dinsdag, juni 15, 2021

Een rake kijk op de relatie Nederland/Indonesië

uitzicht op BandungIn de inleiding van zijn eind vorig jaar uitgekomen boek Revolusi, Indonesië en het ontstaan van de nieuwe wereld introduceert David Van Reybrouck de pakketboot als perfecte metafoor voor de koloniale samenleving in Nederlands Indië. Al naar gelang je ras en klasse reisde je op dek 1, 2 of 3. 

In het hoofdstuk De koloniale pakketboot illustreert de schrijver met vele persoonlijke verhalen hoe die driedeling in praktijk werkte. Dit deel begint met een dramatische gebeurtenis op 25 oktober 1936, toen voor de kust van Soerabaja een mooie, sierlijke, in Rotterdam bij Feyenoord gebouwde pakketboot verging. Ieder van welk dek dan ook vond hetzelfde einde in de zee. Is dit een voorteken van het einde van de koloniale overheersing ruim dertig jaar later?

Honderden ooggetuigen

Revolusi is een rijk boek. Het legt grote verbanden, maar is vooral zo leesbaar en boeiend omdat het verhaalt hoe mensen de geschiedenis gemaakt en ervaren hebben. Van Reybrouck laat zien hoe de Nederlandse expansie in Zuidoost-Azië in 1605 begon met een handelspost in Ambon en hoe de kolonie groeide, met telkens puzzelstukjes erbij, tot het in 1914 het hele gebied bestreek wat nu Indonesië is. Het grootste deel van het boek gaat over de 20ste eeuw en de strijd voor onafhankelijkheid. Honderden ooggetuigen van 90-plus zijn door Van Reybrouck geïnterviewd. Hij bespaarde kosten noch moeite om de laatsten te zoeken, wier eigen ervaring de geschiedenis dichtbij kon brengen. Hij vond hen in het uitgestrekte Indonesië, in Japan, in Nepal en natuurlijk ook in Nederland. Je merkt hoe hij zijn gesprekspartners met liefde en respect tegemoet treedt en een sfeer creëert waarin ze hem hun diepste ervaringen en pijnlijkste herinneringen durfden toe te vertrouwen.

Wingewest 

Al lezende realiseer ik me hoe weinig ik er eigenlijk van af weet. Rond de Molukse eilanden was er al eeuwen voordat de Nederlanders kwamen een levendige handel. Nederland had niet het plan een kolonie te stichten. Ze wilden handel drijven. Maar daarenboven wilde Nederland het monopolie hebben, en daartoe moet je macht uitoefenen. Extreem geweld werd niet geschuwd, zoals de volkerenmoord op het eiland Banda laat zien, nu 400 jaar geleden.

Alles was handel, ook mensen. Slavenmarkten waren in Azië een eeuwenoude praktijk, en de VOC maakte daar gretig gebruik van. Dit was nog voor de veel bekendere Trans-Atlantische handel in slaafgemaakten.

huis waar Eduard Douwes Dekker gewoond heeftSteeds meer werd Nederlands-Indië een wingewest. Een verheviging van de uitbuiting vond plaats in de 19de eeuw, kreeg de naam cultuurstelsel en was geïnitieerd door koning Willem 1. Van Reybrouck legt een voor mij nieuw verband. Toen België zich in 1830 afscheidde van Nederland, miste ons land belangrijke inkomsten. Die moesten dan maar uit Nederlands-Indië komen. Van Reybrouck schrijft dat in de jaren 1850 een derde van de Nederlandse staatsinkomsten kwam via het cultuurstelsel. Dit onrecht inspireerde Eduard Douwes Dekker om onder het pseudoniem Multatuli de Max Havelaar te schrijven, hetgeen het einde inluidde van dit stelsel. Maar niet van het kolonialisme.

Nederland beschouwde het bezit van de kolonie als volstrekt vanzelfsprekend. Zelfs na WO2 daalde bij het bevrijde Nederland niet het besef in, dat haar mooiste kolonie ook wel vrij zou willen zijn. Twee dagen na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 en zonder medeweten van Nederland verklaarde Soekarno Indonesië onafhankelijk. Daarna rept de schrijver niet meer van Nederlands-Indië, maar van de republiek Indonesië. Een republiek die niet erkend werd, waartegen gestreden werd en waarmee onderhandeld moest worden.

Akkoord van Linggajati

Wat dit laatste betreft: Het meest constructief waren volgens hem de onderhandelingen die geleid hebben tot het Akkoord van Linggajati. Ze begonnen in oktober 1946 in Jakarta. Hoofdonderhandelaar voor Nederland was oud-premier Willem Schermerhorn en voor Indonesië Soetan Sjarir, premier onder Soekarno. Schermerhorn hield een gedetailleerd dagboek bij, dat Van Reybrouck heeft gelezen. Hij schrijft: ‘Zijn dagboek laat op ontroerende wijze zien dat wereldgeschiedenis ook altijd een kwestie van persoonlijke relaties is, van mensen die elkaar eerst niet kennen en al dan niet leren elkaar te vertrouwen.’ In dit geval groeide er begrip en zelfs waardering, waardoor na nog geen twee weken besloten kon worden tot een wapenstilstand. Begin november was de tijd rijp voor de formele en diplomatieke onderhandelingen. Daartoe moest een neutrale plek gevonden worden en dat werd het dorpje Linggajati, in het noorden van Java, tegen de flanken van de vulkaan Ciremai. Een mooie koloniale villa met grote tuin werd gekozen als plaats van samenkomst.

Het Akkoord van Linggajati werd gesloten op 15 november 1946. Het behelsde kortweg een Verenigde Staten van Indonesië, die op haar beurt deel zou uitmaken van de Nederlands-Indonesische Unie, onder leiding van de Kroon. In die Unie zaten naast Nederland ook Suriname en de Nederlandse Antillen.

De tuin van het museum LinggajatiDe geschiedenis had hier kunnen eindigen, schrijft Van Reybrouck. Maar het liep anders. Terwijl de Republikeinse leiders consequent achter het akkoord bleven staan, was de Nederlandse overheid argwanend. Toen Schermerhorn weer in Nederland aankwam, moest hij veel uitleggen en kon hij niet verhinderen dat Nederland extra eisen en voorwaarden ging stellen. Door de Nederlandse aanpassingen was het Akkoord van Linggati niet meer een verdrag tussen twee gelijkwaardige partners, en dat was tegen het zere been van Indonesië. Geweld was het gevolg, veel geweld. De kans op een harmonieuze dekolonisatie was verkeken.

Toch heeft het Akkoord van Linggajati een positieve klank. De onderhandelingen die daartoe geleid hadden, waren uniek. Het was voor het eerst dat de kolonisator en de gekoloniseerde met elkaar spraken op voet van gelijkheid. Naarmate de twee delegaties nader tot elkaar kwamen, groeide begrip en vertrouwen. Ze laten zien hoe vijanden vrienden kunnen worden. Ze zijn een voorbeeld hoe vredesbesprekingen tot een voor beide kanten bevredigend resultaat kunnen leiden. De Indonesische overheid zag het belang ervan in en maakte van de villa in Linggajati een museum.

Een van de geïnterviewde 90-plussers is Joty ter Kulve-van Os, sinds lang betrokken bij Morele Herbewapening/Initiatives of Change. Het toeval wil dat de mooie villa waar het akkoord van Linggajati gesloten is, het huis is waar zij is opgegroeid. Haar broer Willem van Os ontdekte op een van zijn reizen dat hun ouderlijk huis een museum was geworden. Omdat broer en zus inzagen hoe belangrijk de boodschap van Linggajati is in onze verdeelde wereld, besloten ze het museum financieel te steunen met de stichting Vrienden van Linggajati. Dit werk is nu overgenomen door Indonesia Netherlands Society (INS). De 93-jarige Joty ter Kulve beschouwt het nog steeds als haar levensopdracht te werken aan een goede relatie tussen haar twee landen, Indonesië en Nederland. Dit museum draagt daaraan bij, evenals haars inziens dit boek van David Van Reybrouck.  

Vergeving gevraagd voor hooghartige houding

De kritische ontvangst die hoofdonderhandelaar Willem Schermerhorn in Nederland ten deel viel, doet denken aan een ervaring van Dirk de Loor, van 1953 tot 1965 burgemeester van Delft. De Loor was overtuigd aanhanger van het gedachtengoed van Morele Herbewapening, de voorloper van Initiatives of Change. Teamleden maakten zich grote zorgen over de relatie met Indonesië. Op allerlei manieren probeerden ze te helpen die te verbeteren, bijvoorbeeld door contacten te leggen met Indonesische nationalisten die voor studie of onderhandelingen met de Nederlandse regering naar ons land kwamen. Zo had het team meegewerkt aan een programma voor de partners van de onderhandelaars van de Rondetafelconferentie over de Indonesische onafhankelijkheid in 1949. Recentelijk sprak ik de nu 101-jarige Tjits Hoekstra die bij die actie vriendschap had gesloten met mevrouw Hatta, echtgenote van vicepresident Mohammad Hatta, onderhandelaar namens de republiek Indonesië. Ze heeft tot de dood van mevrouw Hatta met haar gecorrespondeerd.  

Ook De Loor raakte door zijn contacten met Indonesiërs betrokken bij dat land. In 1958 nam hij deel aan een internationale conferentie van Morele Herbewapening in Baguio op de Filipijnen. Daar boden Japanse politici en hoge ambtenaren hun excuses aan voor het Japanse optreden in de oorlog. Er was ook een Indonesische delegatie aanwezig. Dat de Indonesiërs weigerden Nederlands met hem te spreken, alhoewel ze die taal goed beheersten, verontrustte hem. Hij begreep dat de wandaden uit het verleden tussen hen instonden. Na een innerlijke worsteling nam hij de volgende dag het woord. Hij vroeg publiekelijk de aanwezige Indonesiërs vergeving voor de hooghartige houding van Nederlanders en voor de zwarte bladzijden die door Nederland waren geschreven in de geschiedenis van Indonesië. De Filipijnse radio berichtte hierover en de Indonesische ambassadeur in Manilla spoedde zich naar Baguio om met De Loor te spreken.

Zijn woorden, positief ontvangen door Indonesiërs, oogsten een storm van protest in Nederland. Er gingen stemmen op dat hij afgezet moest worden als burgemeester van Delft. Dat gebeurde niet, maar hij moest zich wel op vele plekken verantwoorden, onder andere in de Eerste Kamer, waarvan hij van 1955 tot 1969 lid was. Er waren evenwel ook stemmen die wezen op de inconsequentie om als Nederlanders het niet nodig te vinden excuses te maken, maar het wel te verlangen van Japanners en Duitsers. Later kwam er meer begrip voor zijn actie. Bij de herdenking na zijn overlijden in 1992 memoreerde de toenmalige voorzitter van de Eerste Kamer Herman Tjeenk Willink deze gebeurtenis en haalde met instemming enige zinnen uit De Loors toenmalige toespraak aan.

Band met Indonesië

Ik ben een van de vele Nederlanders die een band heeft met Indonesië. Mijn grootouders verlieten in 1919 met een peuter en een baby, mijn moeder, het eiland Marken om zich te vestigen in het toenmalig Nederlands-Indië. Mijn opa liet de botter achter bij zijn broer. In een tijdschrift van de vereniging ‘Het Nederlandsche Zeewezen’ van december 1928 lees ik dat hij als ervaren Marker visser was uitgezonden om de leiding te nemen van een visserijproject. Toen dat project te duur werd, is hij te werk gesteld bij het loodswezen in Soerabaja, maar uit dit interview begrijp ik dat hij ook nog steeds de visserij adviseerde.

Op de foto’s zie ik mijn opa in wit tropenpak en mijn oma in een lichte zomerjurk. Wat een verschil met de Marker klederdracht die ze gewend waren te dragen. Als ik me in hen probeer in te leven, denk ik: Wat een ongelooflijk ondernemende stap om hiervoor hun geliefde eiland te verlaten. Het was ook voor de Markers in die tijd ongekend.

Mijn grootvader kreeg in 1934 kanker en voer terug naar Nederland. In een brief geschreven vanaf de boot, lees ik dat hij zijn taak in Indië nog niet als geëindigd beschouwde. Mijn grootmoeder voer hem met vijf kinderen in de volgende boot achterna. Het gezin kwam net op tijd in Amsterdam aan om afscheid van hem te nemen. Hij heeft wat hij zag als zijn taak niet af kunnen maken.

Brug der Helden in Soerabaja.jpgWellicht heeft het boek Revolusi me vanwege mijn familieband extra geraakt. Hoe verhoudt zich het werk dat mijn grootvader deed voor de visserij, voor het loodswezen, met wat er in die jaren ook gebeurde in Soerabaja? Ik begrijp uit brieven en documenten dat hij zijn werk consciëntieus deed, de bedoeling was ongetwijfeld goed, maar het vond plaats binnen een verkeerd systeem. Mijn moeder had er een heerlijke onbezorgde jeugd, maar ze bevond zich in een gesegregeerde samenleving op dek 1. Hoe gingen ze om met de ongelijkheid? Waren ze zich bewust van hun privileges? Hadden ze ooit het gevoel dat er iets niet klopte? Ik zal het nooit weten.

Wel weet ik dat het land waar mijn moeder de eerste 15 jaar van haar leven woonde, haar gevormd heeft. Haar verhalen hebben zich ook in mij genesteld. In 2006 bezocht ik samen met mijn man Indonesië. Ik was, tot mijn eigen verbazing, tot tranen toe geroerd toen ons vliegtuig landde in Jakarta. In Soerabaja probeerde ik mij hun leven daar voor de geest te halen. Ik heb spijt dat ik niet eerder samen met mijn moeder terug ben gegaan.

Hennie de Pous-de Jonge

Fotobijschriften van boven naar beneden:
* Bandung, uitzicht vanuit een hotelkamer
* Het huis waar Eduard Douwes Dekker gewoond heeft in het vroegere Lebak. Nu heet de plaats Rangasbitung. En de straat Jalan Multatuli
* De tuin van het museum in Linggajati
* Op de conferentie in Baguio: Dirk de Loor met de Indonesische politiecommissaris Soemarsono en zijn echtgenote, en met A. Piereno, voorzitter van het Indonesische nationale jeugdfront, maart 1958.
* De brug der helden in Soerabaja, waar tijdens de onafhankelijkheidsoorlog de Indonesiërs stand hielden tegen de Nederlanders.