vrijdag, februari 4, 2011

Joty te Kulve-van Os was de tweede spreker in de serie van drie avonden waarop mensen hun levensverhaal vertellen. Ze had haar dochter, die ook op de avond aanwezig was, van tevoren gevraagd wat ze van haar en van de inleiding vond. Haar dochter had gezegd en herhaalde dat die avond: ‘Je begint altijd bij A en gaat helemaal door tot Z. Je moet een kern hebben. Je hebt je aan veel (nare) situaties moeten aanpassen. En dat kun je omdat je onbevangen bent en recht door zee. Je bent een overlever.’

Joty ter Kulve-van Os is geboren in 1927 in Oengarang op midden Java en komt uit een zeer gemengde familie met Portugese, Chinese en Belgische voorouders. Haar vader was Nederlander, haar moeder Indisch. Haar vader was eigenaar van een cement- en tegelfabriek in Cirebon, niet ver van Linggarjati waar haar familie in 1930 ging wonen. Hun huis is later bekend geworden vanwege de onderhandelingen die daar in 1946 plaatsvonden tussen Indonesiërs en vertegenwoordigers van de Nederlandse regering.

Haar vader stierf toen ze zes jaar was. ‘Zijn overlijden betekende dat we een onzichtbare lijn waren overgestoken. Van eersterangs burgers, Nederlander, waren we opeens tweederangs burgers geworden, nog net boven de inheemse bevolking. De onderwijzeres gaf met sinterklaas geen cadeautje meer aan ons; de andere kinderen kregen die wel. Toen stond je daar niet zo bij stil maar zo’n voorval gaat wel heel diep in je ziel zitten’.

Het volgende deel van Joty’s verhaal gaat over de Japanse bezetting. De Japanners wilden dat zij en haar zusje in een bordeel zouden gaan werken. Haar moeder zei: geen sprake van! En het gebeurde niet. Haar zusje en broer moesten naar een kamp, maar haar moeder hoefde vanwege haar Indische achtergrond niet, evenmin als haar opa en oma. Toch kozen ze ervoor om mee te gaan. ‘Mijn opa stierf binnen drie maanden en we mochten hem niet begraven. Op de een of andere manier wist mijn oma altijd eten te vinden. Op een gegeven moment werden wij in open vrachtwagens naar een ander kamp vervoerd en onderweg werden we uitgejoeld door Indonesiërs. Ik wist dat dat het einde van onze aanwezigheid in Indonesië betekende’.

Na de oorlog vertrok Joty moederziel alleen naar Nederland en betaalde de overtocht door op de Johan van Oldenbarnevelt schoon te maken. Bij aankomst in Amsterdam werd iedereen door familie of vrienden afgehaald, behalve Joty. Ze nam de bus naar Utrecht en kon op de kamer van haar broer logeren die toen in Engeland was. Ze kon een renteloos voorschot krijgen van fl 100,- per maand en ging Indisch recht studeren. Toen ze tijdens de ontgroening bevolen werd op de grond te gaan zitten, weigerde ze. ‘Ik heb dat al drie jaar moeten doen!’

Ze genoot van het studentenleven en hield van feestjes. Studie afgelopen en wat nu? Ze wilde Europa ontdekken en ging als au pair naar Parijs. Dat was het begin van een volgende fase in haar leven. Ze ontmoette daar een jonge Oostenrijkse vrouw die haar in contact bracht met Initiatives of Change, toen nog Morele Herbewapening (MH) geheten. Ze kwam terecht in het conferentiecentrum van MH in het Zwitserse Caux en ontmoette daar mensen uit de hele wereld. Ze was onder de indruk van de aanzetten die daar gegeven werden voor verzoening tussen Frankrijk en Duitsland. In een klein kerkje in Caux stelde Joty zich de vraag wat ze met haar leven moest doen en ze besloot zich aan te sluiten bij MH.

Joty: ‘Ik kreeg de vraag voorgelegd of ik Japanners die naar Caux zouden komen, wilde verwelkomen. Ik probeerde iets te zeggen, maar moest naar mijn kamer omdat ik me zo beroerd voelde. Toch heb ik daar toen een ervaring van verzoening gehad. Op een gegeven moment kwam er een Japanner naar me toe en zei: 'Dit waaiertje is voor u' en begon te huilen. En voegde er aan toe: 'Ik ben commandant van een kamp in Indonesië geweest.”’

Ze vertelde hoe in die eerste jaren na de tweede wereldoorlog de basis is gelegd voor haar strijd voor rechtvaardigheid. Na een tijd lang in Frankrijk gewerkt te hebben, werkte ze een aantal jaren in de VS. Op een gegeven moment stapte ze een bus in en ging zitten in het gedeelte dat voor zwarten was bestemd. De conducteur haalde haar daar weg. Wat gebeurt er, dacht ze. ‘Hier wordt ik als blanke gezien en in Indonesië als Indisch! Stel dat mijn moeder met mij in deze bus was gestapt!’

Ze keert terug naar Nederland en gaat in Twente wonen waar ze haar man leert kennen. Die had na 1946 meegedaan aan de politionele acties in Nederlands- Indië. Samen met haar broer heeft Joty zich de afgelopen jaren ingezet voor het instandhouden van hun huis in Linggarjati als museum. ‘Ik heb me niet alleen kunnen verzoenen met de Indonesiërs, ik houd ook van ze.’

In het gesprek met het qua achtergrond en leeftijd gevarieerde publiek zei Joty in antwoord op een vraag over haar identiteit dat ze haar Indische afkomst nooit heeft verloochend. ‘Ik voel me echt Nederlands en Indonesisch’. 

In datzelfde kader beschreef ze dat haar moeder met haar mee was geweest naar een conferentie in Caux. Ze had die gelegenheid aangegrepen om haar moeder te vertellen wat ze allemaal moeilijk had gevonden. Een van de moeilijke dingen in haar moeders leven was geweest dat ze nooit een antwoord had ontvangen op de vele brieven die ze naar haar schoonouders in Nederland had geschreven, hoogstwaarschijnlijk omdat die het niet eens waren geweest dat hun zoon met haar was getrouwd.

En zoals geheel bij Joty past, spoorde ze de jonge mensen van Indonesische afkomst aan om echte bruggenbouwers te worden.

Johannes de Pous

 

Dit artikel verscheen ook in Ander Nieuws januari / februari 2011