woensdag, maart 1, 2000

Het bezoek van de Japanse keizer Akihito heeft veel, vooral negatieve reacties uitgelokt. Oudere Nederlanders die tijdens WOII in Nederlands-Indië door het Japanse leger werden gevangen gezet vinden het niet gepast dat een Japans staatshoofd naar Nederland komt zolang er vanuit Tokio geen excuses zijn gemaakt voor het oorlogsleed. Maar niet iedereen ziet om in wrok. In Ander Nieuws publiceren we hier ter gelegenheid van Nederland - Japan 400 jaar een interview met een twee vrouwen die zich hebben verzoend met het verleden.
 

Mevrouw Lindeijer (84) uit Rotterdam vertrok in 1936 naar Nederlands-Indië, nadat ze was afgestudeerd als onderwijzeres. Haar jongere zus en een achternicht volgden haar voorbeeld. In de oorlog werden de vrouwen geinterneerd in kampen. Drie weken voor het eind van de oorlog overleed de achternicht aan uitputting. Omdat de vrouwen hadden beloofd in zo’n geval voor elkaars kinderen te zorgen ontfermde mevr. Lindeijer zich over de vier kinderen van haar achternicht. In 1946 trouwde ze ook met de vader van het viertal. Hoewel ze in de oorlog dus niet met hem getrouwd was, spreekt ze toch over hem als haar man.

Hij werd in 1942 in Noord-Japan tewerkgesteld in een kamp bij een ijzermijn, waar hij werkte in het ziekenhuis. De heer Lindeijer schreef brieven aan z’n vrouw, maar omdat dat eigenlijk niet mocht verstuurde hij ze nooit. In plaats daarvan bewaarde hij de brieven, samen met andere brieven en tekeningen van het kamp die medegevangenen maakten.

In 1981 overleed Lindeijer en ontfermde z’n oudste zoon Wim zich over de brieven. Hij bundelde het werk van z’n vader en voegde er z’n eigen kampervaringen aan toe (hij was negen toen de oorlog was afgelopen) In het boek van Lindeijer is onder meer sprake van de mijningenieur, Iroë Iwashita, door Lindeijer ‘de menselijke Jap’ genoemd. Toen Wim Lindeijer in de jaren negentig voor het eerst naar Japan ging, ontmoette hij de zoon van Iwashita. Die bleek ook een dagboek te hebben van z’n vader, en daar kwam Lindeijer weer in voor.

Een jaar na het bezoek van haar stiefzoon ging ook mevrouw Lindeijer zelf naar Japan. ‘Wat veel mensen in Nederland niet weten,’ vertelt ze, ‘is dat er in Japan een monument is voor de bijna 900 Nederlanders die in kampen in Japan zijn gestorven. Het gedenkteken was een initiatief van Japanners en wordt door de plaatselijke schooljeugd onderhouden. Jaarlijks is er een herdenking waar ook Nederlanders bij zijn. Mensen die daarbij zijn geweest voelen zich vaak bevrijd van haat en rancune. Mij heeft dit geholpen op een andere manier naar Japan te kijken.’

Mevr. Lindeijer vertelt dat er in het land van de rijzende zon een groot taboe rust op de oorlog: ‘De ouderen vertellen er niet over, de jongeren vragen er niet naar, en de geschiedenisboekjes vermelden alleen de atoombomaanvallen op Hiroshima en Nagasaki.’ Verbaasd hierover vroeg mevr. Lindeijer haar gastheer hiernaar en hij zei: ‘we willen graag aan onze kinderen meegeven dat Japan een vredelievende natie is. Maar,’ zo voegde hij er aan toe, ‘we moeten ze eigenlijk ook vertellen waarom we zo zijn.’

Het bezoek aan Japan omschrijft mevr. Lindeijer als een bevrijding, vooral om te zien dat het land nu op een andere manier met de wereld omgaat. ‘In dat licht moet je ook het bezoek van de keizer zien,’ zegt ze, ‘want de relatie tussen onze landen is heel bijzonder. Zo’n honderd jaar geleden was het ook heel ‘in’ om Japanse dingen in huis te hebben.

Over de oorlog zegt ze nog: ‘Ik heb in de kampen geen echte wreedheden ondergaan, maar andere mensen wel. Er zijn er die zijn gebroken terug gekomen. Die hebben niet meer de kracht gehad er bovenuit te komen. Ik veroordeel ook niemand die geen vrede met Japan kan hebben.

Onze terugkomst in Nederland was heel raar. De mensen hier vonden dat wij maar zeurden, terwijl wij vonden dat er in Nederland niets gebeurd was. Bij kennissen hingen nog dezelfde schilderijtjes, je kreeg dezelfde melkboer aan de deur. Maar ja, wij hielden ons maar stil. Het belangrijkst is dat je er vrij van komt, je moet de pijn niet koesteren. Toen Wim’s moeder overleed beloofde hij haar de Japanners te zullen bevechten, maar zij zei hem dat het met haat nooit vrede kon worden. Het duurde heel lang voor Wim de Japanners om vergeving voor zijn haatgevoelens kon vragen, maar het voelde voor hem wel als een bevrijding. De vraag is dus: wat doe je met je ervaring? Het heeft mijn leven meer inhoud gegeven.’ In april zijn mevr. Lindeijer en haar zoon Wim weer in Japan. Onder meer omdat het dagboek van Wim’s vader in het Japans zal worden uitgegeven.

Geert-Willem Overdijkink

Dit artikel verscheen ook in Ander Nieuws maart/april 2000