vrijdag, november 17, 2006

Johannes en Hennie de Pous waren een week in Israel en schrijven over hun ervaringen.

Uitzicht op de tempelberg in Jeruzalem.
Uitzicht op de tempelberg in Jeruzalem.

‘Mijn landgenoten komen een week naar Israël voor een ‘fact finding mission’ en schrijven daarna een boek. Of ze komen voor een maand en schrijven een artikel. Maar als je hier jaren geweest bent, schrijf je niets meer.’ Deze observatie is van de Amerikaanse pater Michael McGarry met wie we de complexe toestand in Israël en Palestina bespreken. Hij is directeur van Tantur, een centrum voor interculturele dialoog, gelegen in Oost Jeruzalem op de weg naar Bethlehem. Hij kwam acht jaar geleden uit overtuiging en idealisme, maar daar is veel van vervlogen. Wij zijn een week in Israël geweest en schrijven een artikel. We zijn, nog meer dan we al waren, onder de indruk geraakt van de ongelooflijke complexiteit van de situatie en van de onmenselijke druk waaronder zowel de Israëli’s als de Palestijnen leven. Maar ook hoeveel mensen er zijn, aan beide kanten, die proberen op verschillende niveaus iets aan de situatie te veranderen. Wij zijn de gast van Merri Minuskin, directeur van het ‘Center of Education for Reconciliation and Cooperation (CERC), dat zij bijna drie jaar geleden oprichtte. CERC is wat haar betreft een verlengstuk van Initiatives of Change, dat zij een jaar of tien geleden leerde kennen. Merri voelt een grote urgentie om mensen bij elkaar te brengen, zowel de verschillende bevolkingsgroepen binnen Israël als Israëli’s en Palestijnen en Jordaniërs. In de programma’s die ze aanbiedt is dat het eerste doel en daarnaast gaat het om een onderwerp dat mensen aan alle kanten van de scheidslijnen aanspreekt. Zo brengt zij vrouwen bij elkaar om te leren bemiddelen en initiatieven te nemen. Burgemeesters uit Jordanië en Israël bespreken hun situaties met elkaar. Er zijn programma’s voor boeren aan beide zijden van de grens. Programma’s over gezondheid, sport, microkrediet, mensenrechten. Toen wij er waren stond er een artikel met foto in een landelijke krant over een langer durend programma van CERC waarin Israeli’s en Jordaniers samen voetballen. Het wordt steeds moeilijker sommige programma’s doorgang te laten vinden, omdat Palestijnen nauwelijks toestemming krijgen Israël binnen te komen. Dat was de reden van de somberheid van de directeur van Tantur. Voor de dialoogbijeenkomsten die eerder in Tantur plaatsvonden, wijken mensen nu uit naar Turkije bijvoorbeeld. Maar dankzij Merri’s enorme overredingskracht en haar uitgebreide netwerk, tot in regeringskringen, lukt het haar meestal wel de noodzakelijke toestemming te krijgen.

Merri en Avner voor de sinaasappelboom in hun tuin.
Merri en Avner voor de sinaasappelboom in hun tuin.

Terwijl wij er zijn is er een CERC programma gaande dat iets anders van karakter is. Deze keer geen Israeli’s, Palestijnen en/of Jordaniers samen, maar basketballers uit de VS. De groep is ook kleiner, maar zeven in plaats van de gebruikelijke dertig of zo. Ze werken met ‘Playing for peace’, een organisatie die via basketbal mensen bij elkaar probeert te brengen. Overal in conflictgebieden leiden ze mensen op om gemengde basketbal teams te creëren. In Israël zijn ze daar net mee begonnen. Drie van hen reizen dagelijks tussen Jeruzalem en de bezette gebieden om aan beide kanten coaches op te leiden. De anderen begeleiden hen op afstand. De jonge mannen krijgen in vier dagen een intensieve cursus aangeboden over de situatie in het land. Wij mogen meelopen en maken zo kennis met vele facetten van deze ingewikkelde samenleving. Er is niet alleen de confrontatie tussen Israeli’s en Palestijnen, ook binnen het land is er verdeeldheid. Een Druzische professor legt uit dat er zes niveaus zijn: het meest bevoorrecht zijn de westerse joden, daarna komen achtereenvolgens de sefardische joden, de Arabische christenen, de Arabische Druzen, de Arabische moslims en tot slot de bedoeïenen. Of je wel of niet in het leger gediend hebt, maakt veel uit voor je carrière. De Druzen doen dat, ze hebben vanaf het begin besloten mee te werken aan de totstandkoming van de Joodse staat. De moslims niet en daardoor worden hen rechten onthouden. We horen van mensen zelf wat de politieke situatie betekent in het dagelijks leven. We horen niet alleen, we zien het ook als we een tocht maken rond het oostelijk deel van Jeruzalem en naar de muur kijken die wellicht enigszins bescherming biedt (althans een gevoel van bescherming), maar groot menselijk leed veroorzaakt en mensenrechten schendt, zoals die van de Arabische boer die zijn land niet meer kan bewerken. Maar wat zijn er ook veel mensen die zich niet bij de bestaande situatie neerleggen. Het wemelt van de organisaties die een nood of onrecht aanpakken. De jonge vrouw die ons de muur laat zien werkt voor Ir Amim, een organisatie die dit soort tochten organiseert om mensen te laten zien wat er in hun land gebeurt en juridische bijstand verleent aan door de muur gedupeerde Arabieren. En zo horen we over een jeugdkamp in Ramallah, programma’s in Arabische scholen, over een Joods/Palestijnse organisatie van ouders, die een kind verloren hebben in de gewelddadigheden en zich gezamenlijk inzetten voor vrede. Een Joodse moeder vertelt hoe ze tien jaar geleden haar toen 15-jarige dochter verloor bij een bomaanslag in Tel Aviv. Het meisje Bat-Chen hield een dagboek bij, dat is uitgegeven. (Ook in Nederland. ‘Het lied van Bat-Chen’ als boek samengesteld door Andre Diepenbroek, uitgave Mes, Capelle aan de IJssel). Bat-Chen’s moeder heeft haar verdriet omgezet in een strijd voor vrede, opdat ook niet andere moeders hetzelfde meemaken. Een voormalig legerofficier vertelt over zijn organisatie (Economic Cooperation Foundation), die ‘second track diplomacy’ beoefent, vooral bij zaken die de economie betreffen. Een probleem is, zegt hij, dat de Palestijnen veel weten over de Israëli’s, want ze hebben daar tot de laatste intifada gewerkt. Nu kan dat niet meer, omdat de grenzen voor hen gesloten zijn. De Israeli’s daarentegen weten niets over de Palestijnen en het leven in de bezette gebieden. Om daar iets aan te doen neemt hij groepen Israeli’s mee naar de Westelijke Jordaanoever, om met eigen ogen kennis te nemen van de situatie. Indrukwekkend is de ontmoeting in Jeruzalem met rabbijn Arik Asherman, woordvoerder van de Rabbijnen voor Mensenrechten. Orthodoxe joden laten mensenrechten vaak over aan anderen, maar dat is niet goed, vindt hij. Joden zouden bij uitstek vanuit hun geloofstraditie kunnen weten dat ze voor mensen buiten de eigen groep moeten zorgen. In een democratie zijn enkelen schuldig, maar allen verantwoordelijk, is zijn overtuiging. ‘Israëli’s moeten leren dat er geen symmetrie is. Zij hebben de macht en zij schenden mensenrechten, waardoor het vredesproces vernietigd wordt. En de Palestijnen moeten weten dat geweld ook niet werkt.’ Over het schenden van de mensenrechten, zegt hij: ‘Ik wist het liever niet, maar nu ik het weet heb ik geen andere keus dan me in te zetten. Ik wil Gods partner zijn om een meer rechtvaardige wereld te scheppen.’ En dat inzetten doet hij zowel in de rechtszaal als in het veld, door zij aan zij met Palestijnen verwoeste huizen weer op te bouwen en olijven te oogsten. ‘Het is het een of het ander: of we leven samen of we sterven samen.’ Deze rabbijn met zijn keppeltje staat op een profetische manier voor zijn overtuiging. Iedereen met wie we spreken heeft het over de Oslo akkoorden (1993) en hoe verschrikkelijk het is dat die plannen op niets uitgelopen zijn. Velen hadden hun hoop gevestigd op de ‘twee staten oplossing’. De moord op premier Yitschak Rabin op 4 november 1995, nota bene door een volksgenoot, boorde die hoop nog verder de grond in. Onze gastheer Avner Huberman nam ons mee naar de plek van de moord. Hij kon zijn tranen nauwelijks bedwingen toen hij ons vertelde over de gebeurtenissen op die dag van de grote vredesdemonstratie op het plein die eindigde met dit drama. Israël met zijn zon beschenen witte huizen, wuivende palmbomen, overdadig bloeiende planten en overvloed aan citrusbomen is geen gewoon land. Het land leeft in de schaduw van de holocaust. Veel joodse inwoners zijn afstammelingen van overlevenden. Avners vader bijvoorbeeld kwam als 11-jarige met zijn 9-jarig zusje in 1939 naar Engeland. Hij was erheen gestuurd door zijn ouders, die in Duitsland achterbleven. Behalve zijn zusje en hij heeft niemand van de familie de oorlog overleefd. Onze gastvrouw Merri’s familie komt uit Polen en Wit-Rusland. Haar grootouders vluchtten naar de VS. De rest van de familie kwam om. Merri’s ouders werden gediscrimineerd in de VS omdat ze joods waren en Merri zelf werd om die reden op school gepest. Na haar middelbare school besloot de 17-jarige Merri naar Israël te gaan. En ook al brak toen in 1973 de Yom Kippoer oorlog uit, toch had ze het gevoel dat ze thuiskwam. En ze besloot er te blijven. Ze gelooft dat ze hiermee de droom van haar grootvader waar heeft gemaakt. Israël was zijn droom. Hij stierf negen maanden voordat Merri geboren werd. Israël is ook geen normaal land vanwege de voortdurende angst voor zelfmoordaanslagen. Het viel ons op dat mensen elkaar voortdurend bellen, als het ware om er zeker van te zijn dat de ander nog leeft. Overal lopen gewapende militairen en politie. Voor je de trein instapt wordt je tas gecontroleerd en moet je door een detectiepoortje. Dit geldt ook voor winkelcentra, restaurants en andere plekken waar veel mensen zijn. Overal staan gedenktekens van die aanslagen en de Israëli’s kunnen ze allemaal opnoemen. Eigenlijk zijn allen die daar wonen slachtoffer van de angst. Bovendien voelen de Israëli’s dat de wereld hen niet begrijpt en te eenzijdig de kant van de Palestijnen kiest. Terwijl wij er waren, werd het land in hoogste staat van paraatheid gebracht vanwege het incident in Beit Hanoun in Gaza. Omdat Israël vanuit Gaza voortdurend met raketten bestookt wordt, had het leger een tegenactie ondernomen. Maar in plaats van de plek waar de raketten vandaan kwamen te raken, hadden ze een huis met negentien burgers geraakt. Allen, de meesten lid van een familie, werden gedood. Het klopt inderdaad dat dit afschuwelijke incident wereldnieuws wordt, en niet het feit dat sinds de terugtrekking van Israël uit Gaza, er vanuit Gaza voortdurend raketaanvallen op Israël plaatsvinden. Ondanks alles gaan Merri en velen anderen door met hun inspanningen voor verbetering en verandering van de situatie. Als mensen elkaar ontmoeten en spreken, heb je kans dat ze elkaar beter begrijpen en zou je uiteindelijk kunnen komen tot een ‘win-win’ situatie, gelooft ze. In iedere groep die aan haar programma meedoet, hoopt ze dat er een persoon is die ze kan bereiken. Zij heeft een netwerk van partners in alle bevolkingsgroepen. Na het incident in Beit Hanoun kreeg Merri onmiddellijk bericht van haar collega in Gaza Mohamed Rantissi die ze kent uit Caux. Hij was woedend, natuurlijk, en kon zijn woede kwijt bij Merri die deelde in zijn verontwaardiging. Merri’s doel is aan de basis te werken en ook op het niveau van de regeringen. Ze heeft contact met de regeringen van Jordanië, Palestina en haar eigen land, die ze daardoor betrekt bij haar acties. ‘Om in vrede te kunnen leven, moet je vrede leven’, zegt ze.’Je moet je handen uitstrekken naar de ander. Veel mensen zijn bang dat, als ze dat doen, hun handen eraf gehakt worden. Een belangrijk ingrediënt van mijn werk is verzoening. Verzoening begint met het besef dat er een ernstige wond is. Die wond moet je open maken, om hem te kunnen genezen. Niet erover heen praten. Je moet niet bang zijn om eerlijk te zijn en diep te gaan. Beide kanten hebben hun eigen reële waarheid. We moeten proberen die punten te vinden waar beide waarheden elkaar raken en dan een nieuwe waarheid scheppen. Dit ligt aan de basis van al onze programma’s. De enige die mijn probleem kan oplossen is iemand van de andere kant. Je moet vergeving vragen aan de juiste persoon. Je kunt dat alleen doen door het hart van de ander te raken.’ Johannes en Hennie de Pous (in Israël van 6 tot 13 november 2006)