woensdag, mei 15, 2013

Godsdienstvrijheid

Hoe kan een democratie op een goede manier omgaan met godsdienstvrijheid? Hoe kunnen gelovigen als gelovigen op een constructieve manier aan de samenleving deelnemen? Het zijn vragen waar moslims en christenen in Nederland en Indonesië voor staan. Dat bleek tijdens een bijeenkomst van het Nederlands-Indonesisch Consortium voor Moslim-Christen Relaties, gehouden op 24 april 2013 in het gebouw van Initiatives of Change in Den Haag.

In Indonesië is de verhouding tussen religie en staat in beweging. Sinds de onafhankelijkheid is Indonesië geen seculiere staat. De Pancasila veronderstelt dat iedere Indonesiër religieus is. Daarin ligt een uitdaging, vonden de Indonesische deelnemers aan het gesprek, Andreas Yewangoe (Raad van Kerken in Indonesië) en Rumadi Ahmad (Islam University, Yogyakarta). Beiden stelden de vraag of Indonesiërs ook vrij kunnen zijn om geen religie te hebben. De spanning tussen religie en wetgeving is op allerlei niveaus zichtbaar, vertelde Ahmad. Bijvoorbeeld op het gebied van economische en financiële wetgeving, waar vragen rondom islamitisch bankieren nu spelen. Het zijn vragen die niet alleen moslims, maar alle Indonesiërs aangaan, stelde hij. Yewangoe viel hem daarin bij.

Een van de Nederlandse panelleden was Yaser Ellethy (VU). Ellethy constateerde dat het secularisme in West-Europa religie tot een privézaak gemaakt heeft. Voor moslims is dat een uitdaging, omdat zij anders voelen en denken. ‘Een moslim kan wel in een niet-islamitische staat wonen, maar in hem woont toch een islamitische staat.’ Ellethy pleitte er voor dat moslim-zijn minder op gespannen voet met de westerse samenleving komt te staan. Verder vond hij dat islamitische geleerden zich meer moeten richten op vragen waar westerse moslims voor staan. Burgerschap van een westerse samenleving en een islamitische identiteit kunnen heel goed harmonieus samengaan, stelde hij.

Namens de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) nam Leo Koffeman deel aan het gesprek. Koffeman stelde dat het na de tijd van de verzuiling en de oecumenische beweging nu tijd is voor kerken om te doordenken hoe zij in een seculiere en multireligieuze context staan. Hij ging in dit verband in op de vrijheid van meningsuiting. Die impliceert volgens hem dat mensen dingen mogen zeggen die gelovigen als onprettig of zelfs bedreigend ervaren. Natuurlijk zijn er grenzen: volgens de huidige wetgeving mogen groepen niet op basis van hun godsdienst, ras of seksuele oriëntatie beledigd worden. Ook mag niemand tot haat aanzetten. Volgens Koffeman is de vrijheid van meningsuiting een groot goed. Kerken moeten deze vrijheid allereerst in eigen huis accepteren en zich er vervolgens ook sterk voor maken op het interreligieuze vlak, aldus Koffeman.

Het Nederlands-Indonesisch Consortium voor Moslim-Christen Relaties stelt zich ten doel om het eigen geloof door de ogen van de ander te bekijken. Volgens Gé Speelman, eveneens werkzaam aan de PThU, kan er geen sprake zijn van werkelijke dialoog als de verschillen tussen de religies niet onder ogen worden gezien. Als dat gebeurt, dan zullen de overeenkomsten niet als clichés overkomen. Gerrit Singgih (Duta Wacana Christian University, Yogyakarta) onderstreepte dit: ‘Het gaat om het spreken met en respecteren van de ander in zijn of haar andersheid’.

In het najaar van 2013 zal het Consortium een eerste publicatie presenteren, waarin verslag wordt gedaan van gesprekken tussen moslims en christenen over verschillende geloofsthema’s. In het boek zullen onder meer de positie van vrouwen, de plaats van minderheden en de hermeneutiek van de heilige boeken ter sprake komen.

Wilbert van Saane