zondag, november 1, 1998

...ethiek

De meeste wetenschappers worden betaald om te doen wat ze boeit: in mijn geval te onderzoeken hoe een cel leeft en sterft. Sommigen worden betaald voor een project dat zowel wetenschap als technologie kan omvatten; bijvoorbeeld het ontwikkelen van gewassen die resistent zijn tegen nematoden. Zij doen dit omdat de schoonheid van de biologie hen fascineert. Zij vinden het opwindend te observeren, te veronderstellen, te fantaseren en te begrijpen. Ondanks het feit dat wetenschappelijk onderzoek vaak moeizaam en langzaam gaat, heeft zo'n wetenschapper bijna altijd een fonkeling in z'n oog. Ik denk dat het publiek onderschat dat wetenschappers voor hun (mooie) werk verantwoording af moeten leggen, dat voor en na de experimenten alles kritisch beoordeeld wordt, dat het publieke debat hen tot voorzichtigheid maant. Het is jammer dat het publiek wetenschap en technologie (en soms zelfs industrie) op één hoop gooit, terwijl de onderzoeker -tenminste in mijn omgeving- zichzelf zelden associeert met de technicus en al hele-maal niet met hen die bijvoorbeeld het beheersen van de 'gekke-koeien-ziekte' bagatelliseerden. Het is veelal zo dat wetenschappers die aan de bel trekken om slecht beleid of zelfs maatschappelijke trends ongedaan te maken, later een moeizaam en eenzaam bestaan hebben. Als Australiër met een landbouwkundige opleiding, waardeer ik de sterke samenwerking tussen wetenschappers in Europa. Er is een gezonde confrontatie die leidt tot synergie (samenwerking). Europeanen zouden hun traditie om in fundamenteel onderzoek te investeren, meer moeten koesteren. Meer dan vroeger moeten ze nu rekening houden met de noden van de maatschappij en de publieke opinie. Fundamenteel onderzoek is nodig als Europeanen minder gewasbeschermingsmiddelen willen gebruiken, schoner en smakelijker willen eten, de zelfverdedigingsmechanismen van organismen tegen ziekten willen versterken enzovoort. Genetische technologie is voor het dagelijkse werk van de bioloog net zo belangrijk als de microscoop. Ik ben opgegroeid met ontbijtgranen, die genen voor ziekteresistentie in zich droegen die door onze grootouders geïdentificeerd waren en essentieel zijn voor de gewassen. Zo ga ik ervan uit dat mijn kinderen met genetisch veranderde soja of fruit opgroeien. Ik verwacht ook dat mijn kinderen zullen meemaken dat Afrikaanse gewassen resistent zijn voor virussen, dat er 'low-input' landbouw (met gebruik van zo min mogelijk toevoegingen en bestrijdingsmiddelen) komt met betere zaden, een betere bodemflora en dat er gekloonde dieren komen enzovoort. Natuurlijk is het makkelijker onderzoek te mobiliseren ten behoeve van Amerikaanse mais, dan voor Afrikaanse cassave. Het is nodig dat bedrijven en agentschappen lange-termijn projecten organiseren met de hierboven genoemde doelstellingen en daarvoor moet de publieke opinie gemobiliseerd worden. Wetenschappelijke bezinning en democratische fora moeten de richtlijnen en de grenzen vaststellen voor het onderzoek en de verspreiding van de producten. In dit licht bezien is het een verloochening van de rechten van de consument om de verkoop van transgene producten te forceren door onjuiste of onvolledige etikettering. Hierdoor wordt een duidelijke publieke discussie verhinderd. En dat is schadelijk voor het proces van wetenschappelijke bezinning. Spencer Brown Uit: Ander Nieuws, november/december 1998