woensdag, januari 1, 1997

‘Ga je naar Europa?’, vroeg een Brit, toen ik vertelde dat ik naar Nederland ging. ‘We ZIJN hier in Europa’, zei ik, voor de duizendste keer, ‘ik ga naar het Continent!’ Als overtuigd EU-er vertrok ik in 1993 naar het Verenigd Koninkrijk. Nu, ruim drie jaar later, ben ik nog steeds een overtuigd Europeaan, maar wel vol vraagtekens over de huidige richting van de EU.

Ondanks, en waarschijnlijk vanwege, ontelbare momenten van ergernis, wanneer Britten hun eiland-mentaliteit lieten vieren, of deden alsof ‘Britannia should still rule the waves’, hebben Britse perspectieven, en vooral angsten, me aan het denken gezet. Neem de meest emotionele angst, de Monetaire Unie. In Nederland leek zo’n Unie vanzelfsprekend goed. Nu betwijfel ik of het huidige plan beantwoordt aan de visie van een Europa dat voor haar zwakste leden zorgt, en of alle Europeanen erbij zullen baten. Hoe zullen werkloosheid, armoede, sociale netwerken erbij varen? Wie zal het beleid bepalen, wiens belangen dienend en aan wie rekenschap gevend?

Balanceren

Nu is het al moeilijk tegenstrijdige belangen uit te balanceren, hoe zal dat gaan op grotere schaal? Grote bedrijven zullen geen moeite hebben, maar hoe zal de ‘kleine zelfstandige’ varen? Waarom meer centralisatie en ondoorzichtiger machtsgebruik, als mensen al zo vervreemd zijn van de politiek, en daardoor cynisch? Hier hunkert men naar transparant, dienend leiderschap, ons vertrouwen waardig. Zo’n ideaal zal nooit gerealiseerd worden, maar de EU kan het actief najagen in plaats van meer ondoorzichtigheid te creëren, en daarmee sociale onrust en geweld. Neem de botsingen met Europese Commissie en Gerechtshof. Soms hebben zij gelijk, en ben ik blij dat er een hogere instantie is, die onrecht recht kan zetten. Maar te vaak wordt iets dat werkte omdat het langzaam gegroeid was in een lokale context, verstoord door mensen die lokale gebruiken en gevoeligheden niet voldoende begrijpen. We schijnen te vergeten hoe provinciaal wij Europeanen zijn, hoe gevoelig voor onbegrip. Britten zijn bijvoorbeeld niet alleen trots op hun eeuwenlange onafhankelijkheid, maar ook op het feit dat hun zorgvuldig uitgewerkte balans van invloed en belangen een model voor democratie is. Brussel ligt buiten die balans, maar ‘regeert’ alsof het eenzelfde vertrouwen heeft verworven. Brussel is ook ‘Continentaal’ wat verdragen betreft - nadruk op theoretische richtlijnen, ruimte voor rekbare interpretatie. Britten, daaren-tegen, zijn geneigd richtlijnen tot in detail uit te voeren, en zijn uiterst terughoudend voor ondertekening en verontwaardigd als anderen (nadelige) details omzeilen. Britse recalcitrantie heeft het Continent in anti-Britse stemming gebracht. Begrijpelijk maar betreurenswaardig omdat Britse kritiek op onopgeloste spanningen wijst en omdat een EU zonder volledige Britse inzet zwaar verliest aan diepgang en diversiteit. Als ons doel een inclusief, democratisch en divers Europa is, is het nu de hoogste tijd om Britse gevoeligheden te doorgronden en hun de hand toe te reiken - alle irritaties ten spijt. Jeroen Gunning Uit: Ander Nieuws, januari/februari 1997