie van het delen

Voor een overvolle zaal sprak Maria Voce, presidente van de Focolare beweging, over ‘De economie van het delen – een instrument ten dienste van de mensheid voor een verenigde wereld’.

Maria Voce (rechts)Maria Voce (rechts)Ze riep op om terug te gaan naar ethische waarden en naar een cultuur van delen in plaats van hebben en bezitten. Het vereist een groot onderscheidingsvermogen om de positieve en de negatieve kanten van de globalisering uit elkaar te houden. ‘Creativiteit, een nieuwe manier van denken en nieuwe economische acties zijn een sleutel voor onze toekomst’, zei ze.

Het idee van een ‘economie van het delen’ is ontwikkeld door Chiara Lubich, de oprichtster van de Focolare beweging die zelf in 2003 ook een lezing in Caux heeft gegeven. Bij de ‘economie van het delen’ werken ondernemers, werknemers, managers, consumenten en financiële deskundigen samen aan een samenleving waar, ‘in navolging van de eerste christengemeenschap in Jeruzalem, niemand gebrek lijdt’. Bedrijven die deze filosofie aanhangen gebruiken hun winst op drie manieren: een deel is voor de armen, voor hen die gebrek lijden; een ander deel is bestemd voor de training van mensen in solidariteit en broederlijke gemeenschap; en een derde deel wordt in het bedrijf zelf geïnvesteerd zodat het zich verder kan ontwikkelen. Deze manier van werken geeft minder conflicten en is minder individualistisch.

Bedrijven moeten gemeenschappen van mensen worden die met elkaar verbonden zijn door echte relaties, zei Maria Voce. Waarden als samenwerking, vertrouwen, luisteren, liefde voor de waarheid en participatie kunnen allemaal creativiteit en innovatie voortbrengen, evenals respect voor de waardigheid van ieder mens. Er zijn verschillende business parken van dergelijke bedrijven, verbonden met de Focolare beweging, in Brazilië, Argentinië, de VS, Portugal, België, Frankrijk en Italië. Over de hele wereld zijn meer dan tweehonderd doctoraalscripties over dit concept geschreven waardoor het ook academisch geloofwaardigheid heeft gekregen. Voce verbond deze ontwikkeling aan de Millenniumdoelen: de technische middelen om die doelstellingen te bereiken zijn er, maar, zei ze, ‘de wereld heeft elan nodig, een ziel, een samenhang tussen plannen en praktische acties, tussen definities en adequaat gedrag’.

Dit artikel verscheen ook in Ander Nieuws september / oktober 2010