dinsdag, juni 7, 2022

In memoriam Tjitske Hoekstra

Door Hennie de Pous-de Jonge

Tietjerksteradeel, 28 januari 1920 – Den Haag, 12 april 2022

102 jaar is ze geworden. Tjits Hoekstra, voor velen tante Tjits. Tot op het laatst bleef ze actief betrokken in gedachten, gebed en correspondentie bij haar familie, vrienden en kennissen in binnen- en buitenland. Zo stond het op de rouwkaart. Zo wordt ze herinnerd.

Tjits had een onvoorwaardelijk vertrouwen in God. Voor de oorsprong daarvan moeten we naar 1938. De achttienjarige woonde toen in Groningen en was via haar predikant in aanraking gekomen met de ideeën van de Oxfordgroep. Zij zat in een gespreksgroep die hij leidde, over het zoeken naar de leiding van God in je leven. Meer leerde ze hierover toen ze in 1948 in het diaconessenhuis in Eindhoven ging werken, eerst als verpleegkundige en later als docente narcotica verpleegkunde. Ze kwam daar in aanraking met Morele Herbewapening, zoals de Oxfordgroep na 1938 ging heten. Vooral het idee dat God een plan voor je leven en voor de wereld heeft, sprak haar aan. Als verpleegkundige zag ze het als haar roeping om mensen te helpen genezen. Ook toen ze in 1956 fulltime ging werken met Morele Herbewapening, bleef ze deze roeping trouw, al ging het toen meer om de genezing van andersoortige wonden, die mensen in het leven oplopen door teleurstelling, haat en verbittering.

Die stap in 1956 was een keerpunt in haar leven, zo vertelde Maarten de Pous in zijn toespraak tijdens de dankdienst voor Tjits in de Kievietkerk in Wassenaar, op 20 april 2022. Tjits stond op het punt een nieuwe opleiding te beginnen, die door haar ouders betaald zou worden. Voorafgaande daaraan besloot ze een conferentie bij te wonen in het internationale conferentiecentrum van Morele Herbewapening in Caux, Zwitserland. In notities over haar leven die ze voor Maarten op papier had gezet, schreef ze: ‘Op een ochtend las ik in de bijbel Jesaja 55: 'Waarom geld betalen voor iets dat geen brood is?'. Ik besefte dat die opleiding een zekere status zou geven voor het niet getrouwd zijn. De cursus werd afgezegd en ik zag een nieuwe weg voor me liggen.’

Foto: Tjits Hoekstra (links) en mevrouw Charlotte van Beuningen (rechts), uit privé collectieEen bepalend contact in haar leven was dat met Charlotte van Beuningen-Fentener van Vlissingen. De laatste had in de jaren 30 kennis gemaakt met de Oxfordgroep en werd een van de voortrekkers van Morele Herbewapening. Zij woonde met haar echtgenoot in Vught en had in de oorlog haar sporen verdiend met het organiseren van voedselhulp aan de gevangenen van het concentratiekamp aldaar. Na het overlijden van haar man in 1948 verkocht Charlotte van Beuningen haar huis in Vught en kocht ze een groot pand aan de Berkenlaan 1 in Wassenaar, om gebruikt te worden als centrum voor Morele Herbewapening. In 1955 schonk ze het huis daadwerkelijk aan de Nederlandse stichting voor Morele Herbewapening, en ging ze huur betalen voor de twee kamers die ze bewoonde. Tjits Hoekstra ging daar vrijwel vanaf het begin ook wonen en werd de steun en toeverlaat van mevrouw Van Beuningen, die door bijna iedereen tante Lotty werd genoemd.

De bewoners van de Berkenlaan 1 vormden een bont gezelschap. Je zou het een commune avant la lettre kunnen noemen. Zo’n twintig personen, echtparen, gezinnen met kinderen, alleenstaanden, jong en oud, woonden er samen als een familie. Vaak waren er ook gasten uit het buitenland. Wat de bewoners gemeen hadden, was dat ze volgens de beginselen van Morele Herbewapening wilden werken aan een betere wereld. En natuurlijk moest dat in deze leefgemeenschap al in praktijk gebracht worden. Omdat er samen gekookt en gegeten werd, was veel overleg nodig. Ook was het belangrijk samen stil te zijn, om uit de weg te ruimen wat verdeeldheid schiep en om het doel duidelijk voor ogen te houden. Samen met mevrouw van Beuningen was Tjits de onbetwiste spil, de ziel van deze gemeenschap.

Al in 1949 werd het huis gebruikt voor een bijzondere actie. Van 23 augustus tot 2 november vond in Den Haag de rondetafelconferentie plaats over de Indonesische onafhankelijkheid. De bewoners van de Berkenlaan 1 organiseerden een ontvangst voor de echtgenotes van de Indonesische onderhandelaars en diplomaten, voor wie weinig geregeld bleek. Ook huurden ze een bus om hen iets van Nederland te laten zien. Deze blijken van hartelijkheid werden zeer gewaardeerd en hebben geleid tot vriendschapsbanden die vele jaren zouden duren, zoals tussen Tjits en mevrouw Hatta, de echtgenote van de vicepresident van het onafhankelijke Indonesië. Vanaf dat moment heeft Tjits met mevrouw Hatta gecorrespondeerd, totdat de dochter van mevrouw Hatta Tjits verwittigde van het overlijden van haar moeder. Toen Tjits samen met Charlotte van Beuningen in 1969 in Indonesië was, werden beiden door mevrouw Hatta ontvangen, en ontmoetten ze ook andere dames voor wie ze twintig jaar eerder een programma georganiseerd hadden.

Foto: Tjits Hoekstra, uit privé collectieDit is illustratief voor de ongelofelijke trouw van Tjits. In alle toonaarden werd die tijdens de dankdienst bezongen. Ze correspondeerde met heel veel mensen, hield verjaardagen en trouwdagen bij, stuurde talloos veel, in haar mooie handschrift geschreven, kaarten. Ze had een ijzersterk geheugen en kon uit haar lange, veelbewogen leven zo levendig en gedetailleerd verhalen vertellen, dat je het idee kreeg erbij te zijn geweest. Maarten de Pous zei in zijn toespraak, dat je door al die verhalen het gevoel had haar al veel langer te kennen. Wat ze onthield ging niet alleen over haar eigen leven, maar ook over wat mensen haar vertelden over henzelf, hun familie, kinderen, kleinkinderen, wat ze deden, waar ze werkten of studeerden.

Foto: Tjits Hoekstra in haar eigen kamer, uit prive collectie Behalve dat Tjits alles onthield van iedereen die ze ontmoette, zag Maarten nog andere dingen die voor hem Tjits typeerden: ‘…de liefdevolle band die zij had met haar ouders. Ze sprak altijd over hen met veel respect en waardering. Op haar kamer hingen die twee prachtige portretten van haar vader en van haar moeder. Die zelfde warme betrokkenheid had ze voor al haar familieleden, tot in de kleinste details. Ik denk dat daar de basis en bron ligt van haar super zorgzame levenshouding. Het andere aspect van Tjits dat mij aansprak was haar liefde en waardering voor mooie dingen, voor antiek, voor schilderijen, of kleine zilveren figuurtjes, of tot in de puntjes verzorgde fotoalbums. En tenslotte haar gevoel voor humor, haar belangstelling voor het nieuws en de politiek, haar enthousiasme voor tennis, voetbal en snooker op TV, haar uitgebreide correspondentie en haar leeslust. Het ene boek na het andere. En niet zomaar een boek, het moest wel ergens over gaan. Naderhand kon ze je een beknopte samenvatting geven.’

Tjits was een bijzondere tante en oudtante. Voor achternichtje Mariëlle was haar oudtante er altijd als ze richting in haar leven zocht. Omdat Mariëlle zelf in Bonaire was, las haar moeder Pieta voor wat ze wilde zeggen over haar oudtante. ‘Die speciale band die ik met haar had, was er al vroeg. Ik observeerde als jong meisje deze bijzondere tante op de Berkenlaan. Ik was geïntrigeerd door haar levenshouding. Die motiveerde mij later om Initiatives of Change beter te begrijpen en ik werd gestimuleerd om naar Caux te gaan. Terugkijkend was dit voor mij vormend en richtinggevend. Tante Tjits was er altijd. Als het niet fysiek was, dan was het in gebed. We konden gesprekken hebben van hart tot hart, maar ook hartelijk lachen, naar de film gaan, stappen in Amsterdam zoals we dat noemden… Ik ben dankbaar voor de waarden die u mij hebt meegegeven…’

Voor iemand die de regie van haar leven stevig in handen had, waren de laatste vier jaar heel moeilijk. Na een val kon ze niet meer lopen. De afhankelijkheid die daarop volgde viel haar zwaar. Predikant Jilles de Klerk vertelde over de laatste keer dat hij bij haar op bezoek was. Ik kan nu bijna niets meer, zei ze tegen hem. Niet meer meedoen, niet meer lezen en bijna niet meer praten. Waarop ze vervolgens een uur lang goed en verstaanbaar met hem sprak. Tjits wachtte op het moment dat God haar kwam halen. Ze geloofde, zei De Klerk, dat ons leven en ons sterven in Gods hand is, en daar vertrouwde ze op.

Wat ze nog wel kon, was de liederen voor deze dienst uitzoeken. Het werden dank- en lofliederen, uit het nieuwe liedboek, want Tjits bleef tot het einde bij de tijd, betrokken op de wereld, op de kerk, op mensen.

Tjits had haar predikant verteld over stille tijd. En hoe dingen op hun plek vallen, als je er in stilte over nadenkt. Ze ging anders aankijken tegen het verdriet en de moeite om haar verbroken verloving. Ze kon die accepteren en verwerken. Het was niet volgens Gods wil geweest. Door de breuk was haar leven op een ander spoor gezet. Een spoor waar ze vrede mee had. Gods spoor. Veel van wat van God gezegd wordt, leefde in Tjits, leefde zij voor: liefde en trouw, aandacht en zorg. Zo getuigde ze in haar doen en in haar woorden van God. Van Gods goedertierenheid, aldus de predikant in deze dankdienst.  

Die laatste vier moeilijke jaren werden voor Tjits verlicht door een vast team dat regelmatig op bezoek kwam en ook zorgde voor alle praktische aspecten. Maarten de Pous noemde ze in de dankdienst bij naam. Behalve hijzelf en zijn echtgenote Lis, waren dat neef Jan Hoekstra, Lotty Wolvekamp, Alexa van der Wyck, Frieda Haitsma, André Wortel, Agnes Dallmeijer en Ron Dwinger. In zijn toespraak bij de bijzetting in het familiegraf in Hardegarijp op 21 april noemde Jan Hoekstra drie ervan heel speciaal. ‘Het is hier het moment om een woord van diep respect en innige dank uit te spreken tot Maarten en Lis, en Lotty, die haar door de jaren heen met liefde en niet aflatende zorg hebben omringd. Ik voel achter mijn rug Tjits dankbaar glimlachen nu ik namens haar dit persoonlijke woord tot dit onvervangbaar trio mag richten.’