vrijdag, juli 1, 2005

Waarom ga ik naar Caux, al jaren en jaren? Om deel te nemen aan een conferentie, om nieuwe mensen te ontmoeten, deel te nemen aan het wereldgebruis, maar dan op kleine schaal en zonder ernstige bedreigingen. Dat is het grote-mensen-antwoord. Politiek correct, zoals dat heet. Maar diep in mij weet ik dat dit bijzaak is: ik ga naar Caux om mijn vrienden en vriendinnen weer te zien en bij te praten. Het zijn voor mij vaak vrienden met wie het contact de twintig jaren overstijgt, zelfs vrienden met wie ik mijn hele leven optrek! Van over de hele wereld.

Toen ik een klein meisje was, ging ik al naar Caux. Ik vond het prachtig. De zenuwen gierden door mijn buik als we in het treintje zaten dat de berg op reed. Wie zou dit jaar mijn kamergenootje zijn? Daar hing het slagen van de zomer van af! En de eerste nacht op 1000 meter, was volgens mijn moeder de meest geagiteerde van het jaar. Soms was ik zelfs misselijk als ik na een verblijf van een week of drie weer weg moest. Ik werd opgevoed met het idee dat de wereld veranderen ieders opdracht, ieders plicht was. Daar was je dag en nacht mee bezig. Toen ik op de lagere school zat en de vrijdag middag voor de vakantie een grammofoonplaatje mee mocht nemen, koos ik er een met liedjes van Caux. Toen dit niet gedraaid werd, wegens gebrek aan tijd, barstte ik in snikken uit. Ik had gefaald in mijn doel mijn klas en de wereld kennis te laten nemen van de hogere bedoeling en daardoor te veranderen. Niet dat ik dit hardop tegen de juf durfde te zeggen. Al ouder wordend leerde ik dat de wereld veranderen een enorme opgave is. Dat het om een mens hier en een mens daar gaat die op een cruciaal moment durft te kiezen voor iets wat boven zijn eigenbelang uitgaat. Dat het God is die aan het werk is, en ons als spelden in het naaiwerk steekt. Wij hoeven de lapjes niet te kiezen, en de steken niet te maken. Wij hebben zelfs geen overzicht van het naaiwerk waar we in zitten. Dus als ik tegenwoordig naar Caux ga, hoef ik ook niet een stapel heldenverhalen over mijn goede daden in mijn koffer te hebben. Ontspannen, me verheugend op het weerzien met mijn maats, ga ik naar Caux. Over een kamergenoot zit ik ook niet meer in!Wie schetst dan ook mijn verbazing toen ik mij inschreef, dat er bezoek voor mij was geweest en bij de thee zou terugkomen! Het was mijn beste schoolvriendin, die ik 20 jaar niet meer gezien had en met wie ik het contact was verloren. Ze was op vakantie in Zwitserland en was langs Caux gegaan. Omdat ik er met haar als kind zo vaak over had gesproken, was ze uit nieuwsgierigheid binnengelopen. Niet wetend dat ik er binnen 3 uur ook zijn zou. We waren allebei diep getroffen. Ze zei dat ze er voor gebeden had. Ik had als kind ook vaak gebeden dat ze naar Caux zou komen. Maar dat ik er 35 jaar op zou moeten wachten, had ik niet gedacht. Maar de tijd van God is de onze niet, en in zijn wijsheid heeft hij het zo beslist. Dat zij als bezoeker komen, en niet als trofee. Nu durf ik haar wel terug te vragen, als deelnemer, voor zichzelf en niet voor mij! Johanna Jaulmes–de Boer Uit: Ander Nieuws, juli/augustus 2005.